De Prins En Johan De Witt Of Ons Land In Het Tweede Tijdperk De

Chapter 10

Chapter 103,220 wordsPublic domain

Van _Goeree_ stevende De Ruyter naar de rivier _Sierra Leona_, alwaar hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar de _Goudkust_, waar hij het kasteel _Witsen_ of _Tokkary_, door de Engelschen aan de W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naar _St.-George d'Elmina_, waar hij de Britsche vesting _Kormantijn_ aantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen in _Afrika_ van den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naar _Barbados_ in _Amerika_, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg hij bevel, om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het bericht gewerd, dat de oorlog tusschen _Engeland_ en de republiek was uitgebarsten, vond hij het ongeraden, het _Kanaal_ door te stevenen, zeilde dus achter _Ierland_ om en kreeg te _Bergen_ in _Noorwegen_ de tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op de onze behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij besloot dus niet in _Texel_ binnen te loopen, maar naar de _Eems_ te zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen toch loerden aan alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette hun echter de onzen te zien; daarenboven veranderde de wind ieder oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden; en zoo kwamen zij den zesden Augustus 1665 met negentien schepen, waaronder vijf prijzen, behouden in de _Eems_ en binnen de haven van _Delfzijl_ aan. "'t Is God alleen," riep de vrome Vice-admiraal uit, toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. "'t Is God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft.

TIENDE HOOFDSTUK.

Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.

Het wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan, en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande in dien tusschentijd.

Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder vrijgelaten, de tijding in _Engeland_ gebracht van hetgeen er op de kust van _Guinea_ gebeurd was, of de vloot des konings werd in zee gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden, zoowel in _Engeland_ als hier te lande, had men zich geducht ten oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de oorlogsverklaring, totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had toegebracht. Daartoe gaf hij last aan den _Engelschen_ Schout-bij-nacht Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was, te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op haar te wachten; want weldra, op den 29sten December, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van Brakel. Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te zijn van die vloot. Doch hij had buiten den waard gerekend; want niet alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen; maar ook de koopvaarders verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en Jan Poelofsz van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden in de diepte der zee zonk.

Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle Britsche schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker afwierp en ons den oorlog verklaarde.

Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid: rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg van het gemis van een enkel opperhoofd--een Admiraal-generaal. Wel hadden de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden Johan De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was men het niet eens. _Zeeland_ kon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegen _Zweden_ aan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken, en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, na Wassenaar, het tweede bevel op 's lands vloot te doen voeren. Daarop benoemde men in _Holland_ tot dezelfde waardigheid Kortenaar, De Ruyter en Meppel, en in _Friesland_ Auke Stellingwerf. Nog werden in _Holland_ Cornelis Tromp, Van Nes en Schram, en in _Zeeland_ Coenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee buitenslands zich bevonden. Waarlijk, mijne jonge lezers, het had veel van uw soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren bij vier, vijf of zes manschappen; want ieder wil gaarne officier zijn.

Den 23sten Mei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met 5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter beletteden onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder 's konings broeder, Jacobus [24], hertog van _York_ en Groot-admiraal des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning van _Bohemen_.

Den 13den Juni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven, had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld, en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het grootste deel der vloot behouden binnen _Texel_, waar de afgevaardigden der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd, zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was te _Petten_ in een visschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren, ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden) tot hij het binnen _Texel_ had gebracht. Jan Evertsen had met een tiental andere vaartuigen behouden de _Maas_ bereikt. Voor Wassenaar werd door de Staten in het koor der Groote kerk te 's-_Gravenhage_ en voor Kortenaar door de Admiraliteit van de _Maas_ in de Groote kerk te _Rotterdam_ een praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met eerloosheid en verbanning gestraft.

In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders dan onder 's Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen geen anker wilden winden dan in 's Prinsen naam.

Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men, na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel, onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens wegens _Gelderland_, Johan de Witt wegens _Holland_ en Boreel wegens _Zeeland_. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren in hun schik en de vloot lag gereed om uit te zeilen. Dit was juist op het tijdstip van De Ruyters terugkomst te _Delfzijl_. Gaan wij nu ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.

Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was Donderdag den 6den Augustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na hunne aankomst te _Delfzijl_. Het was heerlijk weder en de Augustuszon scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker in koesterden.

"Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel," begon Pieter. "Zoo'n akeligen kouden mist, en dan--men kon geen hand voor oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere ondiepte zouden stooten."

"Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er gevaar kunnen zijn," zeide Engel.

"Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man."

"Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij in _Afrika_ en _Amerika_ verricht hebben. Verder brieven aan de Heeren Raden der Admiraliteit te _Amsterdam_, aan de Heeren Staten van _Groningen_ en _Ommelanden_, en aan die van _Friesland_."

"Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten."

"Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het scheepsjournaal raadplegen," hernam Jonker Engel. "Kijk eens, Piet," vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. "Daar komt waarlijk reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap uitzetten."

"Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok," zeide Pieter. "Misschien wel een lid der Staten-Generaal."

"Kan het ook de Raadpensionaris wezen?" vraagde Jonker Engel. "Hij schijnt ten minste de hoogste van den troep."

"De Raadpensionaris?" riep Pieter lachende uit. "Neen, dien ken ik wel. Ik heb hem te 's-_Gravenhage_ menigmaal gezien. Die ziet er veel eenvoudiger uit."

"Waarschijnlijk is het dan de kommandant van _Delfzijl_," hervatte Jonker Engel.

En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay, bevelhebber van _Delfzijl_, die met eenig gezelschap aan De Ruyters boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.

"Nu komen zij vader nog storen," hervatte Jonker Engel, toen de heeren de kampanje binnen waren.

"Het is toch een teeken van groote belangstelling in den Vice-admiraal," vond Pieter.

"Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het lijken wel kooplieden en gegoede burgers."

"Daar is ook een boer bij," riep Pieter uit. "Zij komen regelrecht op ons schip af."

En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd, stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen, ja "menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den hals en kusten hem naar 's lands wijze, alsof ze hun vader of broeder, uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden."

Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.

De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht van _Amsterdam_, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te benoemen tot Luitenant-admiraal van _Holland_ en _West-Friesland_ en hem het opperbevel over de vloot, die te _Texel_ zeilreê lag, op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13den Augustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal te _Delfzijl_, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen aan, dat zij de schepen naar _Texel_ of het _Vlie_ moesten brengen, met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken, doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip "Louise", die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen naar _Texel_ op de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd, of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche krijgsgevangenen in _Engeland_ zeer slecht werden behandeld. Op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een sloep achterhaald, gevangengenomen, en te _Rotterdam_ opgehangen.

Het was op Vrijdag den 14den Augustus, dat de drie gevolmachtigden bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem geluk te wenschen met die benoeming.

"Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?" vraagde Pieter aan Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond.

"Daar twijfel ik niet aan," gaf Engel ten antwoord.

"Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien maanden."

"Dat kun je denken, Pieter," hernam Engel. "Maar dat weet je: waar plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen."

"En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal De Ruyter nooit achterlijk gebleven," voegde oom Klaas er bij. "Een braaf man en een trouwe kerel, uw vader."

"Dat is hij, Klaas Dirksz," zeide Jonker Engel, "en ik reken mij gelukkig zulk een vader te hebben."

"'t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naar _Texel_ gaat," hernam oom Klaas.

"Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman," hervatte Jonker Engel. "Als de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder, die wil, met vader kunnen meegaan."

"Dan ben ik een der eersten," riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat verhelderde. "Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of in den dood."

"En ik ga ook mee," zeide Pieter. "Ten minste als jij niet hier blijft, Engel."

"Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen zal vertrekken en mij achterlaten?"

"En zullen wij spoedig gaan?" vraagde Pieter.

"Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting van den scheepsraad zal wel niet lang duren."

Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne, Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild, later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen saluutschoten; te _Delfzijl_ waren al de soldaten ter eere van den Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met twee trekschuiten vertrokken zij naar _Groningen_ en van daar over _Dokkum_ naar _Leeuwarden_, _Franeker_ en _Harlingen_; terwijl zij den nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren, werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naar _Texel_, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen te _Texel_ had laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den ochtendstond van den 18den op de vloot, aan boord van het schip "de Liefde", waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.

Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen, of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over 's lands vloot opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo wederrechtelijk dat bevel ontnemen?--Terstond diende hij zijn ontslag in, ten minste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.

Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren worden. Maar hij antwoordde: "dat de behoudenis van zijn persoon en zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te voortvarenden te matigen."

En dat hij met hart en ziel het heil van 's Lands vloot zocht, dat had men op den 14den Augustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts met tien streken van het kompas [25] het gat van Texel kon uitvaren, maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had, met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan niet. Hij zelf ging aan het roer staan van "de Delfland", terwijl de Heer Van Haaren "Het huis te Swieten" voor zijne rekening nam. En zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog dienzelfden dag in zee.

De Ruyter bleef niet op het schip "de Liefde", maar begaf zich nog denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip "de Delfland", waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders, elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries.

Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren.

Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop van _Munster_, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en door _Engeland_ was opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter werd de vrede met hem den 18den April van het volgend jaar gesloten.

ELFDE HOOFDSTUK.

Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de Raadpensionaris daarover zeide.