De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De
Chapter 7
Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden, en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders, en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich bewegen, niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en met ingehouden adem. Freisheim, die nog een eind voortgereden was, voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon:
"Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald."
"Stil, Freisheim!" antwoordde de Prins stroef. "Het geldt hier twee menschenlevens."
De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweest en bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken later aanrijden.
"Uwe Hoogheid moet niet stilstaan," zeide hij. "Zij is te bezweet--de koude zou haar een ziekte op den hals halen."
"Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein," hervatte de Prins. "Er is hier een ongeluk gebeurd."
Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen arm, terwijl hij met den anderen zwom.
"Help mij!" riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij gekomen, en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend, of hij riep uit:
"Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?"
"Is het je broer, Karel," zeide de Prins; maar deze vergat Zijne Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn broeder toe.
"Het is niets, Karel," antwoordde de knaap met zijne gewone onverschrokkenheid. "Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? Ik ga spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat."
"Pieter Pietersz," zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan, "kom hedenmiddag om zes uur bij mij op het _Binnenhof_."
"Gij hier, Uwe Hoogheid!" riep Pieter en trad verschrikt een paar stappen achteruit. "Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd wilde voorbijstuiven."
"Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb," hernam de Prins. "Van middag om zes uur."
"Ik zal tegenwoordig zijn," antwoordde Pieter en stapte met groote schreden naar den wal.
"Ga met hem mede, Karel," gebood de Prins, "en zeg aan je vader, dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij terstond warme en droge kleeren aantrekt."
Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; hij zat in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker was dan het lichaam.--Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder herkend hebben.
Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel en las den Prins iets voor.
"Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien," zeide deze. "Laat den knaap morgen of overmorgen terugkomen."
"Het zal mij niet vermoeien, Freisheim," gaf de Prins ten antwoord. "Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen."
"Een mooi compliment voor mij," gaf de baron eenigszins scherp ten antwoord, "die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. Ik kan dus wel heengaan."
"Blijf, Freisheim," zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem dat korte woord, voegde hij er bij: "Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch eens leeren uwe drift te betoomen!"
"Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger," antwoordde deze. "Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn drift te heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet."
"_Mij_ imiteeren?" zeide de Prins met een treurigen glimlach. "Doch daar is de knaap. Kom nader, Pieter!"
Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte, de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den Prins, nu hij wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen.
"Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je gered hebt."
"Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij jongens hebben geen vijanden."
"Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost."
Pieter werd rood als vuur. "Uit zijne handen verlost," dat was eene beleediging voor den Hollandschen knaap. Hij vergat, voor wien hij stond, en zeide op driftigen toon:
"Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!" Doch zich bedenkende, voegde hij er kalmer bij: "Men heeft u verkeerd onderricht, Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de overmacht kan de beste het niet uithouden."
Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den Prins op satirieken toon toe:
"Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!"
De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich toen tot Pieter wendende, ging hij voort:
"Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien knaap. Wat is daar de oorzaak van?"
Pieter vertelde het den Prins, en eindigde:
"Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen moest ik mij verdedigen."
"Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?"
"Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon ik niet langer velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan, wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan hij, begon beenen te maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en driftiger werd. Inderdaad, Uwe Hoogheid! als onze lieve Heer het niet had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren kan ik niet velen."
"Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls om mijne drift beknort," fluisterde Freisheim weder.
"Foei, Pieter," zeide de Prins, "het is zeer zondig, om zoo aan zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar hebben kunnen worden."
"Ik weet het, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter beschaamd. "Maar wat deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit weer driftig te worden."
"Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort."
"Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om dien het volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte en in snelle vaart de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem niet zou volgen. Want wie--hoe driftig hij ook is--waagt zich op dit oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending niet verdacht was, schoot ik nog een eind voort, en toen ik mijn zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig ten hemel heffen en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. 't Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld: ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht mij niet lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit--en Uwe Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te redden."
"En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet totdat de geredde was bijgekomen?"
"Omdat," stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet, "omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken."
"En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven was gekomen?" vraagde de Prins.
"Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist ik beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking glimlachen). Daarenboven--ik had hem er uitgehaald en dat was mijn plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen."
"En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?"
"Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, dat hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou, die hij gevat heeft, uit te jagen."
"En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?"
"Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, boven op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;--Jan daarentegen is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan den heeten smeltoven."
"Verhoef?" zeide de Prins. "Die naam komt mij bekend voor."
"Hij heet Hendrik Verhoef en woont op de _Vogelenmarkt_."
"Maar Jan zal je toch wel komen bedanken."
"Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank van hem, vooral niet voor die beuzeling. 't Is de moeite niet waard om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat gedaan hebben."
De jonge Prins glimlachte om deze taal.
"Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter," zeide hij. "Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik wensch je daarvoor te beloonen."
"Beloonen?--Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven," voegde hij er wel ietwat trotsch bij, "ik begeer geen loon."
"Laat mij je dan een gedachtenis geven," zeide de Prins, terwijl hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van dienst te wezen, dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp."
De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide:
"Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid..."
Op dit oogenblik kwam Karel binnen.
"Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil," zeide hij.
"Je kunt thans heengaan, Pieter," hervatte de Prins met ongeduld; hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet zou ontmoeten.
Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in het zwart, heel eenvoudig gekleed.
"Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken," begon hij.
De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins bleef zwijgend in den zijnen zitten.
"Uwe Hoogheid schijnt afgemat," begon de Raadpensionaris terwijl hij zijn doordringend oog op Willem Hendrik van _Oranje_ vestigde.
"Vindt Uwe Edelheid dat?" vraagde de Prins ontwijkend.
"Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel."
"Dunkt Uwe Edelheid dat?" hernam de Prins onderworpen.
"Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders de _Hofvijver_ alleen voor U en Uw gevolg?"
"Maar het ijs op den _Hofvijver_ is nog te zwak."
"Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, van hare reis terugkomt, zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan heeft."
"Dunkt Uwe Edelheid dat?" vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen toon.
"Ik kom U slechts waarschuwen," hernam De Witt. "Men heeft aan Uwe komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. Men heeft gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. Mijne meesters, de Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen."
"Die goede Heeren Staten!" hervatte de Prins schijnbaar onnoozel. "En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, wat voor belang zij er bij kunnen hebben, of ik op den _Hofvijver_ of op het veldijs mij met schaatsenrijden vermaak."
"Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht."
De Prins kleurde even, doch hernam: "Uwe berichtgevers hebben Uwe Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt."
"Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?"
"Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem naar huis brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe Edelheid goed onderricht."
"De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden," hernam De Witt streng. "Geeft dat pas?"
"Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed," antwoordde de Prins nog steeds op ootmoedigen toon. "Uwe Edelheid herinnert mij daardoor aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie noodig hebben, zoo zij hij in de welwillendheid van Uwe Edelheid aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden."
"Hoe is zijn naam?"
"Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in de _Spuistraat_."
"Wij zullen zien," antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl hij echter den naam schreef, mompelde hij: "Dat is een vuile aanhanger van de Oranjepartij."
"En nu," vervolgde hij luide tot den Prins, "raad ik Uwer Hoogheid, in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe Hoogheid herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege niet zouden kunnen verantwoorden."
Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën zou verwekken en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet anders was dan een werktuig, dat hij slechts buiten Engelschen invloed behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen.
Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht niet gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, of diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op; twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde krampachtig de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep, en voor het portret van zijn overgrootvader Willem den Eerste, bleef stilstaan; riep hij uit:
"Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten trappen! O, indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd voor dit goede land.... Gij.... neen, frons uwe wenkbrauwen niet. Ik zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons huis vergeten [17]. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui, je maintiendrai!"
Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij de Raadpensionaris nakijken.
"Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis van hedenmorgen genezen heeft," zeide de binnenkomende page min of meer spottend.
"Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed met ons meenen," antwoordde de Prins bedaard.
"Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?" hernam de page met een ongeloovig schouderophalen.
"Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu zoudt gij mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem van ganscher harte."
"Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen," hervatte de page, die met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het binnentreden van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn lectuur voort.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Een dure slaapkameraad.
Wij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning van den pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij er slechts één jongen. En als wij dien jongen aandachtig beschouwen, schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van droefheid in het huis van Pieter Dirksz, en die reden is de oorzaak, dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus de deur aan de linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op, die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde open en bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen zijn weggeschoven, vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen, den pruikenmaker, zoo zijn die wangen ingevallen, zoo hol staan die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfst had de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude, die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen tijd in huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze voorouders machtig veel hielden, niets baatten, had men den dokter gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de goede Dirksz verzwakte al meer en meer, en eindelijk kon de geneesheer het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en dat de dagen zijns levens geteld waren.
Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk harer zuster met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw verpleegd en opgepast had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie, die men had laten halen, omdat vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was nog helder van geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor hem aan het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne kinderen om zich heen verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en afscheid van hen te nemen.
Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden vader, dat zij zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zij steeds God den Heer voor oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood.
"Ik sterf gerust," ging vader Dirksz voort; "want ik ga naar mijn Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem zal ik Uwe lieve moeder terugvinden,--ik hoop u allen daar eens te zien."
Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, na eene afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter, den 19den uit de _Middellandsche zee_ te _Texel_ was binnengeloopen en zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder te bezoeken. Weinig had de man gedacht, dat hij den geliefde in zulk een toestand zou terugvinden.
"Ach, oom!" riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. "Vader is zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken."
"Wat zeg je, Pieter?" riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem hare plaats inruimde.
"Het is zoo, Klaas," antwoordde de kranke. "Mijne uren zijn geteld, en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien. Ik durfde het niet hopen."
"Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!" riep oom Klaas uit. "Moest ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof ik er een voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.--Maar," ging hij tot Marie voort, "verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen."
Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was, kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats bij te brengen.
"Wel kind!" zeide hij. "Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren, zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen beter gemak, dan eigen dak."
Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had, vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne oogen.
"Beste Pieter," zeide hij. "Je zult het wel ondervonden hebben, wat onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! En dat zal je zeker verkwikt hebben op je ziekbed."
"Dat heeft het mij, Klaas," antwoordde de stervende. "En de Heer heeft mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een daarvan is, dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult toedrukken en na mijn dood de vriend en de raadsman mijner kinderen zult zijn."
"Dat beloof ik je, Pieter," antwoordde oom Klaas. "Je kunt daarop je hoofd gerust nederleggen."
"Ik heb nog een bede aan je, Klaas!" vervolgde de stervende. "Je weet, hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde gaan."
"En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried."
"En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten," hernam de zieke, "en te zien of de jongen bij zijn plan bleef."
"Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven varen?"
"Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven."
"Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus zeeman worden?"
"Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?"
"Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je." En dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn broeder.
De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder aan zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten en, wat de kranke er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden, dien nacht bij zijn broeder bleef waken. Martha wilde zoo gaarne bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd, haar te zullen roepen, als er dadelijk gevaar van sterven was.