De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De
Chapter 16
Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij door den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor tot geeseling op het schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort voor Pieters komst op de werf. Daarna uit de stad en hare jurisdictie verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl hij echter in zijn hart zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den dag van den twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in het geheim te _Vlissingen_ gekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen, den singel moest loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok, vernam hij de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den moord kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad en had zich naar _Zierikzee_ begeven, alwaar hij dien bewusten avond in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan niet, dat hij met een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw over zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer, vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich gehaast de akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naar _Vlissingen_ laten brengen.
Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij:
"Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen."
"Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen te doen, zal het van mij niet afhangen."
"Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid," hernam de Prins. "Leen mij voor een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel van vrijstelling voor den gevangene."
"Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen," antwoordde de Schout. "Ik zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken."
"Ga uw gang," hernam de Prins. "Ik zal er op wachten."
"Welnu, Uwe Hoogheid," zeide de Pensionaris. "Had ik ongelijk, toen ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld des beklaagden moesten zijn?"
"Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de moeite hebben gevergd, die ik van U heb gevraagd?"
"Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn streven zijn," hernam de Pensionaris.
"Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij, nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, mij naar den President der Admiraliteit te vergezellen."
"Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid," was het antwoord van den Pensionaris.
Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet binnen en overhandigde het den Prins.
"Ik dank U, mijnheer de Schout," antwoordde deze, terwijl hij opstond om heen te gaan. "Ik kan er nu zeker van zijn, dat de gevangene niet los komt, vóór ik hem ga halen."
"Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn," gaf de Schout ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, die hem wachtte.
Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond.
"Nog een verzoek, mijnheer de Schout," zeide hij. "Wees zoo goed, te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem in den kerker bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een diep geheim blijve."
Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen trouwens gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele ameublement, terwijl een aarden kruik met water op den grond staat en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling weinig appetijt heeft. Treurig en in zich zelf verzonken zit hij daar op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout hem met de pijnbank gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig, nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen en gekneld, tot hij bekende--niet altijd wat hij gedaan had, maar ook dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, of zouden de pijnen hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al onschuldig was?--En als hij bekende--dan werd zijn doodvonnis geveld, dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te sterven--zoo jong, zoo levenslustig!--En dan zóó te sterven--op een schavot, onder beulshanden!--Vreeselijk!--Maar Martha had hem beloofd, naar den Prins te gaan, die in _Middelburg_ was. Zou die gang wat uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?--Zou die bij machte zijn, het recht te keeren?--Daartoe immers ontbrak Haar de macht.
Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzen armen Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en bad--bad lang en vurig tot God om uitredding, smeekte Hem om hem kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht te brengen. Bemoedigd stond hij op; want er is niets dat den mensch meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds van zijn vader geleerd, dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf ingeprent,--dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij wandelde eenige malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha stond voor hem.
"Daar doe je goed aan, Martha!" zeide Pieter, "dat je mij komt vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? Geloofde hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?"
"Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben," antwoordde Martha, "maar toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij mij den toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen, om bij je te komen. Wat wil je van mij?"
"Ik?"--hernam Pieter. "Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?"
Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd had zeide Pieter:
"Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?--Maar" ... vervolgde hij treurig, "zou hij zijn woord houden? Ach, Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch lijdt."
"Zijne Hoogheid _zal_ woord houden," hervatte Martha. "Reeds het verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan, heeft je voor heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus."
"Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij er niets aan zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben."
"Dat is waar--doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?"
"Misschien wel.--Is hij dan reeds hier?"
"O, ja--reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit bezocht. Hij ..."
Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, den Schout en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen.
"Pieter Pietersz," begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. "Pieter Pietersz, ik breng je goede tijding!"
"Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn, dat ik geen moordenaar ben?"
"Dat zou je weinig baten, mijn vriend," hernam de Prins. "Dan zou men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheel _Vlissingen_ zou je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz."
Pieter liet het hoofd zakken.
"Ik breng je betere tijding," hervatte de Prins. "Je onschuld is aan het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt."
"Gode zij dank!" riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. Martha ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den Prins toe, greep diens hand en overdekte die met zijne kussen.
"En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!" riep hij uit. "En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet gevangen zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent."
"Je bent vrij, Pieter!" hernam de Prins, "en weer hersteld in je eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen--je hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat eene kleine vergoeding je wel toekwam.--Pieter Pietersz," ging de Prins voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan een zegel in was hing. "De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je als eerlijk en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond verstaat.--Pieter Pietersz, hier overhandig ik je je aanstelling als scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz, op de werf der Admiraliteit van _Zeeland_."
Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan de voeten van den Prins en omklemde die.
"Mijn weldoener!" stamelde Pieter.
"Engel in menschengedaante!" riep Martha.
"Stil, stil," zeide de Prins. "Je zoudt mij haast spijt doen krijgen, dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet men knielen, voor wien wij allen gelijk zijn."
"Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij gedaan heeft!" riep Pieter, opstaande uit.
"Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je als knaap eens het leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en je leven geworden."
"Jan IJzer?" riep Pieter uit.
"Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij het bekend. Maar nu--ga met mij. Ik zelf zal je op de werf brengen, waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je in je eer zal herstellen. Ook jij moet mede, edel meisje!" vervolgde hij tegen Martha. "Je bent getuige geweest van zijn vernedering en schande,--je zult het nu zijn van zijne verhooging en zijne eer."
Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen, die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden weten, wat Zijne Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd zij ook stonden, toen de Prins den van moord verdachten Pieter en diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid: "Vivat! lang leve de Prins van Oranje!" uit aller mond. De karos van den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten, die Zijne Hoogheid vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf, waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was geweest ter eere van den Prins.
Hier hield een der Heeren der Admiraliteit een toespraak tot het werkvolk, waarin hij hun mededeelde, hoe de ware schuldige ontdekt en hoe nu de brave Pieter Pietersz in zijn eer hersteld was. Tevens installeerde hij den jongeling als baas van de werf, en beval aan het werkvolk hem als zoodanig te gehoorzamen. Hij liet daarbij duidelijk doorstralen, dat het de Prins was, die tot dat alles krachtdadig had medegewerkt en dat de benoeming van den voormaligen meesterknecht grootendeels aan Zijne Hoogheid was te danken. Gij kunt u voorstellen, welk een gejuich deze woorden bij het werkvolk veroorzaakten. 't Was of er geen eind aan zou komen. Verscheidene werklieden drongen op Pieter toe, om hem de hand te drukken en hem geluk te wenschen met den keer, dien zijn lot had genomen: want bij allen op de werf was de gewezen meesterknecht geacht en bemind.
Om de kroon op zijn weldaad te zetten, stelde de Prins Pieter een som gelds ter hand, waarvoor hij het werkvolk van de werf kon trakteeren. Denzelfden dag vertrok hij naar _Goes_. Dien avond vierde men op de werf feest. Maar wie er vergeten werd--niet Prins Willem Hendrik van _Oranje_, op wien menige dronk werd uitgebracht; terwijl allen het daarin eens waren, dat Zijne Hoogheid een waardige afstammeling was van het doorluchtig stamhuis, waaruit hij was gesproten.
Wij zagen reeds, hoe men hier in _Holland_ over het uitstapje van den Prins oordeelde;--wat de Raadpensionaris er van zeide, meldt ons de historie niet. Intusschen liet de stad _Amsterdam_ in het volgende jaar eenige geneigdheid blijken, om den Prins zitting te geven in den Raad van State; zelfs ondersteunde burgemeester Koenraad van Beuningen deze bevordering met alle macht; want in de hoofdstad had zich een partij gevormd, die begon te begrijpen, dat de steden _Leiden_, _Dordrecht_ en _Rotterdam_, door De Witt gesteund, zich te veel in 's Lands vergadering aanmatigden. _Amsterdam_ toch, dat de helft in de belastingen betaalde, kon en wilde dat overwicht niet langer dulden. Toch duurde het nog twee jaren, eer de Prins zitting nam in den Raad van State. De Staten van _Holland_ echter schonken hem nog in 1669 de vrije jacht in den omtrek van het huis te _Hondsholredijk_.
En nu, mijne lezeressen en lezers, hoop ik dat gij uit mijn boekje zult hebben geleerd twee personen achting toe te dragen om hunne buitengewone hoedanigheden, twee personen, die ten allen tijde de achting zullen verdienen van allen die wèl denken:
Prins Willem III en den Raadpensionaris Johan de Witt.
AANTEEKENINGEN
[1] Dat op het ijs en dat op de werf.
[2] Zie Adolf en Clara, dertiende Hoofdstuk.
[3] Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne plannen. "Kunt gij zwijgen, mijn vriend?" vraagde de Prins.--"Als het graf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de andere.--"Ik ook," hernam de Prins en vertelde hem niets.
[4] Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector Magnificus.
[5] Zie "Zeeman tegen wil en dank."
[6] Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden logeerden. Beiden stonden op het _Plein_ te 's-_Gravenhage_. Het eerste is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van 's Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog.
[7] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk, blz. 177.
[8] Voor De With werd later door de Staten te _Rotterdam_ en voor Floriszoon te _Hoorn_ een praalgraf opgericht.
[9] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Blz. 22.
[10] Zie "De Zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Blz. 22.
[11] Aan denzelfden weg, maar verder op, had ook Jacob Cats zijne buitenplaats _Zorgvliet_, door hem zelf aangelegd.
[12] Gij herinnert u, dat men vroeger in 's-_Gravenhage_ twee kermissen had: de Hofkermis in Mei en de Banus- of Haagsche kermis in September. Zie "De Weezen van Vlissingen." 6e druk. Blz. 65.
[13] Tegenwoordig de _Gevangenpoort_ geheeten. In mijn volgend werkje (het Huisgezin van den Raadpensionaris) kunt gij daarmede nader kennis maken.
[14] Zie "De zeeman tegen wil en dank." 6e druk. Bl. 91.
[15] Later met den Prins gehuwd.
[16] Zeker Fransch reiziger, die des winters 's-_Gravenhage_ bezocht, schreef dan ook in zijn reisverhaal: "_La Haye_ est située sur un grand lac." De plaats, waar vroeger het veldijs lag, is nu bebouwd met huizen, straten en pleinen.
[17] Je maintiendrai. Ik zal handhaven (volhouden).
[18] Op de dorpen, vooral in _Overijsel_ en _Drente_, heerscht die gewoonte nog altijd. Echter is het hier wel eenigermate te vergoêlijken, omdat tal van vrienden en bloedverwanten uit naburige dorpen, soms van ver verwijderde, ter begrafenis komen. Deze moeten toch eten en drinken.
[19] Zie "De weezen van _Vlissingen_", 6e druk, blz. 146.
[20] Deze klerk heette Jan van Meesen; hij verried de geheimen aan 's Graven rentmeester Dirk van Ruyven. Door voorspraak van Johan de Witt werden zij slechts gebannen: Van Meesen voor zijn leven en Van Ruyven voor 10 jaren.
[21] De beide andere kinderen van Willem Frederik waren Amalia, later gehuwd met Johan Wilhelm van Saksen-Eisenach, en Sophia Hedwig, in hare kindsheid gestorven.
[22] Koeriers.
[23] Zie "De weezen van _Vlissingen_", 6e druk. Blz. 5.
[24] Later onder den naam van Jacobus II koning van _Engeland_ geworden.
[25] Gij weet immers, dat er, behalve de vier hoofdwindstreken Noord, Oost, Zuid en West, nog acht-en-twintig tusschenstreken op het kompas zijn; dus twee-en-dertig in het geheel.
[26] In 1665 was die voor de _Hofbuurt_ 10 Cts. per week.
[27] Nog in mijn tijd--ofschoon de buurtvereenigingen hadden opgehouden--had het begraven door de bewoners der buurt plaats. De buurtknecht ging met de penningen rond bij hen, die volgens den rooster (lijst) volgden. Wie niet kon of wilde dragen, betaalde een daalder boete voor de buurt; in het tegenovergesteld geval nam hij den penning aan, volbracht zijn buurtplicht en kreeg het draaggeld, dat soms wel f 7 bedroeg; meestal echter minder. De buurtknecht kreeg van den drager een fooi, en ook fooien met Kermis en Nieuwjaar. Voor de laatste gaf hij een almanak.
[28] Zie "De weezen van Vlissingen" 6e druk, blz. 68.
[29] De Prins was een aartsliefhebber van oesters.
[30] Voor dezen maaltijd had de heer Pauw; President van den Hoogen Raad, een bassijn (fruitschaal) met druiven voor Zijne Hoogheid gezonden.
[31] Plaatsvervanger.
[32] De Luitenant-Admiraal was den 18den November in _Den Haag_ gekomen, ten einde aan de Staten-generaal verslag te doen van zijne expeditie. De Witt, de geruchten dat hij met den zeeheld in onmin was, willende tegenspreken, noodigde hem aan zijn huis. Zoolang De Ruyter in _Den Haag_ bleef, logeerde hij bij hem.
[33] Zie Bladz. 88.
[34] Het Oude Hof, vroeger het paleis van koning Willem I en thans dat van onze tegenwoordige koningin, in het _Noordeinde_.
[35] De Heer Buat was ritmeester van een regiment, dat in _Bergen op Zoom_ lag en slechts bestond uit een luitenant, een sergeant en een werf-officier, om in tijd van nood voltallig te worden gemaakt.
[36] Leiding.
[37] Grondregels of instellingen.
[38] Hetgeen hier volgt, is grootendeels in de resolutiën van den 2den tot den 15den April vervat. Ik neem ze hier maar bij elkander.
[39] Krachtige.
[40] Toen de Staten bezig waren over dit onderwerp, zeide een voornaam Lid van hunne Vergadering: "De geachte spreker meent te maken van den Prins een _kind van den Staat_. Maar ik vrees, dat het niet lang zal duren, of de Staat zal zijn een _kind van den Prins_."
[41] Kanonnen.
[42] Guillaume Blaeuw, 1571-1638.--J.H.
[43] De volgende rekenkunstige opgaaf is van De Witt.
[44] Tiendeelige breuken.
[45] Blijft.
[46] Vermoeden.
[47] Bewijst.
[48] In het oog te houden.
[49] Lichamelijk bewijs.
[50] Bevestigen.
[51] Voorafgaande bewijzen.
[52] Volgens mijn oordeel.
[53] Toepassen.
[54] Redenen.
End of Project Gutenberg's De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen