De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De
Chapter 5
"Als ik maar kon opstaan," sprak hij bij zich zelf, en stelde alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar hij kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het uitschreeuwen van de pijn. "Ik zal mijn schoen uitdoen," vervolgde hij; "mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe, zal het wel beter worden." Hij deed wat hij zeide, en het scheen hem werkelijk verlichting te schenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap, of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer.
"Had ik mij maar niet laten bepraten!" zeide hij, terwijl hij daar mistroostig nederzat. "Was ik maar naar de kerk gegaan, dan was ik nu thuis en zat al haast aan het eten."
Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen Pieter. Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het minst van de zaak. 't Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij den smid zouden zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één, twee uur werd en de klok voor de middagkerk de laatste maal luidde, begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die hem dus in het gevaar lieten; hij begreep niet, dat Frans en Jan, thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf te beloopen; hij wist niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn vader naar _Hondsholredijk_ was gewandeld om eenige reparatiën op te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren; ook kwam het volstrekt niet bij hem op, dat én de een én de ander zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou zijn en hij zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep de tijd, en--al duurde die onzen Pieter eerst heel lang--naarmate het later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een vreemden tuin, in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder Evert, die zooals wij weten bij genoemden smid werkte, dat Gerritsz een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel doodslaan! Of hij kon hem voor een dief en inbreker houden, en hem overleveren in handen van het gerecht. Welk een schande! Als hij eens door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan in _Den Haag_ zijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting helpen of bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn.
Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was.
"Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben," zeide Marie, "en met hen wat aan het omloopen zijn." Maar toen hij tegen etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, de familie at, de tafel werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter bleef thuis, om den uitblijver te ontvangen en beloofde hem reeds in stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar hoe hij wachtte, onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: "Is Pieter al te recht?" ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; want Pieter moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn.
"Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!" zeide de pruikenmaker tot zijn tweeden zoon. "'t Is jammer, dat Evert niet thuis is, anders kon die naar Jan IJzer gaan."
"O, daar zal ik wel heenloopen," zeide Martha.
"Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas heeft er niet mee noodig," zeide Marie.
Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. "De baas is met Frans naar _Hondsholredijk_," had de meid gezegd, "en de vrouw is met de kinderen naar den _Scheveningschen_ weg." Wat echter Pieter aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis was geweest. Martha's nasporingen hadden geen beter gevolg gehad, en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan en den sterken arm van het gerecht in te roepen ter opsporing van den vermiste.
"Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!" zeide de pruikenmaker. "Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! 't is schande!"
"Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!" meende Martha. "Pieter past anders trouw op zijn tijd."
"Dat is wel waar, Martha," antwoordde vader Dirksz. "Maar dan moest hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, Marie! ik ga naar den schout."
"Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!" zeide Marie. "Misschien komt hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er in te roepen?"
De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten weerhouden. Dan moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou hem leeren op een anderen tijd beter op te passen.
Keeren wij tot onzen gevangene terug.
Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had; veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, Ja, hij leed ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel, dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de komst van den smid met zijne familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje verdraaid vinden, en, daar het Zondag was, zou er geen smid zijn, die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis kunnen terugkeeren.
Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken, hoe, indien de smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht, den kouden Meinacht daar alleen door te brengen. Dat denkbeeld greep hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te wenschen, wat hij een paar uur geleden zoo bang had te gemoet gezien.
"Och!" zeide hij in zich zelf, "de smid zou mij wel niet doodslaan en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den zoon van Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn voet verbinden, want ik lijd verschrikkelijk pijn."
Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die hem kon verbergen voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een der kinderen in den tuin kwam, kon hij ze aanroepen en die zouden bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf, dan kon hij zich stil verborgen houden, tot de gelegenheid om zich te ontdekken gunstig was.
Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende was met hare kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van binnen verdraaid was, had zij de deur van buiten gemakkelijk kunnen openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde opendoen, de grendels daarvan vond afgeschoven, had zij de meening geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had grooten schrik onder de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste.
Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. Maar hoe hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien morgen gebeurd was, straf had. Doch hoe kon dan de familie zoo geschrikt zijn van het afschuiven der grendels? 't Was hem onmogelijk, deze twee zaken in behoorlijk verband te brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen, verstomde hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking was nabij.
De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden, eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al zijne geestkracht terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn patroon was uitgenoodigd, om den namiddag in zijn tuin door te brengen.
"Evert!" riep de arme Pieter, "kom mij te hulp."
Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. Spoedig herstelden zij zich.
"Jij hier, Pieter?" riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. "Je hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom je hier? Sta op," vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, "en maak, dat je naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke onrust over je zijn."
"Ik kan niet opstaan, Evert!" antwoordde Pieter. "Ik heb mijn voet verstuikt, misschien wel gebroken."
"Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!" zeide baas Gerritsz hoofdschuddend. "Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in mijn tuin? Als het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt willen stelen. Die is er niet. Wat moest je dan hier uitrichten?"
"Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen," zeide Pieter, en hij gaf een trouw verslag van het gebeurde.
"Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had je kans gehad, dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet gemakkelijk, als ik begin, niet waar, Evert!"
"Om den drommel niet, baas!" bevestigde deze. "Maar wat zullen we met den ondeugenden knaap doen?"
"Ja," hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik aan te jagen. "Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn verlof; dat staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld zijn voor anderen."
"Ach, baas Gerritsz!" smeekte Pieter. "Dat zult gij toch niet doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!"
"Schande!" riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos hield. "Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen."
"Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!" bracht thans vrouw Gerritsz in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. "Gij moest het dus nu maar eens door de vingers zien."
"Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen," hernam baas Gerritsz. "Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal den weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit te stelen?"
"Hij heeft een goede les gehad," gaf de vrouw ten antwoord, "die hij zijn leven lang niet zal vergeten."
"Nooit--zoo oud als ik word," kermde Pieter. "Gij kunt er van verzekerd zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het klimmen over schuttingen."
"Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter," zeide de baas. "Kom, Evert, wij zullen den knaap opnemen en in huis dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop van een zoon hier is. Zoo is de goede man uit de ongerustheid en kan maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel eens naar den voet zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!"
Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van de pijn. Baas Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in huis, waar vrouw Gerritsz naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk was; terwijl Evert naar de _Spuistraat_ ging en zijne familie uit de ongerustheid over het lot van den knaap verloste.
Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dien men haalde, onderzocht den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door te lang uitstellen van geneeskundige hulp, zoodanig verergerd was, dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou moeten zitten. Al het voorgestelde kermisvermaak was nu verijdeld; hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon, den "vuurvreter" zou hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk spreken, dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep, dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk, van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, en van het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit geval had een beslissenden invloed op Pieters heele leven en hem voor altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet mochten zien. Want als hij soms in de verleiding kwam om naar de eene of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris Gerritsz in de gedachten: hij wees den verzoeker terug en ging niet.
Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande hunne nieuwsgierigheid bevredigen.
Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, wien hij de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn zoon van _Hondsholredijk_ thuis gekomen en, toen de pruikenmaker geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer noemde als dengeen, die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de zaak ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokken was, kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet uit. Den volgenden morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield hem scherp over zijn gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas kwam, om zijne toegevendheid voor zijn zoon in te roepen--de baas wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen.
"Die lage, gemeene klikkert!" had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem ongemakkelijk had afgeranseld. "Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het hem betaald zetten."
Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef op de _Vogelenmarkt_.
ZESDE HOOFDSTUK.
Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan doorgronden.
Wanneer gij ooit den weg van het dorp _Wateringen_ naar _Naaldwijk_ hebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het bevallige _Hondsholredijk_ (gewoonlijk _Honselaarsdijk_ genoemd) eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen, en u in de daar staande uitspanning met een glas melk of bier te verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet gaan, dan moet uw oog als van zelf zijn gevallen op een oude poort, die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het denkbeeld kwaamt, of zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en, wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van vroegere jaren in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet gestaan hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken.
En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan de heeren van Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder, die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, reed onder die poort door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het slaggewoel had heengeleid; menige schuchtere jonkvrouw was aan de hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd van vrienden en magen, van pages en schildknapen, van bruidjonkers en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu die boomen hunne toppen ziet verheffen, den band des huwelijks te sluiten.--Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij; de roode leeuw van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van de graven van _Holland_ verbleekte; het geslacht der Naaldwijken stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel te _Hondsholredijk_ aan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den tachtigjarigen oorlog de zijde van _Spanje_ hield; het gevolg daarvan was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel te _Hondsholredijk_. Den 13den Juli 1589 gaven de Staten van _Holland_, nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar het gebouw was oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625 door zijn jongeren broeder Prins Frederik Hendrik werd opgevolgd en deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude huis te _Hondsholredijk_ te herleven. Laatstgenoemde toch liet het vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een vorstelijk paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze poort, die daar zoo eenzaam en verlaten staat.
Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door en bevinden ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke het paleis omringen, den toegang tot het gebouw verleent. Prachtig hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm van torens aan de hoeken van het paleis uitgebouwd, van welke er twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij gaan voort naar den ingang, die zich in het midden van den voorgevel bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan weerskanten van dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op, onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime vierkante plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij hebt van het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de voorpoort door te gaan, links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen de boomrijke lanen en staan van tijd tot tijd stil bij de openingen, hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten opleveren. Op verscheidene van deze plaatsen zijn steenen zitbanken geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van maken--wij mochten er te lang zitten droomen.
Hoor! wat was dat?--Zijn wij hier in _Natura Artis Magistra_ te _Amsterdam_ of in de Diergaarde der _Rottestad_?--Ho, wat, mijne lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want herinnert u, dat onze wandeling in de 17de en niet in de 20ste eeuw plaats heeft. "Maar," zegt gij "Ik hoorde toch duidelijk het brullen van een leeuw!"--Gij hebt goed gehoord; wij zijn hier dicht bij de diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,--zoo, daar zijn wij er.
Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena's, kortom, al wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij hier in prachtige hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten.
Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven en hunne gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven.
De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende den vacantietijd in _Leiden_ bij zijne grootmoeder Amalia van Solms logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zij _Hondsholredijk_ als haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten en een heel stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, dat hij aanheeft, het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren broeder in den somberen grafkelder der koningen van Engeland rust.
De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den burgerstand behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat staat uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat gelaat iets van dat bijzondere, dat men alleen bij groote vernuften aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en met een grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden, dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een lange, blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede, dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok (wij zouden dien jas noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt is en tot even boven de knieën reikt. Om den linkerschouder is een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in de linkerzijde in een strik eindigt, waar ook de degen hangt, dat onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van dezelfde kleur en stoffage als de rok, is even beneden de knieën met strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij houdt een langen wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over den schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want de man, die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld, is niemand anders dan de eerste persoon in het geheele land, de man, die aan de vorsten van _Europa_ zijn wil en zijne wetten voorschrijft, een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris Johan De Witt, van wien ik reeds in mijn vorige werkje [14] gesproken heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten, hadden de Staten-Generaal, toen in Juli 1658 de vijf jaren, tot de bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin weder voor vijf jaren bevestigd. En zeker was De Witt de man, die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn geest wijdde aan het heil van den Staat. Altoos jammer is het van den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij één vast denkbeeld met zich omdroeg, dat vele zijner handelingen bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: "Geene verheffing van het huis van _Oranje_, nooit zal Prins Willem Hendrik de waardigheden zijner voorouderen bekleeden."