De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De
Chapter 2
"Ik heb er reeds van moeten innemen," antwoordt de Prins op somberen toon. "Ha, Widerts, reeds gereed!" herneemt hij op minder treuriger wijs tot zijn schrijver en Raad. "Laat hooren, wat gij geschreven hebt."
Widerts voldoet aan 's Prinsen verlangen en leest den in 't Fransch geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en onze Vorsten van _Oranje_ schreven er altijd in). De Prins zet zijne handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien.
Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar 's-_Gravenhage_ te vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken, welke hem was opgelegd. Onophoudelijk woelde hij zich om en om, hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.
Deze laatste had 's Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem in de kamer. 't Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd.
"Dek mij wat beter toe, Karel," zeide hij, "en verhaal mij eens van dat Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren."
"Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en zoo weinig mogelijk te spreken," hernam de kamerdienaar, terwijl hij de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe compres op 't hoofd legde.
"Dat beloof ik u, Karel," antwoordde de Prins, en de kamerdienaar begon:
"Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud was, naar _Breda_ was gereisd, om U als baron dier stad te doen huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en, aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier uit het _Gortstraatje_) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe Hoogheid bij Hare terugkomst in 's _Gravenhage_ deftig in te halen. Dag op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier, met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar het _Zieken_, waar Uwe Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde toerusting op het _Binnenhof_ te verschijnen.--In groote statie trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen, het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde."
"Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?" vraagde de Prins. "Waar had hij dat geleerd?"
"Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan Claeszoon [5], die, toen deze garde in "garde van de Staten van _Holland_" werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde vroeger in de _Bagijnenstraat_ en was naar _Amsterdam_ vertrokken."
"En wat gebeurde er verder?"
"Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van 't paleis. Toen was 't eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen schreeuwden onze kelen heesch met "Leve de Prins!"--Maar daar kwamen op eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten van _Holland_, die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden, om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar 't huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen [6] van _Amsterdam_ en _Rotterdam_ deed men hetzelfde. Men schold de afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris, aanviel en hem dreigde, "dat men hem wel zou leeren, om den Prins tegen te spreken." Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.--Wij jongens hadden dat geenszins bedoeld."
Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft.
Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens naar 's-Gravenhage begeven, waar wij in de _Spuistraat_ den pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken, uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op 't hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame, en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij aan menigeen brood verschafte, en ook onze Pieter Dirksz, die vroeger een gering haarsnijdertje in de _Zuilingstraat_ was geweest, had het aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans den titel van _kapper_ mocht dragen. En dat alles was het werk van zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst gekomen, het door zijne oppassendheid tot 's Prinsen kamerdienaar had gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald.
Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener reusachtige allongepruik,--want niet alleen het vervaardigen van die hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open, waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten, luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren, naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt, is niet t'huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan 't werk; terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder Pieter, de jongste van Dirksz' zestal, een aardige geestige jongen en vaders naamgenoot en lieveling, naar ooms vertellingen zitten te luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap, terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van den Admiraal Jacob van Wassenaar, naar _Denemarken_ vertrokken, om den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.
Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning van _Zweden_ Karel Gustaaf, door het belegeren van de stad _Dantzig_, die wij als de korenschuur van _Nederland_ aanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van acht-en-veertig schepen naar de _Oostzee_ te zenden. Het doel van dezen tocht was bereikt en de vaart op de _Oostzee_ bleef vrij. Toen echter in 't volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf liep, begreep Frederik III, koning van _Denemarken_, dat thans het rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden, veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari van 't jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest ruiterij, over de toegevroren zee naar _Funen_, alwaar hij _Odenzee_ en _Nyborg_ vermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. "Hoe!" zeide de koning. "Kan die bode over den _Grooten Belt_, dan kunnen wij er ook over." Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren zee trekken om den vijand in zijn land te bestoken. 't Was zoo vinnig koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken.
Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning op _Langeland_ aan en ging van daar op _Laland_ en _Falster_, welke eilanden hij bezette. Vervolgens trok hij op _Seeland_ af, nam _Warburg_ in en stond op het punt om op _Kopenhagen_ af te trekken, toen Meadow zelf hem kwam opzoeken en er te _Rotschild_ tusschen de beide koningen een verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat "zij nooit zouden toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door de _Sont_ of _Belt_ in de _Oostzee_ zou komen." Dit verbond was echter niet lang van duur; nog in 't zelfde jaar viel Karel Gustaaf in _Seeland_ en sloeg het beleg voor _Kopenhagen_. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in 't Noorden, besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naar _Kopenhagen_ te zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als kapitein op het schip van Tromp [7] ontmoet hebben, was kapitein van het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon onder Wassenaar het bevel voerden.
Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang en kin, de groote, breede handen, die wel aan een mulat schijnen te behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft, van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben: vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.
"Goê morgen!" begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten binnentreedt. "Hoe maak je 't, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar 't is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst."
"Wij zijn allen gezond, Klaas," antwoordt Pieter. "En 't schijnt, dat jij ook niet onder dokters handen bent."
"Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is 't: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij eens, hoe 't je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een groote mijnheer geworden. 'k Wist niet of ik wel zou bijdraaien, toen ik daar voor zoo'n mooien winkel stond."
Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren is voorgevallen.
"Nu," hervat deze. "Onder 't zeil is 't goed roeien. Wanneer je zulke bescherming hebt, is 't geen wonder ook. Als je door zulk groot volk gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is."
"Dat is goed, Klaas," herneemt Pieter Dirksz. "Maar zou je eerst niet wat gebruiken?"
"Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor; want zoo'n kleintje is maar mondtergen."
"En nu," hervat oom Klaas, nu hij van 't noodige voorzien is en zijn kort eindje pijp heeft aangestoken, "nu het zeil in top, en er op ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With, zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. 't Was een dekselsch mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3den November kwamen wij in de nabijheid der _Sont_. Toen ging 't er op los. Wij moesten door twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij het kasteel _Helsingborg_, aan onze rechter het slot _Kronenburg_, door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche vloot onder Graaf Karel August Wrangel."
"Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de zeewezen bekend te maken?"
"Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen honden. Intusschen--onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht: goede moed is het halve teergeld! Met zijn "Brederode", het schip, waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten."
"Hé, oom!" roept Pieter uit. "En werdt u niet bang?"
"Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon, dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal je er wel goed door komen. En zoo stuur ik recht door de voorhoede heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.--"Bijdraaien!" roept De With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, "pang, pang, pang!" daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het te _Keulen_ had hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen; want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal, die begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten, vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag, waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onder _Kronenburg_ te loopen."
"Nu, dat was ferm, oom!" roept Pieter verheugd uit. "Dat had hij net verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons te gebruiken."
"Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te wenden, voort gaat het, en "pang, pang, pang!" sturen wij het schip van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie."
"Dat is valsch," valt Pieter zijn oom in de rede. "Een tegen een is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is geen partuur."
"Maar, Piet," herneemt oom Klaas, "in den oorlog vraagt men niet naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij, en gaf ons de volle laag."
"Dat was laf!" roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen schieten. "Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen."
"Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter," herneemt de oom. "En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar, wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen den dapperen vice-admiraal. "Jongens! houdt moed!" riep hij. En de jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen "Brederode" en springen er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput, kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen, terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En ziet, zijn wensch wordt vervuld: "de Brederode" valt geen vijand in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen, het schip zinkt als een baksteen."
"Dat was ferm!" vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. "Nu had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen."
"Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen vice-admiraal te _Elseneur_ aan wal werd gebracht, stond de edele vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen."
"Dat vind ik nu heel mooi," hernam Pieter. "Maar wat had de admiraal Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?"
"Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten, de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijd tegen de vijandelijke schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór de kampanje."
"Was hij dan zoo moe?"
"Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden van hem af en zeilde hij naar de vloot bij _Kronenburg_ terug. De Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in handen waren gevallen; wij slechts "de Brederode" en drie verbruikte branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden [8].
"Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met "de Brederode" gezonken?"
"Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn kameraads gevangen genomen en te _Elseneur_ in den kerker gezet. Daar zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker, vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn "kortjan" weten te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los, die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren staven doorvijlden. Dat kon echter alleen 's nachts gebeuren. 's Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken steenen. 't Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht lichtten wij de ankers, namen de reeds losgemaakte tralies uit, kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar 't eerste schip het beste. 't Was "Het huis te Zwieten", op hetwelk de dappere vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20sten Mei met een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar 't Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op "Het huis te Zwieten" en bleef verder op dien bodem."
"Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw waart," hervatte Pieter Dirksz.
"Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van Wassenaar. 't Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu, volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die koers zette naar het eiland _Funen_, dat nog altijd in de macht der Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester Hendrik van Fleury, heer van Buat, te _Kartemunde_ ontscheept. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan de andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen, in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren."
"Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?" vraagde Pieter.
"Wel neen.--In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: "Valt aan, mannen! Valt aan, of gij zult allen samen vermoord worden."