De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De

Chapter 11

Chapter 113,765 wordsPublic domain

In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen, ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat in een "brief" of "kaart," werden meestal aan de goedkeuring van den Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De stad 's-_Gravenhage_ was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de _Hofbuurt_ (_Binnen-_, _Buitenhof_ en _Hofsingel_) en de _Illustre Parelbuurt_ (_Voorhof_ en _Vijverberg_) de voornaamste in rang waren. Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo bevatten de _Hofbuurt_ en _Parelbuurt_ twee vereenigingen: die voor Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; zoo hadden enkele buurten, b. v. het _Voorhout_, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een voor ongehuwden, _Jonkmansbuurt_ genaamd. Aan het hoofd van elke buurt stond een bestuur, "officier en regenten der Buurt" geheeten, hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel "President van de Buyrte" genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam van "vredemakers" droegen) en één Secretaris (die in de _Hofbuurt_ den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder andere de _Hoogstraat_, haren advocaat. De deelneming als lid der buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn, en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had, als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten [26], f 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis, en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw "smeet ofte sloeg, dat daar een straatgerucht uit voortquam" verbeurde een vette ham of ten minste f 3 (in andere buurten f 1.50), voor het "kyven met anderen in de buyrt" 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging f 1.50, slaan f 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men 24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze betaalde daarvan den dragers f 1 of meer en stortte het overige in de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching, waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd [27].

Wij willen dan eens den _Nieuwen Doelen_ binnentreden en ons naar dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje [28] reeds eenmaal zijn ingetreden. Het is de 24ste November van het jaar 1665, de tweede dag van den ditmaal gevierd wordenden maaltijd. Het is dit jaar een luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder; want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats van de f 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder dan 19 Dukatons (f 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft laten gereedmaken, welke hij naar den _Doelen_ heeft gezonden. "Door zijn kok?" hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein, zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27sten April als vendrig in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield, getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.

Maar keeren wij tot de zaal van den _Nieuwen Doelen_ terug, die sedert 1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de Casteleneye van _Holland_, welke vóór dien tijd tot dat doel werd ingericht. Ook heeft men in de _Hofbuurt_ voor ditmaal het gebruik afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen, die reeds vroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar de mannen onder het "drinken van toeback", die in looden potten aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje "malvezy ofte spaensen wijn" en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert tien uren den tijd hebben gesleten.

De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd met de kleuren van het Huis van _Oranje_. In het midden staat de tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden, speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;--hazen, konijnen en een reebout als wild;--kalkoenen, hoenders, duiven, als gevogelte;--zee- en riviervisch en vooral "oysters" [29], zoo versch als gebraden, als waterproduct;--gort, erwten en boonen, op verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten, druiven [30] en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als: "Spaens banquet," "ordinair banquet van appelen" en "taartenbanquet," "marsepeynen," "gestoffeerde poddings", "pasteyen", "eyerkoeken" en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche wijnen, voor "Spaensen" en "Rhijnschen" wijn, en die kroezen voor "Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs" bier. Om de tafel heen staan stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.

"Zijne Hoogheid toeft vandaag lang," begon de advocaat Moleschot, de aftredende deken van dat jaar. "Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen aan ons festijn."

"Voorzeker," zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. "Ik weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen."

"Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren," verzekerde Johan Houttuijn, een ander hoofdman.

"Waarom niet?" vraagde Middelgeest.

"Hij is geïndisposeerd geworden," antwoordde Houttuijn.

"Geïndisposeerd?" riep Henricus Hondius uit. "Het zal hem gisteren zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd hebben."

"De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent te houden," bracht Van Limborch in het midden. "Hij weet zeer goed, dat de _Hofbuurt_ verscheidene leden telt, die der Staatspartij zijn toegedaan."

"Meer toch nog den Prins," hernam Hondius. "Bij de meesten is het nog Oranjeboven."

"Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor den Oranjestam," hervatte Limborch. "Maar niemand, welke partij hij ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite grooter is dan die van eenig man in de Republiek."

"En dan die oorlog met Engeland?" vraagde Hondius.

"Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen schuld aan," antwoordde Limborch.

"Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!" maande een ander hoofdman, Lintelo van der Ehse aan. "Gij weet zeer goed, dat die onder goede buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient tot verbroedering."

"Gij hebt volkomen gelijk," verzekerde de deken. "Doch ik hoor het rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.--Wij zullen komen," vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond begaf hij zich met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De burgers en hunne dames stelden zich intusschen in een dubbele rij, die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde niet lang, of de hooge personage kwam met zijn gevolg binnen. Het was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen, dat hij nu nog bleeker zag in dat roode fluweelen wambuis, waarover een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden galons geboord, en welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen broek, boven de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt, daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met roode strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen met groen laken bekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten, namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand; want, behalve de plaats van den President of Deken, bestond er geene vooraanzitting hoegenaamd.

Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten, die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der vroolijke "sarabandes" of der sierlijke "courantes", dansen, uit het danslustige _Frankrijk_ overgebracht en toen algemeen in zwang.

Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven de tafel voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste en het tweede gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd met een dessert te besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die uit de looden "toebackspotten"; na 1679 gebruikten de dames dan hare "vrouwtjestoeback, geseyd thee" en na 1693 hare "caffée" of koffie.

Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en de Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij: Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus Hondius en anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen; maar deze, wel bemerkende welken weg zij op wilden, was begonnen te spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de jachthonden, die hij op het _Huis ten Bosch_ had en van welke hij een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken en de hoofdlieden bezig met het opnemen der stemmen voor een nieuwen deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór het dessert aan de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt.

Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid Prins Willem Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd.

"Ik twijfel er geenszins aan," vervolgde de deken, terwijl hij zich tot den Prins wendde, "of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming laten welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie der _Hofbuurt_ tot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de afstammeling is."

"Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot," antwoordde de Prins, terwijl hij van zijn zetel oprees, "ik ben gevoelig voor de eer, mij door mijne geaffectioneerde vrienden van de _Hofbuurt_ bewezen, en ik zie geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij komt door uwen mond. Ik neem dus de benoeming aan."

Een algemeen gejuich volgde op deze woorden.

"Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede vrienden," hernam de Prins, "en, daar wij het privilegie hebben, een stadhouder [31] te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook voor hedenavond mijne plaats te vervullen."

Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching.

Daarop nam Moleschot het woord.

"Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren," zeide hij, "en begin, met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken: de prosperiteit van onzen nieuwen President!"

Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den uitroep: "Leve de Prins van Oranje!" Te gelijker tijd hoorde men aan eene zijde der tafel het deuntje aanheffen:

"Al is ons Prinsje nog zoo klein, Alével zal hij stadhouder zijn."

waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan, betrokken.

De prins intusschen wenkte met de hand.

"Goede vrienden," zeide hij. "Ik dank U voor uwe singuliere affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft, gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen knaap aan het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man, die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit van het Vaderland. Ik verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die met mij te ledigen op het heil van Mijnheer de Witt."

"Goed gedaan, Willem," fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor, terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk met geestdrift te beantwoorden.

"En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!" riep Van Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring.

Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, Boreel, Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij elkander bleven en zich met verschillende spelen onledig hielden. Of zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen in andere buurten reeds in 1658 in rekening gebracht; in de _Hofbuurt_ echter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware hoofdpijn te bed.

Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. Hij trof Johan de Witt geheel gekleed.

Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, doch wiens gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne intrede opgestaan van den stoel, waarop hij gezeten had. Terwijl De Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar dien persoon, en zeide met al de hoffelijkheid, hem eigen:

"Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter [32] voor te stellen."

"Ha, Mijnheer de Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den ronden Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. "Het is mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde dat niet verwachten."

"Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn persoon heeft," antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden.

"Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen," hervatte de Prins. "Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het wel: wie goed dient, dient nooit genoeg."

"Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen," hernam De Ruyter, "moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt, hoop ik den lande nuttig te zijn."

"Braaf gesproken," hervatte de Prins. "O, mijnheer De Ruyter," voegde hij er met een nauw merkbaren zucht bij, "men moet zich wel gelukkig gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar," vervolgde hij, zich tot den Raadpensionaris wendende, "ik zou zoodoende de oorzake mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid gisteren op het buurtmaal. Men zeide mij, dat gij geïndisponeerd waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk is dus de indispositie geheel en al geweken."

"Uwe Hoogheid is wel goed," antwoordde de Raadpensionaris, "zooveel attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, haar te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het Binnenhof te gaan."

"Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de Prins. "Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den grond werken."

"Geen nood," hervatte De Witt glimlachend. "Ik heb een ijzersterk gestel."

"Gelukkig, wie dat heeft," zuchtte de Prins, hoestend. "Ik zou wel wenschen in uwe plaats te zijn."

"Hoe meent Uwe Hoogheid dat?" vraagde De Witt min of meer scherp.

"Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet zoo fatigueerde."

"En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?" vraagde de Raadpensionaris.

"Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is, zich amuseeren kan. Onze vrienden van de _Hofbuurt_ hebben mij wel tot hunnen President gelieven te benoemen."

"Dat weet ik," hervatte De Witt. "En ik ben Uwer Hoogheid grooten dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn heeft willen instellen."

"Uwe Edelheid weet dus reeds...."

"Ik weet," hernam De Witt met nadruk, "dat Uwe Hoogheid verstandiger is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land tot een tooneel van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij, Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet."

"Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden," zeide de Prins. "Haar tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?"

"Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt de vriend is van den Prins van _Oranje_.--Tot van middag, mijnheer De Ruyter," vervolgde hij tot den Luitenant-admiraal. "Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren."

"Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid vereischen, mijnheer de Raadpensionaris," gaf De Ruyter ten antwoord, "heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag."

"Adieu, mijnheer De Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den Luitenant-admiraal vriendelijk groette. "Ik hoop de eer te genieten, een bezoek van U te ontvangen."

"Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad met den Heer Sickinga," begon De Witt weder, toen zij in de karos zaten. "Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken in _Friesland_?"

"In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad," antwoordde de Prins. "De Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger nooit ontmoet."

"En hij vertelde U....?" zeide De Witt, terwijl hij den Prins met zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag.

"O, mijnheer de Raadpensionaris," gaf de Prins op onnoozelen toon ten antwoord, "hij vertelde mij zulke aardige stukken van zijne jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar het _Huis ten Bosch_, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de Raadpensionaris!"

De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van Zuijlestein, die naar het _Huis ten Bosch_ zou mederijden.

"Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!" bromde de Raadpensionaris tusschen de tanden. "Intusschen--hij is nu reeds in zijn zestiende jaar, en 't zal niet lang meer duren, of hij kan mij gevaarlijk worden. Daar is maar één middel om dat te verhoeden. Hij moet worden onttrokken aan de infidentie zijner partij en vooral aan die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij zullen daar eens rijpelijk en ernstig over denken."

Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw aan zijne vele besognes te gaan, en--aan zeven secretarissen tegelijk, zeven verschillende brieven te dicteeren.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.

Wij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op den 2den April 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op het _Binnenhof_, waar wij hem reeds eenmaal [33] hebben aangetroffen. Ik behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den hoogen schoorsteen een fiksch vuur van turf en hout was aangelegd, en dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard zaten tevens Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet, den vader van 's Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins verzocht, zich bij den haard te schikken.

"Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare gezondheid te vernemen," begon de grijsaard. "Ik vond het echter geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der reis hersteld had."

"Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, "voor Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten."

"Men heeft U te _Amsterdam_ luisterrijk ontvangen, naar ik hoor," hernam Heenvliet.

"Ik zal _Amsterdam_ roemen," gaf de Prins ten antwoord. "De vroedschap heeft een groot festijn te mijner eere aangericht."

"En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan," ging Heenvliet voort.

"Zoo, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, met het onnoozelste gezicht ter wereld. "Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts bezighielden met hun handel."

"En met de staatkunde," voegde Heenvliet er stekelig bij. "En hoe heeft Uwe Hoogheid het te _Rotterdam_ gehad?"

"Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst."

"Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak."

"Dat heb ik gemerkt," antwoordde de Prins weder heel onnoozel, "want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke oesterpartijen."

"Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet."

"O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te zijn. Toch zou ik niet graag hier in _Den Haag_ altijd zooveel volk om mijn karos zien."