De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De

Chapter 13

Chapter 133,944 wordsPublic domain

"Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?"

"Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?"

"Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder zijn matrozenbuis steekt."

"Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt." En de Prins verhaalde hem, wat er met Pieter op _Hondsholredijk_ en op het veldijs gebeurd was.

"Inderdaad--dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid, die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor zeeman in de wieg is gelegd."

"Ik zou hem gaarne eens zien," hernam de Prins. "Ik heb al naar hem rondgekeken."

De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen weinige oogenblikken was hij bij hen.

"Je bent groot geworden, Pieter," zeide de Prins. "Ik zou je niet herkend hebben. Hoe oud ben je thans?"

"Achttien jaren, Uwe Hoogheid," antwoordde Pieter.

"Dan ben je mij vooruit," hervatte de Prins. "En ik hoor, tot mijn genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is."

"Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft, als onzen Luitenant-admiraal!" zeide Pieter.

"Daarin heb je gelijk," antwoordde de Prins. "En hoe vaart je oom, de stuurman Klaas Dirksz?"

"Hij is springlevend," antwoordde Pieter. "Maar vergun mij, dat ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek, of uit uwen dienst?"

Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen, welke Pieter bij hem te voorschijn riep.

"Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter," gaf hij ten antwoord. "Het is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd."

Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren, vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De Keurvorst had honderd zilveren ducatons (f 315) aan de matrozen van De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende, stevende de vloot het ruime sop in.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf.

Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, twaalfden, dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een luisterrijke overwinning, door onze vloot op de Engelsche behaald. Een zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.--Ja, een vierdaagsche zeeslag, de hevigste die ooit werd bevochten en die niet alleen den roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo deerlijk verloren gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel duizenden kartouwen [41]; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen De Ruyters groote steng was afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der vijanden de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid zoo dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met verbazing vraagden: "zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?"

Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis van De Ruyter Bldz. 478--494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den vierden dag de _bloedvlag_ liet hijschen, tot sein om allen te gelijk op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden gejaagd en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden, dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde verloren wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude kerk te _Amsterdam_ ziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen, wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne Vice-admiralen Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naar _Engeland_ gezonden, over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks 800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen 5 à 6000 dooden en 3000, die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels gezonken of verbrand, deels genomen en in onze havens waren opgebracht.

Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4den en 5den Augustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en denzelfden Monk, hertog van _Albemarle_, die de Engelsche vloot in den vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd was bijgewoond door vier Fransche edelen, die op 's Lands vloot waren gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden bij te wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi, Prins van _Monaco_, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca en de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de bekomen schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich opnieuw had begeven in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner zonen en vier zijner broeders het leven hadden gelaten, gebood met Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede, De Ruyter met Van Nes het centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede.

Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander in volle zee tusschen _Duinkerken_ en _Noordvoorland_. De voorhoede begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam bij het andere. Vooreerst was de wind voor de Engelschen, en dan nog was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde voorhoede onmogelijk kon te hulp komen; ten tweede werden reeds bij de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche admiraal Koenders doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite zijn leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter aangetast en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, vele van De Ruyters schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets te bespeuren. Onze zeeheld echter hield het gevecht tot den avond vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringe vloot niet meer bestand was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon hij langzaam te wijken, hopende, dat Tromp zich gedurende den nacht met hem zou vereenigen.

Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden, maar geen Tromp.

"Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord," zeide hij tot Klaas Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, ofschoon de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, dat er geschoten werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over en seinde den Vice-admiraal: doch op hetzelfde oogenblik tuimelde hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik naar beneden en kwam genoegzaam voor Pieters voeten te land.

"Hemelsche Vader!" riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij zijn geliefden oom neerwierp. "Oom! Oom!"

"Ik sterf," zeide de stuurman met een flauwe stem. "De Engelschman heeft mij doodelijk gekwetst."

"Gij zult niet sterven, oom!" zeide Pieter.

"Vlei je niet, mijn beste jongen," hernam Klaas Dirksz gebroken. "Tegen den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds in mijne aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De Ruyter..."

Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit de wond vloeide, te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een hevige stuiptrekking den laatsten adem uitblies.

"Dood! Arme oom Klaas, dood!" riep Pieter uit, terwijl hij zich als wanhopig op het lijk wierp.

"Pieter!" klonk eensklaps een stem naast hem. "Is de stuurman dood?"

"Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?"

"Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met hem raadplegen. "Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes," riep hij uit, toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje trad, "wat zullen wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven op onze seinschoten. Zie, welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren omringt, en wij--wij zijn slechts met zeven of acht schepen bijeen. Wat zullen wij doen?" "Wat wij moeten doen," antwoordde Van Nes, "tegen de overmacht kunnen wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende te verweren."--"Gij hebt gelijk, Van Nes," antwoordde vader. "Daar is geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar, dat ik dood was!"

"Zei uw vader dat?" zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. "En wat zeide de Luitenant-admiraal?"

"Ik wou het ook wel," antwoordde Van Nes, "maar men sterft niet, wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw blijven tot mijn laatsten ademtocht." Dit zeggende, stonden mijn vader en hij op, en--nauwelijks waren zij de kampanje uit, of ziet, daar vloog een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg, waar zij gezeten hadden!"

"Wonderbaar behoud!" riep Pieter uit. "En is Tromp nog niet in het gezicht?"

"Nergens te zien," hernam Jonker Engel. "Maar ik moet weer naar boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen stuurman te zien."

"Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippen is gestorven en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden Admiraal heeft gegeven."

"Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg te vinden."

"Dat zou ik meenen," zeide Pieter. "Maar ik was liever boven, om den dood mijns ooms op die Engelschen te wreken."

"Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om ons leven en ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!"

"God behoede je en je dapperen vader!" zeide Pieter, terwijl hij Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, om aan de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas Dirksz over te brengen.

Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken zij al vechtende, terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks 's morgens negen uren kregen zij _Westkapelle_ in het gezicht. De Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben den grooten zeeheld gevangen te nemen, drong al meer en meer met zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag zond hij een brander op hem af, die "De zeven Provinciën" zoo na kwam, dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood verloor de Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. In De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, ja van de gansche vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, vernield en door zijn volk verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten.

Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit was onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. "Hoe ben ik dan toch zoo ongelukkig?" riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, die naast hem stond. "Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die mij wegneemt!"--"Vader!" zeide De Witte, "hoe kunt ge zoo moedeloos zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven, welnu, laat dan den steven wenden, storten wij ons te midden van de vijanden en sterven wij den heldendood!" Deze taal werkte; De Ruyter zag het verkeerde daarvan in. "Witte," zeide hij, "gij weet niet, wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als ik er mij zelf en deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men het werk hervatten." Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo dicht bij de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden, het sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos.

Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven van _Vlissingen_ binnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan; want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer door de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en de zijnen zich met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De Ruyter kunnen voegen, en meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken, toen De Ruyter hem toevoegde:

"Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven ben? Inderdaad--het heeft aan U niet gelegen; integendeel--gij hebt dapper uw best gedaan, om mij met 's lands vloot in handen der Engelschen te leveren."

"Ik, Admiraal?" vraagde Tromp verbaasd. "Of meent Uwe Edelheid soms, dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?"

"Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp," zeide De Ruyter, "zou ik u gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder lafhartig te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk gestreden? Of meendet gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?"

"Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters de Heeren Staten zijn," zeide Tromp trotsch.

"Daar zult gij gelegenheid toe hebben," hernam De Ruyter. "Ik heb Hunne Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van het gebeurde, en U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!"

"Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet," antwoordde de laatste. "_Wij_ hebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest."

Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer, in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen Zweers en Van der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar Tromp kon niet zwijgen.

"Hadt gij U even goed gekweten, als wij," zeide hij, "dan zouden wij de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede der Engelschen niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu in _Londen_ als krijgsgevangene."

"Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp," hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. "Zooals gij gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over ons oordeelen. Wat mij aangaat,--ik schroom het oordeel van mijne meesters niet."

"Ik ook niet," hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord verliet. "Ofschoon," mompelde hij half verstaanbaar, "de lieveling wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis achterstaan!"

Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een aan de Staten-Generaal en een aan de Staten van _Holland_, waarin hij, op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen en De Ruyter te beschuldigen; terwijl hij aan het slot van zijn brief zeide, "dat--indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een schelm moest worden uit gekreten--hij zijn ontslag verzocht, daar het thans geen tijd was, om schelmen te gebruiken."

Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven, vooral bij de Staten van _Holland_, verwekte. Daarbij kwam nog, dat de Heer Kievit, gecommitteerde Raad van _Rotterdam_ (uit den mond van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden daarvan vernomen hebbende) een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde en dat van De Ruyter erg gispte. Dit stuk had hij laten drukken en verspreiden. Hierover door de Staten van _Holland_ ter verantwoording geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte het land uit. Ook benoemde men een commissie, aan welker hoofd de Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de beide Admiralen tegen elkander hadden ingebracht. Met staatkundige voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de schuld lag doch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal was ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan hem zoozeer gehechte scheepsvolk.

Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, dat hij het aanbod, hem door d'Estrades, den Franschen gezant, gedaan om tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV te dienen, van de hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als vergeten burger wilde leven, dan met eer en rijkdom overladen, een vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal van _Holland_ benoemd Willem Jozef Van Gent.

Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk was zijne geheele familie naar _Vlissingen_ gekomen, om den dierbaren man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten ontberen. Wij lezen ten minste, dat zijn jongste dochtertje, dat den 13den September haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig, veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte en daaraan op den 24sten Augustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens aan Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige bezigheden te lenigen.

Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar 's-_Gravenhage_, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd "de kamer van educatie." Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer, aan beide zijden met ramen voorzien. Naast de deur, die in een hoek is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor groote saaien gordijnen hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is, een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen, hoornen en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo's en octavo's, lager de kwarto's en onderaan de folianten. Tegenover dezen muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen bevindt zich een deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht te beletten; aan de andere zijde staat een kleiner kastje, waarin een atlas van Blaeuw [42], eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de busten van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren inktkoker, eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is "de kamer van educatie," waar Zijne Hoogheid dagelijks les krijgt van zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en politiek (staatkunde) institueert (onderwijst); terwijl een ander den Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen komt, om hem het Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens onderzoek te doen naar zijne vorderingen.

Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, met den arm onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven uit de vernieuwde cijfferinge van Willem Bartjes, tweede druk, in 1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij het boek van zich af en neemt de in 1653 uitgekomen Arithmetica van B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met geen beter gevolg.

Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen.

"Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim," begint hij. "Eilacy, is zij boos op die onschuldige boeken?"

"Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?" antwoordt de Prins, "Vergeef mij, dat ik U tegenspreek--ik was knorrig op mij zelf."

"Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden," herneemt De Witt lachend. "In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. De onschuldigen moeten het gelag betalen."

"Gelukkig dat die boeken het niet voelen," zegt de Prins. "Maar ik zou mij wel voor het hoofd willen slaan."

"Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!" vermaant De Witt. "Dan zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.--Doch vertel mij, wat is de oorzaak van uwe ontevredenheid met U zelf?"

"Ach mijnheer De Witt!" klaagt de Prins. "Ik ben zoo dom..."

"Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om knap te worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?"

"In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten denken over deze opgaven. Zie, ik _kan_ ze niet vatten."

"Doodeenvoudige voorstellen," hervat De Witt, nadat hij ze gelezen heeft. "Kom hier," vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt en gaat zitten. "Ik zal ze U eens voorrekenen." En terwijl hij den Prins de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij ze in weinige minuten opgelost.

"Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak der wereld is?"

"Voor uwe Edelheid, ja," antwoordt de Prins. "Maar voor een zwak hoofd als het mijne...."

"Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan."

"Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn."

De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen.

"Komaan," zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. "Schrijf dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen."

De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem voorzegt [43].

"Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, toen sy door de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; men vraegt, hoeveel tijts 30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende, sulk een tooren op diezelfde hooghte te brengen."

De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich.

"Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt."

"En hoe zult gij dat doen?"

De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun niet mede.