De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De
Chapter 15
Wij gaan Dinsdag den 7den Februari van datzelfde jaar nog eens naar den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op het _Binnenhof_, ook niet op het hof van _Brandwijk_,--wij zullen hem op een geheel andere plaats aantreffen. Wij gaan naar het _Buitenhof_, en wel naar de toenmalige hofstallen, "paardenberijdersstal" genaamd. "O," zegt gij, "dan had de Prins zeker weer nieuwe paarden gekocht, die hij den ouden Heenvliet wilde laten zien." Mis geraden! Vooreerst was de oude Heenvliet reeds dood; hij was kort na de terechtstelling van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal noch paard noch karos; integendeel, al de paarden en karossen zijn naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas Balkenende met planken bevloerd en met meer dan achthonderd zitplaatsen voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in onze kermistenten; zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien; want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad van State en van de Rekenkamer, de gekommitteerden van _Holland_, zijn de aanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins van _Toskane_, die te _Antwerpen_ logeert, is voor dezen avond expresselijk overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen, hier en daar zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren luchters en armblakers geplaatst,--alles is keurig netjes ingericht en getuigt van den rijkdom van den Prins van _Oranje_, die dit alles bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles gezien. Tegenover de zitplaatsen is een prachtig tooneel opgericht, insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig geschilderd, de vredemaagd staat met zeven pijlen in de hand, die de drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel geplaatst, tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet, daar worden de kaarsen opgestoken--straks zullen de hooge gasten binnentreden. Reeds komen de muzikanten.
Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, boeren en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder van hen heeft een papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen zwijgende personen. In de andere kamer vinden wij een aanzienlijker gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier van goden en godinnen. Ook zij houden hunne rollen in de hand, maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen--het zijn wel geen hemelsche wezens--maar toch zijn het de goden der aarde, de grooten des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog het een en ander, wat ons belang inboezemt.
God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem ligt de gevleugelde slangenstok en de helm met vlerken. Gij herkent hem terstond. Het is Willem Hendrik van _Oranje_, de ontwerper en uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toen _dans_ noemde).
Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij voorstelt. Een paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende, lange bazuin, die zij in de hand houdt, doen ons haar erkennen voor De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld met God Mercurius, maar niet over hemelsche zaken, o neen, over zeer aardsche.
"Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne Majesteit den koning van _Engeland_ ten geschenke gekregen," begint hij. "Ik hoor, dat 's Konings stalmeester de hertog van Ormont ze heeft overgebracht."
"Gij hebt het reeds gehoord, Obdam," antwoordt de Prins. "Het zijn juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn oom heeft mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.--Van het Eeuwig Edict gesproken, Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?"
"Dien stoel met de wapens van uw huis?" vraagt Obdam. "Ik heb daar niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal het Uwer Hoogheid wel kunnen zeggen."
Inderdaad komt de maagd van _Holland_, in het geschubde pantser met den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm op het hoofd, de speer in de eene en het schild met den klimmenden leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen.
"Zeg eens Van der Lek," zegt de Prins. "Is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?"
"Zoo is het, Uwe Hoogheid!" antwoordt deze, en voegt er met fijne vleierij bij: "Men zal hem willen schoonmaken, tegen den tijd, dat Uwe Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond, zooveel onedel stof opgekomen."
"Hoofsche vleier!" dreigt de Prins. "En dat moet ik uit den mond van _Holland_ hooren."
"Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid," herneemt Van der Lek. "Er zal een tijd komen, dat _Holland_ u zal waardeeren, zooals ik, haar representant, u waardeer. Maar zie eens," vervolgt hij, terwijl hij naar twee andere dames wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer wandelen. "Als wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en de Vrede wandelen daar samen als vriendinnen. Laat toch de fakkel der eene den palmtak des anderen niet verbranden."
"Geen nood, Van der Lek," zegt de Prins. "De fakkel brandt nog niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn."
"Voorzeker, Uwe Hoogheid!" zegt Valkenburg, die _Engeland_ moet voorstellen. "Maar nu _Engeland_ zoo dicht bij _Holland_ komt te staan, en zij elkander niet eens de tanden laten zien,--nu heeft de fakkel van de tweedracht ook geen gevaar voor den vredepalm."
"Gij hebt gelijk, Valkenburg," hervat de Prins. "En wat zegt gij van mijne nieuwe paarden?"
"Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben mogen schenken, wat zijner waardig is."
"Nu zal _hij_ er zich nog de eer van toeëigenen," zegt Van der Lek.
"De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning van _Groot-Brittannië_, de schenker is van dat heerlijke vierspan."
"Het is waar ook," herneemt Van der Lek lachend. "Ik dacht er niet aan, dat gij Engeland voorstelt."
"En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin van _Engeland_, een kostbaar tegengeschenk zal zenden."
"O, die babbelaars!" zegt de Prins. "Dat heeft mijn stalmeester u verteld."
"Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?" vraagt Obdam. "En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?"
"Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede, die ik u gisteren liet zien, Obdam?" vraagt de Prins.
"In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?" zegt Obdam. "O voorzeker."
"Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig met gouden franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het niet te wereldkundig worde."
Een page komt binnen en zegt:
"Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?"
"Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm wordt opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed."
En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, om te kunnen verschijnen, als het zijn tijd is.
Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten, herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning en noodigde, onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze, gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, bedankten. Ook voeren de predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk zondig; zoodat (zegt Aitsema) het bal duizenden had gekost en toch maar onrust gaf.
Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg van de Ridderschap f 15,000, van de Hollandsche steden f 42,000. Toen men hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van f 100,000 wilde geven, wist hij dat door zijn invloed te beletten.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Wat er met den Prins in Zeeland voorviel.
Het was in de maand September 1668. 's Prinsen goeverneur, de Heer Van Gendt, was om familie-aangelegenheden naar _Gelderland_. Hiervan maakte de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken en dan van alle voogdij ontslagen zijn, gebruik tot het maken van een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf.
Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, was hij heimelijk uit _Den Haag_ vertrokken en had zich met het jacht van Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naar _Bergen-op-Zoom_ begeven. Daar wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde Raden van Zeeland, waarop zich eenige van de voornaamste Heeren van die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen.
Met dit vaartuig voor het hoofd van _Arnemuiden_ gekomen, zond men een edelman naar _Middelburg_, om de Heeren Staten en gecommitteerde Raden van 's Prinsen aankomst te verwittigen, die spoedig daarop in een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid kwamen afhalen. Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek, stonden bij zijne aankomst te _Middelburg_ in twee rijen geschaard, om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de edelsten van _Zeeland_, wandelde hij naar de "Abdy," die voor hem in orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert, Pensionaris van _Zeeland_, hem met een aanspraak welkom heette.
Het was een vreugdedag voor de goede stad _Middelburg_. De geheele bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie en het branden van vreugdevuren, hare blijdschap aan den dag te leggen over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan het geliefde stamhuis van _Oranje_.
Den volgenden dag, Dinsdag den 18den September, werd de Prins in statie afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering der Staten van _Zeeland_, te midden van het uitbundig gejuich eener overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed daveren van hun: "Leve de Prins!" en "Oranje boven!"
In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit naam der Staten, dat _Zeeland_ altijd geijverd had voor de verheffing van den Prins, dat _Holland_ steeds door zijne oppermacht was tusschenbeide getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik te maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele van _Zeeland_. De Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak:
"Het standvastig vervolg uwer gunst benoodzaakt mij tot dankbaarheid; en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door achterblijven terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk voldoen mag. Dit is niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonder _Holland_, nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen."
Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch met gouden dukaten aan, als hulde van _Zeeland_; waarna Zijne Hoogheid zich in volle statie naar de "Abdy" begaf.
Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder, waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naar _Zeeland_, alwaar hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen kwamen verheffen (goederen ontvangen) van de grafelijkheid. In _Holland_ had de tijding van 's Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij deed openlijk hare blijdschap over die verheffing blijken, terwijl de aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij naar een ander gewest was verreisd, zonder er den Staten van _Holland_ kennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij zich ondankbaar toonde jegens _Holland_, dat hem zooveel weldaden had bewezen.
Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak in _Holland_ zou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou worden aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk hem wenschte te spreken.
"Zeg haar, dat ik geen tijd heb--dat ik niet te spreken ben."
"Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laat zich niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te verzoeken, haar te woord te staan."
De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen stemming was om zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig:
"Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken ben. Laat haar morgen terugkomen."
De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid een ring mede.
"De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven," zeide hij. "Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord staan."
De Prins nam den ring, bezag dien en zeide:
"Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker iets belangrijks mede te deelen."
Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar Martha--want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het was--hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag, barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor nog minder op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide:
"Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?"
Het meisje droogde hare tranen af.
"Uwe Hoogheid!" riep zij uit. "Ik ben de zuster van Pieter Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis."
"In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?"
"Niets, Uwe Hoogheid! Niets."
"Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets gedaan heeft."
"En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid."
"Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan beschuldigt men hem dan?"
"Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet gelooven. Zij weet, dat Pieter een brave jongen is."
De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep, dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet tot de zaak kwam.
"Zeg mij dan, meisje," hernam hij ongeduldig, "wat er gebeurd is en waartoe je bij mij komt."
"Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbeveling als tweede meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die reeds oud was, zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk te doen met den baas van de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls onaangenaamheden had. Intusschen bleven de zaken altijd binnen de palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist plaats, dat de baas zich niet ontzag, hem een slag te geven."
"En zulks dien driftkop van een Pieter!" riep de Prins uit. "Toen heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend."
"Neen, Uwe Hoogheid," hernam Martha. "Dat zou misschien het geval zijn geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads tusschenbeide waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter was. In zijn drift zwoer hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat hij het hem betaald zou zetten. Maar Uwe Hoogheid weet ook, dat driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen Pieter. Als hij zich omkeert, is hij weer goed. Intusschen kon hij dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van plan was, den baas bij de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar het gelukte niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals hij mij verhaalde, toen hij terugkwam."
"En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?"
"Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas op den singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist van den vorigen dag met de woorden van Pieter in verband gebracht, en, daar de moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep men, dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was; ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, dat Pieter hem had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen."
"Daar heeft het dan ook veel van, meisje," zeide de Prins "en uw broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen zal hem weinig helpen."
"Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?"
"Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen," hernam de Prins. "Maar wat voert je tot _mij_?"
"Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid te _Middelburg_ was aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, dien Uwe Hoogheid hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede om hem te hulp te komen. Begrijp eens, Uwe Hoogheid! men heeft hem reeds met de pijnbank gedreigd."
"Met de pijnbank!" zeide de Prins bedenkelijk. "Hoor eens, meisje," ging hij voort. "Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: het recht moet zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen kom bezoeken."
"Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!" riep Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep en die kuste. "In trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!"
"Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!--Ga naar den schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen over te gaan alvorens ik hem gesproken heb."
"Ik dank Uwe Hoogheid!" zeide Martha. "God moge haar zegenen voor hetgeen zij aan mijn broeder doet!"
Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert, die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, zich met een onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den volgenden dag naar _Vlissingen_ zou vergezellen, waar Zijne Hoogheid de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een gemakkelijke zaak. Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen.
't Was den volgenden dag een vreugde in _Vlissingen_, toen de Prins daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf Zij zich met den heer De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende de rechtzaak van Pieter geven. Toen de Pensionaris de akten had doorgelezen, zeide hij:
"Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, de beklaagde _persisteert_ [45] bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen andere _presumptie_ [46], dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongeling _prouveert_ [47] tegen de misdaad. Ook bestaat er--en dat verzoek ik u vooral te _considereeren_ [48],--volstrekt geen _corpus delicti_ [49] en waar dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad te _confirmeeren_ [50] schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden."
"Daarbij komt," merkte de Prins aan, "dat de beklaagde bij mij bekend staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, of de toorn is bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest." En de Prins verhaalde het gebeurde op het veldijs.
"Gij ziet, mijnheer de Schout," hernam de Pensionaris, "dat er hier _premissen_ [51] bestaan, die genoeg _prouveeren_, dat naar alle waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde: omdat er sprake is van moord met _voorbedachten rade_. Mijns erachtens [52] moogt gij de pijnbank niet _appliceeren_ [53]."
"Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet," zeide de Schout. "Intusschen geloof ik, dat er geene _motieven_ [54] bestaan tot vrijspraak."
"Dat volstrekt niet," hernam de Pensionaris. "De voorzichtigheid eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen zijn tot zijne loslating. Zoo lang blijven er zware _presumptiën_ tegen hem bestaan."
Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd.
"Daar is haast bij," zeide de klerk, die den brief overreikte. "Een bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien terstond te overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen."
De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij:
"Met uw verlof, Uwe Hoogheid!"
"Ga uw gang, heer Schout," antwoordde de Prins. "Dienstzaken gaan vóór alles."
De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op.
"Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!" zeide hij. "De ware moordenaar is ontdekt."
"Wat zegt gij?" riep de Prins uit.
"Lees zelf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de Schout.
De Prins nam den brief en las:
Uyt Zierikzee, den 19den van Herfstmaend, 1668.
Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!
Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt, dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt van _Zierikzee_.
UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck ik UEd. my te geloove.
Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere
Uwen Dienstwilligen Dienaer en oprechten vrund Jan Douwes de Beer.
De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den inhoud willen mededeelen.
Den avond van den 17den September, had er tusschen een paar matrozen en twee andere personen in de herberg "de Schiemansmaat" te _Zierikzee_ een gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden, de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, die geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. De stervende nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke, dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor een onschuldige in de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat de Schout met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende bekentenis deed: