De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De
Chapter 6
In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo jeugdigen leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een doorslepen en doorkneed staatsman is van zes en dertig jaren--de andere een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u zeggen, dat het doel van De Witts komst op het huis te _Hondsholredijk_ schijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen Prins uit te hooren over brieven, door hem uit _Engeland_ ontvangen, en wier inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te hebben gezegd, om u belang te doen stellen in het gesprek der beide wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte af te trekken van de Engelsche partij, en moet u tevens mededeelen, dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen.
"Zooals ik uwer Hoogheid zeide," ging De Witt voort; want gij herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, "zooals ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn hooggeleerde is zeer content over uwe progressen."
"Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij zelf te zijn als hij het is."
"Uwe Hoogheid is zeer nederig," hernam de Raadpensionaris glimlachend.
"Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best te doen om aan de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden, in allen deele te beantwoorden."
"Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?" hernam De Witt. "Begint Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?"
"Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men toch niet rekenen."
"In trouwe niet," antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten laste gelegd heeft, dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. "De wiskunst eischt onze geheele ziel, ons gansche verstand. Maar Uwe Hoogheid moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De arithmetica is tot alle dingen noodwendig."
"Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te brengen," hernam de Prins, altijd even stroef en deftig.
"Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg," hernam de Raadpensionaris, en van batterij veranderende, ging hij voort:
"Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te 's-_Gravenhage_ bracht."
"Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen," antwoordde de Prins. "Indien mijn verblijf langer gecontinueerd had, zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven en wachtte mij met den maaltijd."
"Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisite te brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware."
"Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid eischt."
"Zij is in haar recht, als uwe voogdes," gaf De Witt ten antwoord. "Uwe Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. Intusschen moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich toch niet vervelen?"
"Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?" vraagde de Prins schier verwonderd. "Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij."
"Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?"
"Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter Cornelisz. Hooft...."
"Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?" viel De Witt hem in de rede. "Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl."
"En merkwaardige gebeurtenissen," hernam de prins. "Overigens houden wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren van het vroeger geleerde."
"En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand gesteld?" vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, om den Prins in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen, die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter buiten den waard gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen neder te slaan en toch zonder zijne lippen met een logen te bezoedelen (want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de Prins ongekunsteld:
"Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven te lezen.--Ik durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne moeder een Engelsche was."
De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen, dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke zaak was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? Nog in twijfel, wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort:
"En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche taal toch ook wel eigen zijn."
"Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan, maar moeilijk te schrijven is," antwoordde de Prins ontwijkend.
"En is uw koninklijke oom gezond?" hernam De Witt. "Schreef hij u niets ten aanzien van mij?"
"Maar, mijnheer de Raadpensionaris!" hernam de Prins glimlachend. "Uwe Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat mijn oom, de Koning der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven."
Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging van _Koning der drie Brittannische rijken_, met zooveel kracht uitgesproken?--Nog meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de grootste onnoozelheid bijvoegde:
"Mijn nicht Marie [15], de dochter van den hertog van _York_, heeft mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthonden gejongd hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,--ik houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris."
"Zoo," antwoordde De Witt droogjes.
"En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht te _Dieren_."
"Dat weet ik," hervatte De Witt even droog.
"En hier te _Hondsholredijk_ is ook een schoone jacht, mijnheer de Raadpensionaris.--Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf te jagen...."
"En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uit _Engeland_ ontvangen?" hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie stond.
"Voorzeker. Ook nog eene van Marie's zuster, mijn nichtje Anna. Maar zij schrijft nog niet correct.--Doch, om tot de jacht terug te keeren (en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?"
De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. Maar dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht te zullen hooren.
"Maar Uwe Hoogheid!" antwoordde De Witt. "Er zijn immers geen leeuwen in de Geüniëerde Provinciën."
"Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naar _Afrika_," hernam de Prins.
"Ik naar _Afrika_? Uwe Hoogheid railleert."
"Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid," hernam de Prins. "Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om eens een leeuwenjager te spreken. Het moet een fier en koninklijk dier zijn, zoo'n dier in zijn natuurstaat."
"Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de koning der dieren, de vorst van het woud."
"Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een ander af te hangen," hernam de Prins. "Als deze leeuw eens werd losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan de nooit gekerkerde?"
"Ik denk het niet," hervatte De Witt. "Zulke leeuwen worden jong gevangen."
"En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris," vervolgde de Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, "dat een leeuw geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? Zoudt gij het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der bosschen, die de vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt, als ik mij eens in de plaats van zoo'n leeuw stelde en dan aan mijne afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag, mijne traliën verbreken en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen."
Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van een ongekend vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar anders ijskoude onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij de gekerkerde jonge leeuw was en zou hij zich bewust zijn van zijne afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris op, toen diezelfde knaap met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging:
"'t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond, dan zou ik Uwe Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten te doen."
"En welk?" vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door de brieven uit _Engeland_ was ingegeven.
"Om voor mij een tam leeuwtje uit _Afrika_ te laten overkomen en mij verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen."
Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek gevonden, of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, en zocht hij meer in 's Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst van Zuijlestein hem uit die verlegenheid redde.
Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van het park vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken stilstaan, om te zien naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en bezig was, een nieuwe kroonlijst aan het hoofdgebouw te maken.
Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een gil. Een der planken van de bovenste verdieping van den steiger schoot uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet op had gezet. De arme jongen tuimelde en scheen reddeloos verloren; want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk zijn. Gij weet toch, hoe een vrijvallend lichaam bij elke seconde in snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder, de tegenstand, dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maar met eene tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde, greep de knaap een der stijlen, klemde er zich terstond met beide handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven, waar hij doodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats van de uitgeschotene te leggen.
"Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn leven niet gezien," zeide De Witt.
"Daar steekt iets groots in dien knaap," meende Zuijlestein.
De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den kant, waar de steiger stond, en riep den knaap.
"Heb je je niet bezeerd?" was zijn eerste vraag.
De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon:
"Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten gebruiken."
"En was je niet verschrikt?" vraagde de Prins.
"Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht ik dadelijk: "Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt--anders is het met je gedaan." En zoo kan ik niet zeggen, dat ik er erg van ontsteld ben."
"Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe heet je?"
"Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz uit de _Spuistraat_ te _'s-Gravenhage_".
"Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je een broeder van mijn kamerdienaar Karel."
"Van Uwen kamerdienaar...." riep Pieter uit, terwijl hij een lang gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen was. "Dus dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken."
"Het is zoo," antwoordde de Prins vriendelijk. "Maar laat dat je niet verschrikken. Ik ben immers geen wild beest."
"De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter. "Maar--maar...."
"Hoor eens, Pieter," hervatte de Prins. "Zeg mij, kan ik iets voor je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. Ik kan wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste.
"Ach, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter. "Wat ik zoo gaarne wilde, staat toch niet in Uwe macht."
"En wat is dat?" vroeg de Prins.
"Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is; maar vader wil het niet toestaan."
"Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal er je broer Karel over spreken."
"O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst," riep Pieter uit.
"Vaarwel, Pieter," zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen verliet, die 's avonds thuis kwam en zegevierend vertelde met wien hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt.
Jan IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde van zijne wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert u, dat hij op een en ander ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen, en zou men dus veronderstellen, dat hij Pieter Dirksz en al wat er gebeurd was vergat. Maar neen--niet lang nadat Pieters voet hersteld was, kwam hij hem tegen, en begon hem te schelden voor "klikspaan" en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij onschuldig aan het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten te laten voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op den winkel kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had, durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar zeide, dat hij zich had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, besloot hij Pieter des avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met een paar zijner kameraads ten uitvoer bracht en dat hem in het begin van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen drie kunnende uithouden, zou gewis het onderspit gedolven hebben, indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen, die hem uit hunne handen had gered.
"Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!" zeide de voorbijganger; "anders had men je braaf toegetakeld."
"Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp," antwoordde Pieter. "Drie tegen een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen bestand. Laat hen een voor een komen, dan sta ik ze." En dit zeggende, balde hij de vuisten.
"Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?" vraagde de onbekende.
"Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in de _Spuistraat_."
"Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize te _Hondsholredijk_ bijna van den stijger viel."
"Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?"
"Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins getuige van je val en je koenheid."
"Zijne Hoogheid de Prins!" hernam Pieter. "O, ik had het geluk, dien te spreken.
"Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden," verzekerde de Heer Van Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden hebben, dat het niemand anders was dan deze, "en sprak met veel ingenomenheid over je."
"Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie, hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer Van Zuijlestein maakt, "en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken, Haar mijne gebiedenis te maken."
"Met genoegen, Pieter.--Vaarwel!" hervatte Zuijlestein, terwijl hij zijn weg vervolgde.
Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al het water in en om _Den Haag_ met een dikke ijskorst bevloerd was. Nu werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd, dol op het echt Hollandsche ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders het in den zomer geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. Menigeen was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen, verzot op het vermaak, konden niet wachten tot de wateren genoegzaam bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan, alvorens het ijs de behoorlijke dikte had verkregen om hen te dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet het leven bij inschoten. Nu is er van dit laatste in 's-_Gravenhage_, ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken kant van de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land reeds in het late najaar door het hooge water geheel ondergezet: zoodat men zou meenen een uitgestrekt meer voor zich te zien [16]. Wanneer dit water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom zeer druk bezocht. Nu is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs, dan valt men er tot de knieën, op het ergst in een sloot, tot den hals toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men--als de molens gemalen hebben--dikwijls bomijs aantreft of--als het sterk gewaaid heeft--zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken.
Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den Vijver voor het _Binnenhof_ met die kunst vermaakte, had zich met zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn kamerdienaar en eenige lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan te zien, maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs nog niet sterk genoeg rekende, om zich op den _Vijver_ te wagen, die, meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er hier geen de minste zwarigheid. Zoodra dus Zijne Hoogheid met zijn gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en werden hem de keurige, fijne, met zilver en ivoor ingelegde Friesche schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik, Stadhouder over _Friesland_ en sedert 1650 ook over _Groningen_ en _Drente_, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf van _Nassau_ en de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir, was sedert ruim vier jaren gehuwd met 's Prinsen tante Albertina Agnes, zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden.
Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, die door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt, zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had hij aan zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen met zijden strikken boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging van het schaatsenrijden niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij anders ten eenenmale miste, maar ook een blos op zijn ingevallen kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond.
"Freisheim!" zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. "Wij moesten eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?"
"Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De molenslooten zijn dikwijls met wakken."
"Wij kunnen er over het veldijs naar toe," antwoordde de Prins. "Zie maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt."
"Dan is het mij goed," hervatte de page.
"Willem, wees toch voorzichtig!" vermaande Zuijlestein, die juist bij hen kwam.
"Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?" vraagde Karel.
"Doe dat, Karel!" antwoordde de Prins. "Maar wat snel."
"Een goede, trouwe kerel, niet waar?" hervatte hij tot Freisheim, terwijl hij den kamerdienaar naoogde. "Hij zou zijn leven voor mij laten."
"Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir," antwoordde de page. "Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was."
"Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim," antwoordde de Prins. "Het zou mij weinig streelen, als iemand voor mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel is reeds half weg. Een--twee--drie."
En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden.
Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, en spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam, was reeds een groote menigte volks verzameld, die om een wak stond te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug.
"Wat is daar te doen?" vraagde hij aan een der omstanders.
"Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak gekomen en er ingeschoten."
"En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?" vraagde de Prins.
"Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder het ijs voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid."