De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering

Part 12

Chapter 123,827 wordsPublic domain

"Geen wonder, Uwe Hoogheid," gaf Heenvliet ten antwoord. "Maar het volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer Uwe partij toegedaan en wenscht niet minder Uwe bevordering. Ook hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst van _Brandenburg_, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge krijgsambten aanbevolen."

"En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van anderen moest steken."

"En dan," merkte Zuijlestein aan. "En dan, om te bewijzen, hoe weinig zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins van _Tarente_ tot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt."

"Daar heeft _Zeeland_ dan ook dapper tegen geijverd," hernam Heenvliet.

"En wat heeft het _Zeeland_ geholpen?" vraagde Zuijlestein. "Het antwoord, dat _Holland_ gegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil."

"Omdat _Holland_ mij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom van achttien jaren zal bereikt hebben," zeide de Prins op scherpen toon. "Zij hebben gelijk, de Heeren Staten," vervolgde hij schijnbaar luchthartig. "Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het krijgswezen doen?"

"En dan uwe voorouders Prins!" riep Heenvliet uit. "Heeft men hun ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet zich laten kennen, en een oproeping...."

"Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij doen wat zij willen--ik _wil_ van hunne handelingen niets weten. Ik verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij, hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?"

"Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid," antwoordde Heenvliet. "Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?"

"Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.--Gij zijt immers ook een kenner?"

De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden, toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde, en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide:

"Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het Hof van _Brandwijk_ [34] is geweest en een langdurige conferentie heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?"

"Met de Prinses-weduwe!" riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten, te gelijk.

"Zooals ik u zeide," antwoordde de ritmeester. "En wat meer is, alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid nogmaals aan het Hof van _Brandwijk_ aangereden, en heeft ruim een kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht."

"En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!" riep Heenvliet uit. "Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe luider wordt?"

"De Heer De Witt zal wel moeten toegeven," zeide Boreel, die tot nog toe gezwegen had. "Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn."

"En dan"--hervatte Heenvliet triomfeerend. "Dan zal de Raadpensionaris spoedig vallen en dan--dan maken wij vrede met _Engeland_.... en...."

"Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien," hernam de Prins bedaard.

"Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur," antwoordde de Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten bezette horloge uit den zak haalde. "Maar Uwe Hoogheid zal mij thans excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen."

"Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet," zeide de Prins. "Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan, dat ik hoogen prijs stel op uw opinie."

De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.

"Hij moet zeker naar de "Oude Zwaen," dat hij zoo'n haast maakt," zeide Boreel glimlachend. "Daar zal hem wel de een of andere vriend met het verkeerbord wachten."

"Zoudt gij het denken?" vraagde de Prins.

"Voorzeker, Uwe Hoogheid," zeide Buat. "De Heer Van Heenvliet is een der trouwste bezoekers van de "Oude Zwaen." Men kan hem daar alle dagen vinden."

"Ziedaar het voorrecht van hen, die in het _Noordeinde_ wonen," zeide de Prins. "Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen, die op het Hof van _Brandwijk_ komen, maar weten ook, wie de "Oude Zwaen" bezoeken."

"Met uw verlof, Uwe Hoogheid," hernam Boreel. "Onze goede vriend Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet."

"En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de Prinses-weduwe?" vraagde Zuijlestein.

"Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein," antwoordde de Prins. "Wat de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel geweest. Ik durf mij nog niet vleien."

"De Raadpensionaris is voorzichtig," merkte Boreel aan. "Hij zal begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken."

"Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn," hervatte Buat. "En mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder in actieven dienst [35] te treden."

"Beste Buat," zeide de Prins. "Laat ons toch de huid niet verkoopen, alvorens de beer geschoten is."

Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig was omtrent zijne bevordering?--En toch--wanneer gij in dat hart hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou gewenscht hebben,--een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap, hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden.

Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug, waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik, waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan.

"Goede tijding, Willem!" fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den Prins de hand reikte. "Ik wensch u geluk met uwe benoeming."

"Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede tijding verneem," zeide Buat.

Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.

"Ik heb mij gehaast," begon de Raadpensionaris, "U zelf het eerst de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie, welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe."

's Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht bij den schoorsteen staan.

"Een verzoek van mijne geachte grootmoeder," zeide de Prins. "Wat hield dat verzoek in, als ik vragen mag?"

De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak, legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op.

"Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten over _Holland_ en _West-Friesland_, het verzoek herhaald, reeds in 1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse Royaal gedaan, dat Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder staatsdirectie en conduite [36] te mogen verkrijgen die onderwijzing, door welke zij de rechten en de maximen [37] dezer Republiek grondig zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt worden, om ten eenigen tijde, des noodig, den Staat te dienen."

Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.

"En heeft mijne grootmoeder _dat_ verzoek herhaald?" vraagde hij met een van aandoening trillende stem aan De Witt.

"Wie anders dan zij?" vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat en zeide:

"Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet naar het _Noordeinde_ om Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen."

"Voorzeker," antwoordde De Witt. "Maar niet minder dankbaar zal Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen [38]. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: Wichold van der Does, uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer van _Naaldwijk_, Oud-burgemeester en Raad van de stad _Dordrecht_, Gillis Valkenier, Burgemeester en Raad van _Amsterdam_, Nanning Foreest, Raad en Meester van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap te _Alkmaar_ en--mijn persoon...."

"Ook Uwe Edelheid?" hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte.

"Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?"

"Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe Edelheid ken ik."

"En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel gegeven om bij alle fortable [39] middelen onder Gods genadigen zegen voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid wel en grondig moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten, privilegiën en maximen van dezen staat."

Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het woord, en zeide:

"Alzoo hebben de Heeren Staten van _Holland_ mij, op vijftienjarigen leeftijd, gemaakt tot...."

"Tot kind van den Staat," voleindigde De Witt, die wel zag, dat de Prins niet bij machte was het woord te uiten.

"Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de Prins kalm, maar met fonkelende oogen, "Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken."

"Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger," zeide De Witt. "Men moet leeren zich in de omstandigheden te schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de Heeren Staten."

"Betreffende deze zaak?" vraagde de Prins, die hoop voedde, dat misschien bij het verklaren tot "kind van den Staat" een benoeming gevoegd was.

"Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan den invloed van onze vijanden, de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe geheele hofhouding zal worden veranderd."

"Hoe, mijnheer De Witt!" riep de Prins uit, een oogenblik zijne bedaardheid verliezende. "Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden zoo maar aan den dijk te zetten!"

"Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein," ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, "de Heeren Staten zullen u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren."

"Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris," zeide deze driftig. "De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht, dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe."

"En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zult _wel_ vertrekken, mijnheer Van Zuijlestein."

"Maar, mijnheer De Witt!" zeide de Prins smeekend. "De Staten zullen mij toch wel niet van _al_ mijne vrienden willen berooven. Ik smeek het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat."

"Dat is onmogelijk," hernam De Witt.--"De Heer Van Zuijlestein zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde van _Gelderland_."

"Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die drie te behouden," hernam de Prins.

"'t Zal Uwe Hoogheid weinig baten," hervatte De Witt. "Intusschen, Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen."

En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.

"Groote God!" riep hij uit. "_Ik_ kind van den Staat! _Ik_ de ondergeschikte van De Witt!--Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige vriend! Gij van mij weg!--Maar!" hernam hij opstaande en met plechtigen ernst de vuist ballende: "wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar zal misschien nog eens een tijd komen, dat het _Kind van den Staat_ u allen tot _kinderen van den Prince van Oranje_ maakt [40]."

Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen: op hetzelfde oogenblik dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd, op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.

Wij verlaten nu _Den Haag_, en begeven ons een maand later, in de helft der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bij _Texel_ lag. 't Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. 't Was een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas, met hunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen, noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;--ik ga liever met u naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter, waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen te richten; kortom, hoe men alle mogelijke scheepsmanoeuvres maakt, als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.

Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote Heeren en hooge personages aan boord hebben.

"Ziet gij daar," zeide Pieter, "dien mageren, tengeren knaap, die zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel, dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid."

"Waar?" zeide Engel. "O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt te zeggen, wat het een en ander beteekent?"

"Ik ken hem niet," antwoordde Pieter.

"Dan zal het de Heer van Gendt zijn," zeide Engel, "die eerst sedert kort tot 's Prinsen goeverneur is benoemd. In _Amsterdam_ heb ik daar veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen."

"Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren," zeide Klaas Dirkz. "Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de saluutschoten."

En waarlijk praaiden de beide jachten "de Zeven Provinciën," waar de Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.

"Behoedzaam, neefje!" zeide de eerste tot den Prins. "Doe bist hier nicht op das _Pinnenhof_ of op das hof von _Prandweich_, waar de treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe."

"Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap gezorgd," antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op het dek zette. "Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet, Heer Luitenant-admiraal!"

"Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht," zeide de ronde Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.

"Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen," hernam de Prins. "Zij zijn goed geoefend."

"Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid," hernam De Ruyter, die den Prins over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen gereed stonden.

Zij werden gevolgd door den Keurvorst van _Brandenburg_, door de Vorsten van _Holstein_ en _Anhalt_, door den Prins van Nassau, de graven van _Solms_, _Dhona_ en _Hoorne_, de Heeren Van Brederode en Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:

"Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen laten smaken."

"O, volgaarne! Wij nemen het aan!"

Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingen nog aan boord van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip juichte het volk onophoudelijk "leve de Prins van _Oranje_!" en dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: "leve de Prins van _Oranje_!" Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de beide jachten naar _Den Helder_, waar de genoodigden en gemachtigden den nacht doorbrachten.

Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten vleesch voorhanden was.

"Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen," zeide de Keurvorst van _Brandenburg_ tegen De Ruyter.

"Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben," antwoordde deze. "Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want ik word zoo kwalijk."

"En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden," merkte de vorst Van Anhalt aan.

"Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir's nicht vermeugen?" vraagde de Keurvorst.

"Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden," zeide De Ruyter. "Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer."

"Ich denke," zeide de graaf Van Solms, "dat Zijne Edelheid den kop te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft."

"En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter zee gefaren heeft," meende de Vorst Van Holstein. "Gij vergeet, dass _Dordrecht_, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist."

"Uwe Hoogheid vergist zich," zeide De Witt glimlachend. "De stad _Dordrecht_ drijft wel veel handel, maar is volstrekt geen zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op de _Moerdijk_ geweest en het is misschien daaraan toe te schrijven, dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter nog niet vreest!"

"Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!" riepen allen, terwijl zij hunne glazen ledigden.

"Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken," zeide De Ruyter, terwijl hij opstond en een zijner bedienden een wenk gaf. Op hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.

"Was ist das?" riep de vorst Van Anhalt uit. "Die Engelsjen zijn doch nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen zeesjlag bij te wonen."

"Dien zal Uwe Hoogheid zien," antwoordde De Ruyter. "Mijne Heeren! ik noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het klein een zeestrijd aanschouwen."

"Bravo! bravo!" juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.

Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine fregatten of adviesjachten "'t Hert" onder kapitein Pieter van Wijnbergen en "Zwolle" onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met zijn leven spelen.

De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.

"Mijnheer de Luitenant-admiraal," begon hij, "Uwe Edelheid heeft aan uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?"