De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De

Chapter 3

Chapter 33,831 wordsPublic domain

Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel in het water. "Mannen!" riep hij, "dat gaat u voor! Volgt mij na!" Door dit voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met gansche hoopen hem na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan, en overwonnen hen na een hardnekkigen tegenstand. Eenige dagen later vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche hulpbenden, rukten gezamenlijk op de Zweden aan, overwonnen hen en dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnen _Nijborg_ te vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts, bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde tot voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde in _Kopenhagen_, in welke stad wij den 15den December aankwamen. 't Was fel koud en het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot door het ijs heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers bij den koning van _Denemarken_ ter maaltijd genoodigd, waar zij prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later kwam de Deensche admiraal Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter, uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde."

"Die had ik wel eens willen zien," riep Pieter uit. "Hoe was die keten, oom?"

"'t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten; koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning van goud aan vastgehecht, op welks eene zijde 's Konings borstbeeld stond, omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde zag men een oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.--Grooter eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, een maand geleden uit _Denemarken_ vertrokken. De koning toch verhief hem en zijne nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van tweeduizend gulden bij."

"Dat was heel mooi van dien koning van _Denemarken_," zeide Pieter. "En hoe kwam het, dat de vloot niet langer in _Denemarken_ behoefde te blijven?"

"Wel, de koning van _Zweden_ was in Februari van dit jaar plotseling overleden, en daardoor was de vrede tusschen de Noordsche mogendheden den 16den Juli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste Zweed _Denemarken_ verlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand onder zeil en kwamen den derden September 't _Vlie_ binnen, waar de verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naar _Amsterdam_. Op de _Zuiderzee_ was De Ruyter bijna verongelukt. Een schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw vastgehouden, hij ware reddeloos verloren geweest."

"Hoe gaat het, vader!--Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag Marie, dag Martha, dag Pieter!" klonk het eensklaps. Allen keken op, en zagen Karel voor zich staan.

"Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?" was de vraag van den verbaasden Dirk Pietersz.

"Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid van _Leiden_ gekomen, daar hij afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal, eer zij naar _Engeland_ gaat."

"En die van morgen vroeg reeds vertrokken is," zeide Marie, "Je bent dus te laat gekomen, Karel."

"Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om de reis te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed."

"Nog altijd die hoofdpijn," zeide Marie. "De Prins schijnt een martelaar van die kwaal te zijn."

"Dat is hij," antwoordde Karel. "Eerst heden na den middag bevond zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar 's-_Gravenhage_ te aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, op het paleis op het _Binnenhof_."

"En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich te _Turnhout_ bevond en van daar naar _Kleef_ was gereisd, omdat zij Hare Koninklijke Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide," merkte Marie aan.

"Je bent zeer goed onderricht, Marie," hervatte Karel. "De Prinses-weduwe reisde naar _Kleef_ en zond van daar een edelman naar de Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te verklaren, dat zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd te zijn en is haar te gemoet gereisd naar _Den Briel_. Doch Prinses Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naar _Hellevoetsluis_ vertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar 's-_Gravenhage_ is doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit oogenblik bij haar."

Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien Woensdag vertrokken. Te _Delftshaven_ gekomen, wachtte haar daar een ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij zich in een jacht, dat haar naar _Brielle_ overvoerde, alwaar zij op kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield zij zich niet langer op dan noodig was, maar vertrok terstond na het diner naar _Hellevoetsluis_, gelijk wij uit Karels vertelling gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere familie-aangelegenheden laten bespreken en begeven ons liever eens naar het _Binnenhof_ te 's-_Gravenhage_, om er den Prins bij zijne grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk.

DERDE HOOFDSTUK.

Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde.

Wij begeven ons in een der vertrekken op het _Binnenhof_ aan de rechterzijde der _Stadhouderspoort_, door de Prinsen van _Oranje_ bewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een ruim uitzicht over het _Buitenhof_, terwijl aan de tegenovergestelde zijde de vensters op het _Binnenhof_ uitkomen. Zware roodzijden damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters en beletten voor een groot gedeelte het licht, binnen de kamer te dringen. Het goudlederen behangsel, op 't welk in de rondte de levensgroote portretten der doorluchtige prinsen van _Oranje_ hangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen af, boven welken zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een prachtige venetiaansche spiegel met vergulde lijst de kamer als 't ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met roodfluweel overtrokken divan, voor welken smyrnasche karpetten liggen, terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, het kristal en het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners.

Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed, door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het wapen der Prinsen van _Oranje_ is gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals, het nog schoone gelaat in diepe gedachten naar den kant van het _binnenhof_ gewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm, die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is de trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins Frederik Hendrik van _Oranje_, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik.

Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen en trekt er een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij gestoord door het getrappel van eenige paarden, die het _binnenhof_ oprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk als hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne afkomst van het edele Oranjegeslacht niet verloochent.

"Te laat--ook al te laat!" mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar achter het rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt.

"Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet nemen."

De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het gebod zijner gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten knaap van gisteren niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De frissche wind, die door zijne blonde lokken gespeeld had, had aan zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke zijne longen zoo ruimschoot hadden ingeademd, hadden aan die heldere oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw fluweelen wambuis omsloot de tengere leden; de hozen van dezelfde kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt, terwijl een bandelier van oranjezijde hem dwars over de borst hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen, evenals tegenwoordig, fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere menschen hen aanspraken.

"Gij komt van _Leiden_, Willem?" begon de Prinses-weduwe half op vragenden, half op stelligen toon.

"Om u te dienen, grootmoeder," antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in de hand hield.

"Gij komt te laat, mijn jongen!" hernam de Prinses. "Hare Koninklijke Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig voort te trekken. Haar verlangen naar _Engeland_ schijnt te domineeren over hare liefde tot u."

Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets scherps antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog slechts een oogenblik,--het volgende stond het rustig, en bedaard antwoordde hij:

"Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig genoeg bericht."

"En waarom zijt gij dan niet gekomen?"

"Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter afwachten, die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter...."

"Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog in _Den Briel_ te zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar zij was reeds naar _Hellevoetsluis_ vertrokken. Mij luste het niet, Haar na te reizen."

"Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten," antwoordde de Prins. "Maar op welke wijs zal mijne moeder naar _Engeland_ vertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen."

"Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II gezonden en te _Goedereede_ gearriveerd. Wij hadden die vloot nog niet zoo spoedig verwacht."

"Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn," hervatte de Prins.

"De hertog van _Glocester_ ligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken," hernam de Prinses, "en dientengevolge is de hertog van _York_ ook in _Engeland_ gebleven. Ik verneem, dat de Heeren _Montaigne_, _Oreal_ en _Berklay_ op de vloot zijn."

"'t Zal moeder wel leed doen," hervatte de Prins. "Zij houdt innig veel van mijn oom Glocester."

"'t Is een Engelschman!" prevelde Amalia. "Ik heb order gegeven, dat gij twee uren rust moet houden," hernam zij luider tot haren kleinzoon. "Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren."

"Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen," antwoordde de Prins, die zich hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, "ofschoon mij het paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar een recreatie. Hoe vaart Mijnheer De Witt?" vraagde hij eensklaps, om niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was.

"De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek honoreeren, als hij verneemt, dat gij hier zijt."

De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken mede te deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg vergezeld, over _Delft_ naar _Maassluis_, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht, om den volgenden dag vroegtijdig naar _Den Briel_ over te varen en zich van daar terstond naar _Hellevoetsluis_ te begeven.

De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was, zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch en koud en voorspelde een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in de kleeren.

"Reeds zoo vroeg op, Willem!" zeide Zuijlestein, toen hij de kamer van den Prins binnentrad.

"Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein," gaf de Prins ten antwoord. "Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij ons in 's-_Gravenhage_ ten hoogste een kwartier opgehouden."

"De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!" antwoordde de goeverneur.

"Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zal _haar_ schuld zijn, als ik mijne moeder niet meer te _Hellevoetsluis_ vind."

"De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem," antwoordde Zuijlestein.

"Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief zijn, als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is en blijft toch mijne moeder."

"Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem," hervatte Zuijlestein. "Eerst echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht op de _Maas_ zou u kwaad doen."

"Mochten wij, te _Hellevoetsluis_ komende, bevinden, dat de vloot reeds vertrokken is, dan steken wij in zee," hernam de Prins.

"Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn."

Nadat de overtocht naar _Brielle_ volbracht was, reed de Prins met zijn gevolg naar _Hellevoetsluis_, waar men vernam, dat de vloot reeds sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder tijd te verzuimen, begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water sneed dan de logge Engelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds de laatste op zijde.

Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag van _Engeland_ in top, in welker rood kruis met groote letters C. R. (Carolus Rex.--koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige statietrap af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, Prinses Maria van _Engeland_, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren, prachtig uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins (laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken.

Te midden van al die pracht zat de Prinses van _Oranje_ en naast haar de gravin van _Chesterfield_, hare trouwe vriendin, terwijl hare kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij was een schoone vrouw, die Maria van _Engeland_. Haar goed gevormd gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien gebogen neus en die donkere oogen, dien welgevormden ofschoon niet zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen japon, aan den hals laag uitgesneden, deed een snoer paarlen zien, welker waarde ik niet durf berekenen.

"Wees welkom, Willem!" zeide zij, terwijl zij hem een kus op het voorhoofd gaf. "Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?"

"Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder," antwoordde Willem. "Gisteren heb ik 't niet verder kunnen brengen dan tot _Maassluis_, en toen ik te _Hellevoet_ kwam, vond ik u vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedenis te doen; ook zij hoopte u gisteren te _Brielle_ te rencontreeren. U niet vindende, is zij geretourneerd naar 's-_Gravenhage_, waar ik haar gesproken heb."

Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin.

"En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uit _Maassluis_ vertrokken."

"Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te stappen en terstond op reis gingen."

"Een bode voor mij met een brief?" hernam de Prinses.

Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. Toen de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, of zij riep in 't Engelsch uit:

"Mijn broeder, de hertog van _Glocester_, is overleden, mijne heeren!"

De hertog van _Glocester_ was de meest geliefde broeder der Prinses. En nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!--Het zou nu een treurige reis zijn naar _Londen_.

Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed, om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht hij, dat de kus, dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij van haar ontving.... Willem Hendrik van _Oranje_ nam voor altijd afscheid van zijn moeder.

De Prins keerde naar _Den Haag_ terug en vertrok weder naar _Leiden_,--de Prinses kwam den 2den October gezond en frisch te _Londen_ aan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II en den hertog van _York_ (later Jacobus II) ontvangen en met het losbranden van het geschut begroet werd.

Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, waaraan haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak het haar niet,--maar wat vermogen die, wanneer de dood in het spel is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had: roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond werd er bericht aan den Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend Zijne Hoogheid naar tijding was. Het ging echter toen zoo gemakkelijk niet, om brieven uit _Engeland_ te krijgen; vooral in den winter, wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de maand Januari 1661, kwam de tijding, dat de Prinses den 3den van die maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste oogenblik was zij volkomen bij haar verstand gebleven. Een half uur vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar blijkbaar verlichting schonk en in een sluimering deed vallen. Kort vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren koninklijken broeder bad, te zorgen voor den persoon en de belangen van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden begraven bij haren "lieven broeder", den hertog van _Glocester_. Aan de gravin van _Chesterfield_ en hare kamervrouw Howard had zij elk £ 400 (f 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt in _White-hall_, en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William Dyke. Door middel van onzen gezant in _Engeland_; kregen Prins Willem en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament.

Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld, zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem vijandige partij (de Loevesteinsche factie).--Geen wonder, dat hij in de kunst van veinzen, hem reeds zoo eigen, groote vorderingen maakte. Dit sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed van _Engeland_ te onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde, maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen.

Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde van ons vorig hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat verblijf was voor onzen Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom wandelde, hetzij naar _Scheveningen_ of in het _Bosch_, of over de duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van het leven der matrozen, kortom van al wat op de zeevaart betrekking had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te worden en, den dag vóór ooms vertrek, dezen dit besluit mededeelde.

"Maar, beste Pieter," zeide oom Klaas. "Men kan geen paard al loopende beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te jong om het zeegat te kiezen."

"Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog maar tien."

"Dat was een geheel ander geval, Pieter," antwoordde de oom. "Het was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter voer ter koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats zegt: De zee maakt dwee."

"Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?"

"Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral voor jou, die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding van; ik weet best, waar hem de schoen wringt."

"Ik zal het mijn vader vragen," hernam Pieter. "En gij zult toch wel mijn advokaat willen zijn, oom?"

"Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed spreekt? Als je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog doorvaren--welnu, dan is het een geheel andere zaak. Licht zou het anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken."

Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen.

"Vader," zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, "ik wenschte u gaarne iets te vragen."

"Welzoo, Pieter," antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in de vriendelijke oogen keek, "wat was er dan van je verlangen?"

"Oom gaat morgen weg, vader!"

"Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef, niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem gevraagd; maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden."

"Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde."

"En wat dan?" vraagde de vader.

"Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen...."

"Is het dan iets kwaads?" zeide de vader ernstig. "Hou het dan maar liever voor je."

"O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het zult toestaan."

"Er uit mede, Pieter!" hernam baas Dirksz ongeduldig.

"Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!"

"Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?--Daar kan niets van komen."

"Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman."

"Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willen worden, kan ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik verkies niet, dat je zeeman wordt."

"Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?" vraagde Marie.

"O, daar heb jij geen verstand van, Marie," zeide Pieter. "Het is zoo'n heerlijk leven, zeeman!"

"Ja, zoo schijnt het," hernam baas Dirksz. "Je hebt mij echter verstaan en zet dat maar voor goed uit je hoofd."

"Maar, vader...."

"Maar, Pieter!" zeide de vader. "Hoor! Na Nieuwjaar ga je als krullenjongen naar baas Balkenende op de _Bierkade_ [9]. Ik heb hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt, met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. Hoe is het mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!" hervatte baas Dirkz, hoofdschuddende. "Mijn Pieter een zeeman! Dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!"