De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De
Chapter 9
Den tweeden Juni, terwijl de vloot naar _Malaga_ stevende, bevond onze De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een zware bloeddiarrhée, die niet minder dan drie volle weken duurde en hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een treurige toestand voor den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem, dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook Pieter had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij 's nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen Admiraal, die in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme berusting in Gods wil betoonde, ja, die zijne eigene smarten vergat, om toch maar werkzaam te zijn voor de belangen van 's lands vloot en op alle voorvallende zaken orde te stellen.
't Was dan ook een vreugde op "de Spiegel," toen de geliefde Admiraal voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst hem geluk wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest en bad men den Heer in den Hemel om een lang en gelukkig leven voor den geliefden vlootvoogd.
Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen gebeurde; te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de Ruyter terug.
Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem Frederik, die met Albertina Agnes, 's Prinsen tante, gehuwd was. Deze Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt had, dat hij met een klerk [20] van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de Hollandsche partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen bleef de graaf bevelhebber van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige diensten. Jammer, dat een treurig ongeval onverwachts een einde aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24sten October 1664, terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de toebereidselen om zich naar de grenzen van _Westphalen_ te begeven, een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool weigerde, en de Prins, die wilde zien waar het aan haperde, trok er den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfde oogenblik echter ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in de kin, en kwam aan de zijde van den neus vlak onder het oog uit. De ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene bedienden opgeholpen en te bed gebracht. Vreeselijk had de kogel zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat de gewonde noch spreken noch eten kon. Men deed wat mogelijk was: men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag poogde te brengen. Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den zevenden dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten van _Friesland_ schriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar [21], nog minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder.
Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten gevolge gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken stoet huiswaarts. Te _Franeker_ gekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De laatsten werden terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had gebroken, snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerkten zij hunne dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde gelukkig binnen korten tijd.
Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II van _Engeland_, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij in _Holland_, die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen en op den bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II had zich daden veroorloofd, welke op niets anders konden uitloopen dan op een vernieuwden oorlog met _Engeland_. In het voorjaar van 1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, het eiland _Goeree_, nabij kaap _Verd_ gelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóór _George d'Elmina_ weggenomen, _Cabo-Corso_ beschoten en veroverd, en in _Amerika_ onze volkplantingen _Nieuw-Nederland_, _Tabago_ en _Sint-Eustatius_ bemachtigd.
Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover zijn beklag aan het Britsche hof,--doch koning Karel hield zich, alsof hij er niets van wist. Daar intusschen in _Engeland_ groote krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht Cornelis Tromp met een aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort daarop werd een tweede vloot van dertig zware schepen in zee gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd, terwijl men aan De Ruyter bevel zond, in het geheim naar de door de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit bevel geheim te houden, het besluit, dat in de volle vergadering der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering toch zaten leden, die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter wist raad. Toen men de resolutie had genomen om twaalf schepen uit te rusten en naar _Guinea_ te zenden (hetgeen nog al een geruimen tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet vertrouwde, aan een venster te lokken en aan de praat te houden. In dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren, de secrete resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter, en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften van het stuk werden over de post gezonden en verder door drie "loopboden" [22] naar _Cadix_, _Malaga_ en _Alicante_ gebracht, op hoop van den Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in een afzonderlijken omslag, in welken den Vice-admiraal werd bevolen, inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was; terwijl zijnen bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren.
't Was op den eersten September, dat De Ruyter voor _Malaga_ was aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep.
"Stuurman!" zeide hij, "Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan verscheidene menschen, die ons teekenen schijnen te geven."
"Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal," antwoordde Klaas, die terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen.
"Mag ik mee in de boot, vader?" vraagde Engel.
"Volgaarne," antwoordde de Admiraal, "en neem je vriend Pieter ook mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want de boot roeit terstond met de brieven terug."
Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfde oogenblik voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet belette, daar hij niet wist, dat er een geheime resolutie bij was.
Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige kooplieden en schippers.
"Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen," zeide een hunner. "Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens zijn hier belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschen _Engeland_ en de _Geüniëerde provinciën_."
"Wat meer is," voegde er een ander bij, "de Engelsche kooplieden hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de Oostindische koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben."
"Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt," vervolgde de eerste spreker.
"Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?" vraagde de stuurman. "Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij ze hem gauw bezorgen."
Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van den brief gedaan en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit en las de geheime order, waarbij het bevel was gevoegd, dat hij die aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog bezig was, werd hij gestoord door het bericht, dat de Vice-admiraal met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te spreken. De Admiraal deed de depêche terstond weder in den omslag, en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen, wat hij moest antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af.
"Wat is er, Admiraal?" vraagde Meppel. "Wij zijn aan wal geweest en hebben daar onrustbarende tijdingen vernomen."
"Ook mij zijn die verhaald," antwoordde De Ruyter. "Zij luiden zeer oorlogzuchtig."
"Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!" hervatte Meppel. "Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen."
"Voorzeker," antwoordde De Ruyter, "de brief is van Hunne Hoogmogenden."
"En meldt die niets van den oorlog?" hernam de Vice-admiraal.
"Geen enkel woord," antwoordde De Ruyter ontwijkend. "Alleen schijnt het, dat er geschillen tusschen de Republiek en _Engeland_ zijn gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men in _Malaga_ vol schijnt te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis naar _Alicante_, om het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen.
Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden door de witte vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie mede. Behouden kwamen onze schepen voor het kleine eiland _Goeree_ aan.
Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24sten October eenige booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het vasteland bij _Verd_ aan wal gezonden, om versch water te halen. Ook van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas Dirksz en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. 't Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te zien en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van den Admiraal een witten voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu smaakten zij alleen het pleizierige van een tochtje aan land.
"Zie eens," zeide Pieter, "daar komt een oude neger aan. Met dien zullen wij een pretje hebben."
"Dat is goed," antwoordde Engel. "Maar wij zullen zijn negertaal niet verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet."
"Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop," hernam hij tot den neger, die intusschen naderbij gekomen was. "Wat kom je hier uitrichten?"
"Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip," antwoordde de neger vrij vlot.
Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger zoo onverwachts hunne eigene taal hoorden spreken.
"Sakkerloot!" zeide Engel. "Wie heeft jou Hollandsch geleerd, zwarte nikker?"
"Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong, daarin geweest is, en veel geleerd heeft."
Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun:
"Wat moet gij van dien neger?"
"Die man spreekt Hollandsch, Schout-bij-nacht," gaf Engel ten antwoord.
"Mijnheer!" zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der Zaan boog. "Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is."
"Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, dat je daar ziet."
"En hoe zijne naam is?" vervolgde de neger.
"Michiel Adriaanszoon de Ruyter," antwoordde Van der Zaan.
De neger begon te dansen.
"Michiel, Michiel!" riep hij uit. "Michiel de Ruyter!--Ikke nu vijf- of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend heeft. Dat te _Vlissingen_ was. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel maar bootsmansjongen was."
"En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal van de vloot is."
"Uwé den armen neger voor den gek houdt," zeide de zwarte ongeloovig. "Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,--neen, dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven, wat men hem wijs maakt."
"En toch is het waar, Jan Company," hervatte Van der Zaan. "Zie deze knaap is zijn eenige zoon," hervatte hij, op Engel wijzende.
De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde zijn gelaat op.
"Ja," hervatte hij peinzend--"nu ikke het zie. Hij wel op zijn vader lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé me wel aan boord van den heer Michiel willen brengen? O, ikke zooveel van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen zoo dikwijls gespeeld hebben. O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien."
"Wel ga dan maar eens mee," hernam Van der Zaan. "Zijn eigen zoon zal je aan boord brengen."
Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar het schip "de Spiegel".
"Vader," zeide Engel tot den Admiraal, "wij hebben een neger meegebracht, die u verlangt te spreken."
"Een neger?" vraagde De Ruyter. "En wat moet die van mij hebben?"
"Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is," vervolgde Engel.
"Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?"
"Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan."
"En hoe heet hij?"
"Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en gespeeld."
"Jan Company!" riep De Ruyter verwonderd uit. "Onmogelijk! Maar laat hem hier komen."
Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige oogenblikken den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger aandachtig; eindelijk zeide hij:
"En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap in _Vlissingen_ heb leeren kennen?"
De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem in zijn armen en riep uit:
"Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jaren lang gewenscht heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó."
"Mijn goede, goede Jan!" zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk de hand drukte. "Wel ouder geworden, maar niets veranderd. En wat doe je tegenwoordig voor den kost?"
"Ikke onderkoning is in de land," antwoordde Jan Company.
"Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik," zeide De Ruyter lachend. "Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit tegen je te zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt, sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar te zien."
"O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent," hervatte de neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien.
"Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten," hervatte hij trouwhartig, "en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn onze lotgevallen vertellen."
Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal geëindigd had, zeide de neger:
"Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit hadde gedacht!--Weet je nog wel, je me in _Vlissingen_ met sneeuw heeft gedoopt [23]?"
"Of ik dat nog weet?" hernam Michiel de Ruyter. "Dat zou ik meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken waart; waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen."
"En toen je geklimd heeft op dien grooten toren," hernam Jan, terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, "en met steentjes smeet."
"En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!" riep De Ruyter lachende uit. "Maar zeg mij eens, Jan!" vervolgde hij ernstiger. "Je spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er wel eens aan gedacht, dat je ook in de kerk gedoopt zijt?"
"Of ikke denk daaraan, Michiel!" hernam Jan Company. "Ikke nog altijd een Christen ben. Ikke nog "'t Onze Vader" en "'k Geloof in God den Vader" op mijn duimpje ken.--Maar," vervolgde hij min of meer treurig, "mijn kinderen en anderen lachen mij uit als ikke spreek er van; en daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer naar mijn kennis dien."
"Nu, dat is braaf van je, Jan," hervatte De Ruyter. "En zou je niet liever mee naar _Vlissingen_ gaan en daar komen wonen?"
"Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast niet rechtop staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls aan de Zeeuwen en Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht had, jou nog eens levend terug te zien!"
De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, en deed, toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige kanonschoten lossen.
Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting en koopvaardijschepen over.
Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz, Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland van _Verd_, om te visschen. Men gebruikte daartoe den zegen (groot vischnet) en had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De zwarten gingen achter den zegen staan en vingen de visschen in hunne kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen.
"'k Woû, dat we eens naar de negorij gingen," zeide Engel tot Pieter. "Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch graag ook eens de woningen der zwarten zien."
"Ik ook," antwoordde Pieter. "Weet je, wat we moesten doen? We moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we er dien ouden neger wel, die zoo'n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook weer?--Jan.... Jan Kampanje."
"Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt nooit kunnen weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets kwaads met ons in den zin hebben."
"Het zijn geen menscheneters, Engel," hernam Pieter. "Kom, wij moesten het maar wagen."
"Jij bent een waaghals, Pieter," zeide Engel. "Ik doe het niet. Mijn vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads uit voortkwam. Maar ga jij alleen."
"Alleen?--Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen toch wel eens genoeg gevischt hebben."
Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval was. Intusschen--aan alle dingen is een end, placht oom Klaas te zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond uit verscheidene woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag waren, dat men er in moest kruipen. En als men er dan in was, dan kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook waren zij zoo zonderling omheind, dat, als men van het eene naar het andere of naar een derde wilde komen, men als in een doolhof verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de Hollanders er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine, zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden op eens voor een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde.
"Wat zou daar te doen zijn?" zeide Engel, die zich altijd dicht bij Pieter had gehouden.
"Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt," gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, om gauw bij de hand te zijn.
"Dat denk ik niet," hernam Engel, "want dan zou dat kleine, zwarte mirakel wel schreeuwen."
"Ik zie het al," riep Pieter uit. "Het is de woning van Jan Kampanje. Kijk, daar staat hij."
"Inderdaad, hij is het," hernam Engel.
En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was, zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen.
"Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?" zeide de neger.
"De Admiraal niet, maar wel zijn zoon," antwoordde Du Bois. "Waar is Jonker Engel?" hernam hij, rondziende. "Ha, daar is hij. Kom eens hier, Jonker," vervolgde hij tot den knaap. "Uws vaders vriend, Jan Company, wenscht u te zien."
"Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje," hernam de neger. "Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. Maar zij met mij moeten meegaan." En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden naar een palmboom, onder welks schaduw allen rondom in het gras gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden negerbrood, van zeker gestampt zaad gebakken, palmwijn en zoete melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen der negorij, zoo mannen als vrouwen, mede aan en ging het er recht vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne jeugd; ook toonde hij een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist te noemen. Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen, die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander tot de avond begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het strand en verzocht hun nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men hem beloofde. Zeer tevreden over dat uitstapje, kwam men aan boord van "de Spiegel" terug.