De positie van Nederland

Part 2

Chapter 21,532 wordsPublic domain

Vraagt men nu, of ook thans een rijk naar de wereldheerschappij streeft, dan is er slechts één antwoord mogelijk, nl. dat in de 19e eeuw niet op het continent van Europa, maar op de uitgestrektheid van den Oceaan zulk een wereldrijk feitelijk reeds ontstond, dat zich noemt: ~The British Empire~. Sedert Trafalgar is de Engelsche vloot beheerscheresse der wereldzee geworden. Nu omvat het water echter niet minder dan 71.7 procent van de geheele oppervlakte der aarde, terwijl aan het vaste land van de vijf werelddeelen slechts 25.3 procent overblijft. En neemt men de bevolking van de aarde, dan vindt men, dat die in haar geheel in 't jaar 1900 1587 millioen beliep, en dat daarvan niet minder dan 425 millioen, verstrooid over de vijf werelddeelen, dus weinig minder dan ⅓, tot het Britsche wereldrijk behooren. Zulk een wereldrijk van zoodanigen omvang te land en ter zee heeft in vroeger eeuwen nooit bestaan.

En buiten Groot-Brittanje is er thans niet één staat in heel de wereld, die men met dit British Empire zou kunnen vergelijken. Rusland, China, of welk ander land men ook noeme, alles moet voor zulk een reuzenmacht te land en ter zee de vlag strijken. Reeds daarom komt het mij voor, dat de wensch naar verdere vergrooting van deze geweldige macht bij geen der kleine natiën kan opkomen. Tenslotte zouden ze bijna allen door deze wereldmacht worden opgeslokt. En daar komt nog bij, dat vooral Holland hier alles te vreezen heeft. Reeds zijn wij door de Engelsche wereldmacht teruggedrongen, en dit niet alleen als staat, maar ten deele ook in ons stamverband. Men heeft ons gedwongen, onze prachtige kolonie aan Kaap de Goede Hoop op te geven, en in den Boerenoorlog heeft men een poging gewaagd, ook onze nationale belangen aan de Kaap te vernietigen.

De heerschappij van Groot Brittanje's marine is in 't begin van deze eeuw zóó absoluut overwegend, dat, in geval van oorlog met Engeland, geen enkel oorlogsschip uit Holland naar onze koloniën zou kunnen gaan en weldra alle gemeenschap met Java zou zijn afgesneden. Sedert nu Engeland met Japan in verbond getreden is, mag zonder overdrijving gezegd worden, dat in het Oosten het gevaar voor de Nederlanden verdubbeld is. En staat de zaak zoo, wie zou dan in Holland nog wenschen, dat dit alles-beheerschende wereldrijk nog vergroot en in zijn kracht nogmaals aanmerkelijk versterkt zou worden!

Veeleer moet het ons toespreken, als het anderen Mogendheden gelukt, op den grooten Oceaan een tegenwicht tot stand te brengen en daardoor ook onze toekomst te verhelderen. Voor ons bewoog zich in Augustus 1914 de evenaar slechts tusschen Engeland en Duitschland.

Hoe heldhaftig ook Frankrijk den strijd nogmaals aangebonden heeft, ieder kenner van den toestand weet, dat Frankrijk in de 19e eeuw door de afneming zijner bevolking in zijn nationale energie veel te veel verzwakt is, dan dat het de rol, die het onder den eersten Napoleon speelde, ooit weder op zich zou kunnen nemen. Het is niet in staat geweest, de hooge positie uit zijn verleden te handhaven. Aan zichzelf overgelaten, zoude Frankrijk geen invloed meer buiten zijn grenzen kunnen uitoefenen. Met Rusland staat de zaak zoo, dat zijn bevolking ieder jaar met 3½ millioen toeneemt, en dat het, ingeval het in zijn moreele voortplantingskracht volhardt, reeds na een eeuw gansch Europa zou kunnen overweldigen. Thans lijdt het nog onder de onrijpheid zijner jeugd, maar wie kan zeggen, wat Europa van Rusland te duchten heeft, als de machtigste Slavische staat tot volle manlijke rijpheid zal gekomen zijn? Veel wonderschoons schuilt nog in dit volk, en de „~mir~” blijft een buitengemeen mooie dorpsinrichting. Alleen, het Slavische element poogt de Germaansche volken steeds meer terug te dringen. Ik mag daarom niet wenschen, dat dit voortdringen der Slaven in Europa te snel van stapel loope. En dan bergt Rusland in zijn schoot nog altijd geheel andere stammen en in zijn bodem schatten, en bovendien heeft het een overweldigend rijke natuur; waarbij dan nog komt, dat het overmachtige Azië, dat eeuwen lang als dood was, nu door Japan ten leven gewekt is, en ook in ons eigen Indie door den _Sarêkat Islâm_ een geheel nieuwe toekomst tegengaat.

Bij zulk een stand van zaken kan het voor Holland niet gewenscht zijn, dat de Centrale mogendheden, met wie wij verwant zijn, en wier lot ook ons lot beheerscht, ook maar een duimbreedte terug gedrongen worden. Natuurlijk zouden wij in hunne vernedering deelen. Als ik mij deswege bij het begin van den oorlog voor pro-Duitsch verklaarde, dan werd hiermede voor mij slechts dit ééne uitgesproken, dat een herhaalde stijging der Britsche wereldmacht mij voor den geheelen gang der wereldgeschiedenis uiterst bedenkelijk voorkwam, omdat Engelands wereldheerschappij dan nog hechter zou bevestigd worden en daardoor vooral voor Holland een verzwakking van de Centrale mogendheden en een belangrijke toename van Engelands macht te water en te land beteekenen zou; iets wat in den tegenwoordigen toestand voor ons kleine Holland met zijne rijke koloniën een misschien niet meer te keeren gevaar zou kunnen oproepen.

Holland behoort tot de neutralen en zal, natuurlijk, zoo 't maar eenigszins mogelijk is, tot aan het herstel van den vrede in zijn neutraliteit volharden. Aan onze regeering is aller dank verpand, dat zij onze positie in het Europeesche conflict zoo uitstekend begrepen en zoo talentvol verdedigd heeft. Nationale neutraliteit sluit echter geenszins uit, dat de bevolking hare stemming en sympathieën tot uiting brengt. Niemand heeft deze neutraliteit ergens zoo begrepen, dat persoonlijke partijkiezing contrabande ware, in Amerika niet en in Zwitserland niet. Ook ons in Holland moet daarom die vrijheid gegund blijven; en ook, als men het ons niet toestond, zouden wij het recht nemen, om met al wat in den oorlog geschiedt, mee te leven en voor het eindresultaat onze wenschen te koesteren. Men moet daarom goed begrijpen, dat ook mijne overtuiging, dat eene herhaalde vergrooting van de Britsche macht te water ons onheil zou kunnen brengen, in niets een krenking van onze politieke neutraliteit bedoelt. Alleen blijft het mijn zeer ernstige wensch, en is het mijn innigst gebed, dat, als de vrede terugkeert, onze positie in de wereld, zoowel in Europa als in Azië, niet achteruit gegaan zijn.

En vraagt men ten slotte, of de vredesbeweging ons geen hope biedt, dat met het eindigen van dezen oorlog eene ~Pax aeterna~ intreedt, dan belet reeds Christus' besliste uitspraak mij, dit voor mogelijk te houden. Voor de bestendigheid van den vrede heb ik steeds geijverd. Ik was voorzitter van de vredesbeweging, die zich in den Haag gevormd had. Ik blijf, voor en na, voor de vredesbeweging werkzaam. Carnegie is mij een vriend. En juist, omdat wij thans aan oorlogsgevaar zijn blootgesteld, kan nooit te sterk de neiging tot het pacifisme gevoed worden. Alleen, van alle bewapening te water en te land afzien en slechts het vredeslied uitjubelen, is geen praktische politiek. De verhoudingen op de wereld kunnen niet altijddurend zóó blijven, als zij op een gegeven oogenblik zijn. Het eene volk verliest, het andere volk wint, aan cultuur, aan levenskracht, aan hoogere bekwaamheid en macht.

Dit moest in 't praktische leven in wrijving en krachtsmeting overgaan. In Den Haag bezitten wij thans het Vredespaleis, en onder de hoogheid onzer Koningin houdt nu in Hare residentie het arbritage-hof zitting. Zoo is Holland vanzelf er op aangewezen, door zijne centrale positie in de vredesbeweging, den oorlog, waar hij dreigt, te verhoeden, en, wat voor alle volken de taak van iederen dag is, de duurzaamheid van den vrede na te jagen. Alleen, vroeger of later komt het toch weder tot een botsing. Dat weet iedere groote mogendheid, en daarom betaamt het ook ons, rekening te houden met datgene, wat de toekomst ons brengen kan.

Vredestoestanden zijn heerlijk, en ook Holland zal niet nalaten, ze te voorschijn te roepen en te bestendigen. Ook nu gaat de roep van mijn gansche vaderland daarnaar uit. Maar wij zijn een te oud volk, dan dat wij ons nog aan een gekunstelde illusie zouden mogen overgeven. En hoe klaar en helder ook van het vredesfirmament de zon ons bestralen moge, ook wij weten het, dat heldere zonneschijn heden, voor morgen de donkere wolkenmassa met den bliksemstraal uit het donker, niet buitensluit.

+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: het Nederlandsch kan instaan | | C: het Nederlandsch kan instaan. | | B: leven tot hun groot evictorie voerde, | | C: leven tot hun groote victorie voerde, | | B: van organist, enz In wetenschappelijke | | C: van organist, enz. In wetenschappelijke | | B: arrondissement, provincie, En ook in 't | | C: arrondissement, provincie. En ook in 't | | B: niet veel onmiddelijken invloed | | C: niet veel onmiddellijken invloed | | B: in Wezel. De vijanschap echter, | | C: in Wezel. De vijandschap echter, | | B: dien Frankrijk onder Lodelijk | | C: dien Frankrijk onder Lodewijk | | B: N B. Dit werk van Gibbon | | C: N.B. Dit werk van Gibbon | | B: Natuurlij zouden wij in hunne | | C: Natuurlijk zouden wij in hunne | | B: geens zins uit, dat de bevolking | | C: geenszins uit, dat de bevolking | | B: vrede heb ik steeds geijverd Ik was | | C: vrede heb ik steeds geijverd. Ik was | | B: iederen dag is, de duurzaamhe d van den | | C: iederen dag is, de duurzaamheid van den | | | +--------------------------------------------------------+

End of Project Gutenberg's De positie van Nederland, by Abraham Kuyper