De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De

Chapter 14

Chapter 143,655 wordsPublic domain

"Zeer goed," zegt De Witt. "En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu zoo vlug in het oplossen is?"

"Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo'n vervelend wezen is als de makers van die cijferboekjes," antwoordt de Prins, "en dus zijn uwe opgaven ook niet zoo droog en zoo saai."

"Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden [44] begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en vijftig duizendste deelen."

De Prins schrijft, volgens Simon Stevin;

16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3)

en volgens Franciscus van Schooten (1660):

16358 (3)

want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de geheelen van de deelen te scheiden.

"Zeer goed," hervat De Witt. "Ik zie tot mijn contentement, dat gij beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid wel doen observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren en divideeren verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig duizendste deelen?"

"Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend heeft)

1390430 (6)

of eenvoudiger:

139043 (5)".

"Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin zegt: het geeft eene "ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen noodigh vallende door heele getallen, sonder ghebrokenen." Doch nu gaan wij verder."

Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën.

De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en wilde vertrekken.

"Een oogenblik, mijnheer De Witt," zeide de Prins. "Ik had U nog wat te verzoeken."

"Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij genoegen doen, U uw verzoek toe te staan."

"Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid," hernam de Prins. "Uwe Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, timmerman op het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter."

De Witt dacht een oogenblik na.

"O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe gunst te deelen."

"Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier," vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde, "dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter."

"Wien deze aanbeveelt," hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen had, "is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. Maar, waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel lust in het zeeleven had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?"

"Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn oom Klaas Dirksz, den stuurman van "De zeven Provinciën," die, op den 5den Augustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven te hebben doen opvatten."

"Het getuigt weinig voor zijn moed," hernam de Raadpensionaris eenigszins schamper.

"Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was, en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken te stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen."

"Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen ontslaan?"

"Hij behoorde tot de vrijwilligers van _Delfzijl_," hernam de Prins, "en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen."

"Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit," hernam De Witt. "Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling bij doen. De Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen."

"_Zeeland_ is mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest," hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden werden gesproken, niet opgemerkt. "Ik zal dus volgens uw raad handelen. Doch nog iets. De ridder Buat...."

Het gelaat van den Raadpensionaris betrok.

"De ridder Buat," vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de verandering in De Witts trekken te bemerken, "is door u beschuldigd van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen."

"Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben geen Fiskaal."

"Toch op uw bevel, mijnheer De Witt."

"Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan, heer Van Buat, is een landverrader."

"Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man, door U met een geheime correspondentie met _Engeland_ belast, en die misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie bij te voegen."

"Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde," zeide De Witt scherp. "Wie is de gedienstige geest, die Haar dit heeft medegedeeld?"

"Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheel _Den Haag_ weet?" hernam de Prins. "Of zou Uwe Edelheid meenen, dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet."

"Voleindig uwen volzin, Prins," hernam De Witt.

"Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn vader in dienst was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest, totdat...."

De Prins zweeg. De Witt vervolgde:

"Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, iemand van U te verwijderen, die met den vijand heult."

"Dus geen genade voor den onvoorzichtige."

"Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te verleenen," hernam De Witt koel. "En wat mijn voorspraak betreft, die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. Luister wel," hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn doordringende oogen scherp aanzag. "De Heeren Staten zijn voornemens, om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook, streng te straffen, en uwe partij wordt stout--te stout, om langer het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe Hoogheid kan dus bij gelegenheid Haren vrienden de verzekering geven, dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in de maatschappij bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan, dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze partijzucht blijve."

Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupil aan zijne overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was, schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval hem, ingeval de persoon, die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien terstond bij hem te brengen.

"Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid," zeide deze.

"Breng hem dan onmiddellijk hier," hernam de Prins.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde.

Weinige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad Pieter Pietersz "de kamer van educatie" binnen.

"Je past op je tijd, Pieter," zeide de Prins "Volg mij."

De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de deur zorgvuldig, en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl hij zelf ging zitten.

"Wel," begon hij. "Heb je het een en ander bijzonders vernomen?"

"Ik had daartoe niet veel moeite," antwoordde Pieter. "Mijn broeder is met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen heeft hij Mevrouw Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen."

"Ter zake."

"In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionaris aangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie naar _Engeland_."

"Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris plaats?"

"Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam, wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden der Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij deze correspondentie een andere te voeren, van welke de Raadpensionaris niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius: _pour vous mesme_.--Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht en daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen."

"De onvoorzichtige!" riep de Prins uit. "En had de Raadpensionaris dat terstond gemerkt?"

"Ik weet het niet, Uwe Hoogheid," gaf Pieter ten antwoord. "Maar de Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan, las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf om dien Buat te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; waarop de Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State zich naar het huis van den gevangene begaf en aldaar huiszoeking deed."

"Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!" zeide de Prins meewarig.

"Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen."

"En heeft men daar nog wat gevonden?"

"De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad voor een anderen vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te beschuldigen en zijne zaak in handen van het Hof van _Holland_ te stellen."

"En de Ritmeester?"

"Zit nu op de _Voorpoort_ van den Hove."

"Arme Buat," zeide de Prins.--"Je hebt je goed van je last gekweten, Pieter," vervolgde hij tot dezen. "Ik heb ook den mijnen volbracht en je aan den Raadpensionaris aanbevolen."

"Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming," zeide Pieter.

"Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit van _Zeeland_ erlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers schrijven en je aanbevelen."

"O, Uwe Hoogheid is al te goed," hernam Pieter. "Hoe zal ik Haar ooit dankbaar genoeg kunnen zijn!"

"Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug, dien je gekomen bent. Vaarwel!"

De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek van Pieter, weder aan het werk--schijnbaar ten minste--want zijne ziel was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken.

De aanbeveling van den Prins met die van den Luitenant-admiraal had goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche admiraliteit aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder Jacob intusschen gehuwd was, vergezelde hem naar _Vlissingen_, om zijne huishouding waar te nemen.

Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om een zacht vonnis te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd, maar slechts misbruik had gemaakt van het vertrouwen, dat De Witt in hem had gesteld. De Staten van _Holland_ evenwel, door De Witt daartoe aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste aan, om een krachtig vonnis te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer Van der Graaf, die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand, uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende, vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne komst, daar de boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den cipier, een paar woorden met den gevangene gewisseld te hebben, verliet Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag stond in een nieuwsblad, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had, de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf, die de toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen, zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen.

Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld te worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11den October aan hem voltrokken.

De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van Tromp) en de Burgemeester van _Rotterdam_, Van der Horst, werden mede in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden aangezet en ettelijke brieven hadden gelezen. De eerste, zooals ik u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw tot een zware geldboete en Van der Horst tot verbanning veroordeeld, terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard.

De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting van Tromp, deed bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen uitslag van den tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige koopvaardijschepen in het _Vlie_ weg te nemen en op het eiland _Terschelling_ te landen, waar zij het dorp _West-Terschelling_ in brand staken en de weerlooze bewoners mishandelden.

Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk en door stormen werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben.

Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot vredesonderhandelingen. Een zware brand te _Londen_, die van den twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte der stad in de asch legde en millioenen schats vernielde, maakte, dat men in _Engeland_ zeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats der onderhandelingen werd _Breda_ gekozen. Intusschen hoopte De Witt vooraf nog de geledene nederlaag en den brand van _Terschelling_ op luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was.

't Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten der uitrusting opzagen, had alleen _Holland_ er een benoemd. Dewijl nu de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen te _Breda_ tegenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard van _Putten_, Burgemeester van _Dordrecht_ en lid van de Admiraliteit der _Maas_, die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den tocht werd intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere d'Estrades er niet achter kon komen.

Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den 17den Juni in het _Koningsdiep_ ten anker. Van hier werd Van Gent met 17 schepen vooruitgezonden naar den _Theems_, om de daarliggende koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard zelf begaf zich op het schip van Van Gent om de onderneming te besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren opgezeild, begaf zich het smaldeel naar de _Medway_, ook wel de rivier van _Chattam_ of _Rochester_ genoemd. Aan den mond dier rivier lag de sterkte _Sheernesse_, die door Van Brakel en twee andere kapiteins beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht en wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen en vijf branders hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu kapitein Tobias met vier schepen, drie jachten en twee branders de rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond Tobias zich gestuit door een dikken ijzeren ketting, die aan beide oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting lagen de "Unity", daarachter de "Carolus Quintus", "de Matthias" en de "Monmouth"; terwijl het schieten uit het kasteel _Upnor_ en van de beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich dus genoodzaakt, van de onderneming af te zien, en waarschijnlijk zou het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding gegeven tot het uit den weg ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan land te laten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd te zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht fregat, de "Unity" aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader een doortocht te verschaffen. De Ruwaard nam dit aan, Van Brakel werd ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit, door den nauwen doorgang en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt, met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van den vijand zijn tocht en schiet niet, alvorens hij bij de "Unity" is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en is er in weinige oogenblikken meester van.

Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde er met zulk een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak, waarna hij zich terstond aan den daarachter liggenden "Matthias" hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook door de gemaakte opening heen en trachtten den "Carolus Quintus" in brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet dan nadat een daarvan het schip in brand had gestoken. Van Brakel, met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam een gedeelte der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de door zijne manschap verlatene "Royal Charles," het admiraalsschip, een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, reeds ten tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II naar Engeland over te brengen. Nu lag de "Mary" aan de beurt, die mede verbrand werd.

Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met de vermeestering van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen, tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. Maar dat was weder een waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden, besloot het te beproeven. Zeven branders, naar de schepen afgezonden en door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden door het geweldige kruisvuur van het kasteel _Upnor_ aan de eene en van een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook De Ruyter zelf sprong in een sloep om de onderneming te besturen, en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke kogels, besloot hem te vergezellen. De "Jacoba" en de Royal Oak", twee schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield; terwijl een andere den "Loyal London" in brand stak. De kapitein van de "Royal Oak" verkoos niet van zijn schip af te gaan. "Nog nooit," zeide hij, "heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele huis) den hem toevertrouwden post verlaten." En hoe men hem smeekte, zich te redden--hij liet zich met zijn vaartuig verbranden.

Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht in _Londen_, ja in geheel _Engeland_ verbreidde. In de hoofdstad werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne kostbaarste goederen borg en op de vlucht sloeg. Doch spoedig werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze schepen, tevreden met het behaalde voordeel en verzekerd, dat men den Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot terug, waarmede De Ruyter een tijd lang den _Theems_ gesloten bleef houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de "Unity" en de "Royal Charles" naar het Vaderland te voeren.

De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de onderneming was afgebeeld, benevens een rentebrief van f 30,000, De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent f 12,000 en een gouden gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden werden voor de door hen bewezen diensten beloond.

De tocht naar _Chattam_ bewerkte, wat de Raadpensionaris er mee bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen voor den brand van _Terschelling_, maar ook de vredesonderhandelingen werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan ook reeds op den 31sten Juli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede met _Engeland_ te _Breda_ werd gesloten en zoo een einde maakte aan den tweeden Engelschen oorlog.

Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede te _Breda_, was Lodewijk XIV, koning van _Frankrijk_, in de _Spaansche Nederlanden_ gevallen. Deze inval, waarbij d'Estrades de medewerking der Staten eischte, omdat _Frankrijk_ ons, zoo het heette, in den oorlog tegen _Engeland_ had ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren was. De Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, waardoor ten minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, inhoudende, dat elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar eenig Stadhouderschap te zullen staan. Dit stuk, bekend onder den naam van _Eeuwig Edict_, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor alle eeuwigheid in _Holland_ vernietigd werd, terwijl in de andere provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou kunnen zijn, werd den 5den Augustus door de Staten van _Holland_ aangenomen. Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking; immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij vóór zijn twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden.

Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in de _Spaansche Nederlanden_ voort het sluiten van een verbond, om _Frankrijk_ tot den vrede met _Spanje_ te noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat, _Engeland_ en _Zweden_ werd gesloten, den naam van Triple-alliantie of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die den 28sten Januari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de beroemde Engelschman, de ridder William Temple.