De Pop van Elisabeth Gehrke

Chapter 3

Chapter 33,944 wordsPublic domain

"Ik zal ervan zwijgen als je doet wat ik zeg," zeit ze toen en loopt door.

En Krelis, ook niet mis, doet, om den veldwachter, of ie 't zelvers zoo prakkezeerde.

--Wat is dat hier mannen?--vraagt de veldwachter.

--Ze kenne niet meer, de stomme diere! Dat zie je toch?!--doet ie de dame na.

"Laatste loodjes wegen 't zwaarst!" zegt de veldwachter en het nog meegeholpen ook.

--As d'r hond d'r bij was geweest zou Krelis niet zoo'n groote bek hebbe opgezet. Hij zou je an de keel vliege as je d'r met een vinger aanraakte. 't Beest ligt 's nachts voor d'r bed, zeggen ze.

--Dat is maar goed ook. Zoo'n alleenig vrouwmensch!--vond de kasteleines. "Jans brengt d'r 's middags een happie van d'r eigen etenspot. Maar verder het ze geen bediening en doet alles zelf. En kraakhelder, hoor!

--Een mevrouw die zelf het werk doet, _is_ geen Mevrouw!--oordeelde, minachtend, het nichtje van de kasteleines, dat in de stad diende en ze vertelde bluffend van haar deftige meesteres. "Die dee niks zelf, hoor! Liet d'r corset anrijge door de kamenier. En altijd in 't zij; en je moest d'r zien met de mooie bontmantel en de "plereuse" op de hoed, as ze met d'r eene voet al op de treeplank van de auto, zoo losweg over d'r schouder den chauffeur een adres toewierp. Zij... most dan in de deur blijven staan, in d'r zwart japonnetje en 't witte mutsje met de lange slippen, tot de auto wegreed.... Dat vond ze fijn. Dâ's Mevrouw-zijn! Maar een die zelf voor dienstbode speelt.... Ajakkes!

--Kind, je kletst as 'n kip zonder kop. Al ken 'k niet anders zeggen, als dat mevrouwe die zich laten bedienen.... voordeeliger zijn.

Maar die pop waar Gerrit het over had, dat is niet zoo mal als het lijkt. Jans van den boer zegt: da's een fraaiïgheid die ze van de reis heeft meegebracht. Da's geen popke om mee te spelen, dat is zooveel as 'n ornement op je kassie, of voor je mooie kamer. Enne, als je altijd in je alleenigheid bent, ga je in je eigen praten.

--Nou maar, ik zeg: een volwassen mens die zoo raar met 'n pop omhaspelt, is d'r eene voor 't zothuis en daar komt ongeluk van. Sukke rare pertrette moste ze niet vrij laten rondloopen. Je kos nooit weten wat ze verzinnen in een dolle bui!--beweerde een boerenknecht.

--Man hou op! Zotteklets!--riep een tuinman, die tot nu toe, pijppuffend, het gesprek filosofisch had aangehoord. "Ik ken d'r beter dan jelie allemaal, 'k Ga met d'r over de blomme. Ze is net zoo best bij d'r verstand as jij en ik; alleen schuw voor vreemden en je mot oppassen dat je met je pooten van d'r beesten afblijft. Ze is achterdochtig, bang voor kwaadwilligheid. Jans van den boer zegt, ze is vroeger heel anders geweest. Toen vertrouwde ze de menschen teveel en is d'r aldoor ingeloopen. En nou is ze omgekeerd as 'n blad op 'n boom. En dat ze soms wat vreemd is... daaraan het de oorlog schuld. Dáár mot je liever niet over beginnen. Maar al het andere is zotteklets! Dat je 't maar weet!--

3.

Elizabeth had het boek uitgelezen en klapte het dicht. Dan stond ze op, liep 't huis om en ging naar binnen. De hond Juno, volgde haar op de hielen. Hij had genoeg van 't zonnig plekje bij den drempel en liep loom achter haar aan. Binnen plofte hij neer in de koelte der kamer, moe van zijn zonnebad.

De kat had alleen even door een spleet van zijn groene oogen gegluurd en sliep dan weer door.

* * * * *

Binnen in de kamer, op het evenals deur en zolderbalken botergeel geverfde boekenrek, dat den geheelen wand innam, zat Pierrot. Achteloos bevallig leunde hij met hoofd en rug tegen den muur; het eene been strak vooruitgestrekt op de bovenste plank, waarop de groene gemberpot stond met Oost-Indische kers; het andere slap neerhangend langs het rek. Aan een lint om den linkerschouder hing de guitaar; de rechterhand met het bloementuiltje rustte mat op zijn knie.

De schoon aangevoelde kleuren van zijn kleedij pasten zich wondermooi aan bij de kamertinten van zonnig geel en dieppaars. Sterk teekende het somber donker van zijn omhulling zich af tegen 't gele houtwerk."

* * * * *

Zoodra Elizabeth de kamer binnentrad, bleef haar blik op hem rusten en toen ze nu neerzat op de rustbank óver hem en opnieuw het boek opensloeg bij de bladzijden waarin zij een vouw had gelegd, vroeg ze zich af--telkens het herlezene met hem vergelijkend--op wien van de hier beschreven Pierrots hij nu wel 't meest geleek. Heelemaal zooals hij, had ze er in dit boek geen ontmoet.

Toch had de lectuur haar veel geleerd; allereerst over masker en pantomime, waarvan, zooals het heette: "la Grèce nous ayant donné le vocable..., Rome nous a donné la chose." En ook over den eersten "Piero" uit den troep der Italiaansche Zanni, die onder Ganassa in de 16e eeuw voor 't eerst naar Frankrijk kwamen en zich Gelosi noemden, "jaloux de plaire",--hetgeen ze dadelijk den Parijzenaar deden--had ze veel belangwekkends gelezen. Zóó werd Molière getroffen door de verschijning van Pierrot, dat hij in zijn Donjuan, dezen naam gaf aan den minnaar van Charlotte.

Veel vond ze ook over het algemeen type, in dit boek dat een verzameling was van fragmenten, losse, onuitgegeven bladzijden en persoonlijke herinneringen en indrukken van.... "des délicats enfiévrés de rêve" en dus door Pierrot bekoord. Maar het geheim van de Venetiaansche pop werd hierdoor niet geopenbaard.

Op een schrijven naar het oude paleis waar ze hem kocht, antwoordde men, dat er een tusschenpersoon bestond, die de bestellingen aannam en afleverde, daar de maker of ontwerper blijkbaar onbekend wilde blijven. De leegte in de vitrine, ontstaan door de verkochte pop, was met de copie aangevuld; maar kwam het door andere kleurcombinatie..., hoe trouw ook nagevolgd, 't werd niet meer wat het origineel was geweest. Er ontbrak iets.

--Geen wonder. Copie van bezieling! Zooiets moois maak je maar éénmaal--begreep Elizabeth.

Maar des te gretiger zocht ze nu naar al wat met de Pierrot-figuur samenhing. En dit bleek niet gering; want bijna elk artiest, schilder, dichter of musicus, onderging de bekoring van dit bleek, geheimzinnig gezicht, waarin alleen de oogen leefden, de gevoelige mimiek en het levende vibreerende gebaar, alles uitdrukken zonder woorden; het sprakeloos-welsprekende, dat deed ontroeren, schaterlachen of huiveren.

De beschrijvingen van zijn verschijning liepen ver uitéén. Iedereen zag in deze "vlinder van de verbeelding" weer iets anders. Alleen voor Rivière's Pierrot-opvatting kon Liesbeth niets gevoelen. Hij zag in hem de incarnatie van den duivel in de wereld. Niet de Pierrot in het traditioneel costuum, maar een bleeke man met donkere oogen; groot, welgebouwd, met een hart van brons en stalen spieren; een die, levend in de maatschappij, waar hij over een enorme macht beschikt, "ferait toujours le mal, impassible et souriant."

Nee, dan voelde ze meer voor de geestige typeering van den aan Pierrot gepaarden harlekijn: "un vieux beau, qui passe sa soiree au cercle, sa journée a la bourse; qui a l'oeil encore vif, la jambe encore leste et qui dissimule ses rhumatismes et non ses vices...."

"Je moest een Franschman zijn om 't zóó te kunnen zeggen!" dacht Liesbeth bekoord en het boek doorbladerend, liet ze de vele Pierrots waarvan het verhaalde, aan haar verbeelding voorbijgaan:

Pierrot blanc--in wien zij zag een tot wezen geworden manestraal. Pierrot noir; voor haar het niet te ontwijken noodlot; Pierrot gaie, triste ou tragique; rusé, dupe ou victime.... mais avéc quelquefois des revanches....

Maar 't langst bleef ze nadroomen over dien eenen, droeven nar, die toen hij jong en vroolijk was, met zijn grappige mimiek Parijs veroverde, dat hem omtroetelde en toejuichte, maar hem aan zijn lot overlaat, wanneer hij ontgoocheld en doodelijk gewond, niet meer lachen kan. Onder 't kille licht van een lantaarn--zijn "cierge d'agonie"--ligt hij te zieltogen, terwijl door de straten de processie voorbijgaat van het gouden kalf, eenige godheid van dezen tijd, rondgedragen op het satijn van courtisanen-schouders. Maar Pierrot sterft als alles waarin hij heeft geloofd, als alles wat hij heeft lief gehad."

"Was dit soms de geschiedenis van háár pathetische pop? Voor wie zou dit smartelijk masker, de bevrijding van een niet langer te dragen obsessie zijn geweest?" peinsde Elizabeth.

Altijd weer spon haar verbeelding een nieuw weefsel om dit bleeke, fascineerende hoofd. Trouwens...., hoe vélen werden getroffen door dit geheimzinnig wezen, met de éene uitdrukking als een verheven verstarring, zoo sterk erin vastgelegd? En hoe leende zich zijn suggestieve figuur, voor verdichtsel en anecdote!"

Zoo herinnerde ze zich een geestig verhaal over Gustave Debureau--een der beroemde Pierrot-figuren, lieveling van de Parijzenaars,--die overdag nooit lachte, zelfs niet glimlachte, om toch maar niets uit te geven van zijn vroolijkheid voor 's avonds, wanneer zijn grappen met goud werden betaald. Die, een dag nadat de "ville de lumière" hem een frénétieke ovatie bracht.... stierf, zonder dat hem iets anders kon worden verweten dan een onverklaarbare afkeer voor den nachtegaal.

En niet alleen het groote publiek en de artiest, ook bekende persoonlijkheden onder filosofen en vorsten, hadden zijn gratie en geestige, soms lugubere grappen, zijn tragisch masker en subtiel gebarenspel lief.

Toen Rome, door hongersnood bedreigd, alle vreemdelingen buiten zijn muren dreef...., werd voor de pantomimen een uitzondering gemaakt; en de Romeinsche, cynische filosoof Demetrius, riep na een voorstelling van maskers en mimieker uit: "O bewonderingswaardige menschen, die met de handen schijnt te spreken! Het is geen tooneelspel, dat ik heb aanschouwd, het is het ding zelf!"

Eeuwen later, toen Napoleon op den langen weg van Parijs naar St. Cloud den beroemden Pierrot zich zag haasten naar zijn troep, die hem naar het kermisterrein was voorgegaan,... liet de keizer zijn rijtuig stilhouden, opende het portier en deed den moeden wandelaar naast zich neerzitten. Zooals Bonaparte ook eens een kanten écharpe nam van het corsage eener prinses van geboorte, om met eigen handen de kanten doek om de schouders te werpen van Mad^m Sagui, bezweet van vermoeienis en inspanning na een harer gevaarlijkste toeren.

Zoo had Pierrot overal de harten gegrepen. Ook door de kunst van zijn zwijgen. Hoe had zij zelf dikwijls ademloos van spanning zijn stilten beluisterd, plotseling gebroken en opgelost door een simpel of pathétisch gebaar. Want ook van de schoonheid van het gebaar, bezat hij als geen ander het geheim. "Le geste, le grand geste éloquent et splendide."

Hier werd Elizabeth in het memoriseeren gestoord door den hond, die recht vóór haar ging zitten, eerst de eene, dan de andere voorpoot op haar knie duwde en haar daarbij aldoor smeekend aanzag, een dringende vraag in de oogen.

--Ja Juun, ook jouw gebaar heeft geen woorden noodig--lachte zij.

"Je akkertje òm, hè? 't Is je tijd, beest! Kom dan maar!"

Zoodra Liesbeth het boek neerlei, sprong de hond onstuimig tegen haar op, plofte met beide voorpooten tegen haar schouders en trachtte, uitzinnig van blijdschap, haar gezicht te likken.

--Koest Juun, koest!--weerde ze streng. Nadat ze dan het raam en de voordeur had gesloten en buiten trad, werd het tusschen hen een stoeien in aanval en afweren over 't grasveld tot aan de heg, waar, eenmaal op den weg bij de open velden gekomen, hij uitbundig-blaffend vooruitstoof, in zijn vreugdevaart een zwerm vogels verschrikkend, die klapwiekend opvlogen uit de versche voren van een voor 't winterkoren omgeploegden akker.

Maar even later, uitgeloopen, kwam hij hijgend terug, de roode natte tong uit den bek. Dan wreef hij zijn kop tegen haar aan of duwde zijn vochtige snoet in de palm van haar hand.

"O, de liefde en gehechtheid van een lief dier...! 't Is iets kostbaars en 't kwetst je nooit in je teederheid.... zooals de menschen 't zoo dikwijls doen die je zuiverst bedoelen bezoedelen. Als je eenmaal door den leugenachtigen omgang van de menschen-onder-elkaar had heengekeken.... en een te rechten rug had om al maar weer te bukken, te buigen.... en vooràl.... als je je niet van binnen verharden kon voor hun grofheid...., dan hield je 't op den duur in de samenleving niet uit. Je trok je terug en vluchtte de stilte in, zooals zij had gedaan, wèg van laster en intrige die, als je eigen leven er al vrij van bleef, dat van je vrienden vergalde of havende. Hier was ze veilig met haar liefste bezittingen. Hier, aan 't gulle hart van de natuur, was ze genezen van veel wat vroeger onheelbaar scheen. Ze werd weer gelukkig, voor zoover dat zonder Heinz mogelijk was. En hoeveel dragelijker was ook het gemis van hem..., hier, in zelfgekozen eenzaamheid, dan vroeger onder de menschen, die ze elkaar zulke lage, wreede dingen zag aandoen, dat ze eindigde met bijna niemand meer te durven vertrouwen. Hoe werd in de vijandige wereld die ze had verlaten, het fijne vertreden, het spontane hartsgebaar gehoond. Het sluwe en hardvochtige alleen zegevierde. Of zag ze niet ver genoeg?

Maar zóó leed ze onder den geest die de menschen in en na den oorlog beheerschte, dat het haar de afzondering had ingedreven, waar geen nijd en hebzucht loerde...., en geen afgunst....

Stil...., ze mocht nooit vergeten hoe zij zelf, die tot haar dertigste jaar dit gevoel alleen bij naam kende en nooit een ander iets had misgund wat ze zelf niet bezat, toch óók onverwacht door dit minderwaardige werd overvallen. Ze woonde 't eens bij, hoe tactloos wreed een vrouw haar moeder-weelde uitstalde voor een eenzame, kinderlooze. Het oude verwelkte meisje, had ze zien krimpen van pijn. Met verknepen lippen had ze zich van deze pralende Niobe afgewend.

Datzelfde voelde zìj..., toen die éene vrouw met tartend vertoon haar huwelijksgeluk uitstalde in het eerste jaar na Heinz' dood.

O, niemand behoefde ooit zijn geluk voor haar te verbergen. Dat was het niet wat bezeerde! Maar deze vrouw, van wie ze wist dat ze Heinz tot in hun verloving aanhaalde indertijd, deed het uitdagend, met duidelijke bedoeling te kwetsen. Hiertegen was ze in die ontredderde dagen niet bestand geweest. Ze was jaloers, afgunstig geworden. Wel zonder wraakgedachten, maar toch.... een vergift werd het in haar bloed, een kanker, die alles wat van nature zacht in haar was, verhardde. Toen hadden niet ànderen haar in haar verwachting teleurgesteld, maar zichzelve was ze een ontgoocheling geweest. Treurig dacht ze, hoe Heinz, als hij haar ooit zoo had gekend, niet van haar zou hebben gehouden misschien. En dit, meer dan iets anders, deed haar de wrange verbittering bevechten en overwinnen.

Maar dit wist ze nu, na de beschamende maanden: nijd...., nijd is een vuil, een zielsverzwammend gevoel, dat alle goedheid aanvreet en van je vriend een vijand maakt.

* * * * *

Juun rook wild. Huiljuichend stortte hij zich in 't kreupelhout. Nu was ze hem vooreerst kwijt, totdat hij hijgend, achter adem, met trillende, ingevallen flanken thuis zou komen en voor haar voeten neervallen. Soms had hij den verboden buit in den bek.

Elizabeth liep nu verder alleen door de roode najaarspraal. Ze genoot van den helderen herfstdag; van den geur van het loof en van de tintelende atmosfeer. De paden in de diepe najaarslanen, waren bevloerd met een tapijt van bloedroode beukenblâren en verder op, aan beide zijden van den zandweg, stonden de Amerikaansche eiken in herfstgloed, als ontstoken toortsen.

Toch, ondanks het genot dat de wandeling gaf, was ze blij dicht bij huis te zijn. Na het incident met den halfdronken paardenbeul, durfde ze zich niet ver van huis wagen zonder den hond. En ze dacht hoe, wanneer die ruwe kerel z'n driftige bedreiging eens zou hebben volvoerd, het tenminste de moeite waard zou zijn geweest, een slag op te vangen voor zoo'n edel dier.

Ingeboren adeldom bij de menschen? Ze lachte schamper.--"Nee, dat vond ze meer bij de beesten; en vooral bij het paard. Eigenlijk was ze altijd, van kind-af, geschokt geweest door 't paardenleed. Misschien omdat het zoo geduldig en geluidloos was.

Terwijl ze nu verderliep kwam een herinnering in haar op uit den tijd in Freiburg: Achter hun huis een drassig bouwterrein en daarop in druipenden regen, voor een half-uitgeladen kar, een heel oud, triest paard; den kop laag naar den grond, de oogen in zoo duldeloos rampzalig staren...., dat het haar de keel toekneep van ontroering.

Haastig greep ze een homp brood uit den trommel en holde de waranda-trap af, den tuin in, het poortje door. Dan stond ze op 't veld. Het lag leeg. De arbeiders schoftten. Er was alleen, voor de kar, het verlaten paard, onbedekt in noodweer. De regen gudste over hem neer.

Ze was op hem toegeloopen, mompelde troetelwoordjes, terwijl ze hem brood voerde; liefkoosde met streelende handen z'n ouden, pezigen hals, zijn knobbelig voorhoofd. Er was gelukkig niemand die haar kon begluren en uitlachen. En zooals dat paard haar toen had aangezien..., nàgekeken....

... Het was daarna een dagelijksche vreugd gebleven naar hem toe te sluipen, zoodra de werklui weg waren. En dikwijls wanneer ze 's middags de stad in moest en voorbijging aan het veld waarbij het stond, zag ze hoe het dier haar nadering voelde. Dan hief het den kop, bewoog de ooren, in luistering naar haar stem,... die ze dan dempte tot een fluistering; om de steensjouwers die er bezig waren. Dan prevelde ze in 't voorbijgaan gauw iets liefs, dat z'n eenzaamheid omstreelde.

O, het verstond wat ze zei; het was een geheime samenspraak tusschen hen beiden. En als ze dan dacht hoe het uitsterven van't paard wordt voorspeld! Nu óók weer in Carel Scharten's "Bloedkoralen Doekspeld." Ze hoopte dat het nooit zoover zou komen. Moest de wereld dan àl maar nuchterder en leelijker worden? Al het mooie eruit weg, omdat het met de machine vlugger gaat? Zou, in de lawaaiende wereld, op den duur de motor met zijn benzine-stank en rumoer alles overheerschen, er nergens meer stilte, schoonheid zijn en geur? De dagen van de trekschuit schenen haar een paradijs, vergeleken bij dezen tijd van vaart-razernij."

* * * * *

Elizabeth sloeg nu den hoek om en liep het mulle zandpad op naar haar woning. Hoe dichter ze deze naderde, hoe sneller ze begon te loopen, als voortgedreven door onbekenden dwang.

Ze lachte er zelf om. "Waarom zich haasten? Niemand wachtte. Vond Jans haar uit, dan zette zij de pan met eten wel bij de voordeur neer."

Bij de heg zat het katje naar haar terugkeer uit te zien. Zoodra 't haar zag aankomen, liep het miauwend op haar toe; den staart rechtop als een vreugdevaan.

Ze bukte zich, nam 't poesje op dat spinnend het kopje tegen haar kin opstootte en wilde het juist aanhalen met luider woord..., toen ze inhield, bruusk 't katje neerzette en verbaasd naar haar huisje staarde, waar ze een vreemde vrouw zag. Naderbij komend herkende ze aan den Schwarzwälder dracht van het gebloemde japonnetje, een der oudere, ondervoede Duitsche meisjes, kortgeleden bij een rijken boer ingekwartierd. De pan met eten, in blauw-geruiten boeredoek geknoopt, had ze bij de gesloten deur neergezet. Nu liep ze op het raam toe, ging er op de teenen staan en terwijl ze, om het licht af te weren, beide handen drukte ter weerszij van het met blonde vlechten omwonden hoofd, duwde ze het gezicht tot vlak op de ruiten en tuurde de kamer in.

Maar plotseling, als had ze daarbinnen iets ontzettends ontdekt, wierp ze zich met een ruk achterover, en gillend: "der tote Beppo!" nam ze, een hand voor de oogen geslagen, de vlucht, in haar vaart tegen Elizabeth opbotsend, die onhoorbaar over 't gras genaderd was.

--Aber Mädel...., Mädel, was ist denn?--

--Da drinnen! Der tote Beppo mit 'm Sträuszlein!--herhaalde 't meisje ontdaan.

In het van ondervoeding grauwe gezicht, stonden de met diepe wallen blauw-omkringde oogen, opengesperd van ontzetting.

Elizabeth, die uit den angstigen uitroep begreep, dat ze moest zijn geschrokken van Pierrot's macaber-wit gezicht, zeker in verband gebracht met iets noodlottigs uit het eigen leven, stelde gerust: "het was niets; niets dan een pop waarvan ze waarschijnlijk zoo geschrokken was."

-Het was of hij leefde...!

-Een Italiaansche pop--vervolgde Liesbeth met sussende stem, terwijl zij, een arm om den schouder van 't bevende meisje geslagen, haar meevoerde naar 't zonnig hoekje bij 't veld van zonnebloemen en haar daar met zachten dwang deed neerzitten in een rieten leunstoel.

--Italiaansch?--

Dadelijk reageerde ze op dit woord: "Beppo was óók Italiaan, al had hij een Duitsche moeder. En precies als die ---- daarbinnen,"--schichtig wees ze achter zich naar het raam om den hoek--had hij eruit gezien toen hij dood op de steenen lag van hun hof. Alleen niet zoo vreemd gekleed. Ach, God nee! Bloot waren z'n voeten .... en z'n borst.... Hij had niets aan dan "sein Hösele," en in zijn hand hield hij de bloemen!" stamelde 't meisje en barstte in tranen uit.

Aan de hevigheid van 't huilen begreep Liesbeth, dat dit de uiting was van een te lang opgekropte wanhoop; van een lang gesloten bron de eindelijke openstorting.

Achter haar stoel staande, liet ze 't meisje stil uitschreien. Zacht streelde haar hand over 't volle, glanzend blonde haar.

"Entschüldigen Sie, gnädige Frau,... dasz ich so.... Aber das macht der Schrecken,"

Telkens, tusschen 't snikken door, viel een woord ter opheldering.

Als ze dan langzamerhand bedaarde, moedigde Liesbeth aan:

"Zou ze nu in staat zijn zich eens heelemaal uit te spreken? 't Zou haar zeker goed doen. Zij.... kende haar volk heel goed. Haar man, die in den vreeselijken oorlog sneuvelde, was ook uit het Schwarzwald, net als zij.

O--wist ze dat al van Jans?"

"Ja, die had haar met het eten gestuurd en gezegd dat, als de deur gesloten was, ze gerust door 't raam naar binnen mocht kijken; naar de Schwarzwalder klok en naar de pop, waarvan ze in het dorp had hooren spreken; en naar de Duitsche boeken, waarvan Jans zei dat ze er misschien wel eens een zou mogen leenen...?"

En Liesbeth beloofde: "natuurlijk mocht dat. Straks moest ze er zelf maar een uitzoeken binnen."

Maar dadelijk kwam de nerveuse angst terug: "nee, bitte, niet daarbinnen bij de griezelige pop," weerde ze met bange oogen.

"Pierrot werd dan eerst in de kast opgesloten," stelde Liesbeth gerust, maar drong dan aan: "nu moest ze eerst eens vertellen aan wat, aan wie de pop haar herinnerde, dat ze er zóó van was geschrokken.

--Ja, ze schrok wel erg gauw sinds dien vreeselijken nacht!--bekende zij. Dan stamelend, kwam in brokstukken de trieste geschiedenis:

"'t Gebeurde jaren geleden. Ze was pas zeventien; Beppo twintig. Ze was z'n meisje. Z'n vader was een Italiaan, z'n moeder een Zuid-Duitsche. Ze woonden sinds eenige jaren in het kleine stadje. Beppo was anders dan de andere jongens. Fijner. Hij zong bij de guitaar. Hij had een mooie stem en zong wel liedjes waarbij hij zelf de woorden maakte.

Een professor, die eens 'n zomer bij z'n ouders in pension was, las verzen van hem. "Nicht übel, nicht übel!" had hij gezegd en hij beloofde te probeeren een studiebeurs voor hem te krijgen.

Toen brak de oorlog uit....

Ze gingen allemaal, de jongens. Aan de bajonet een bosje bloemen. Haar tuin had ze voor hen geplunderd. Ze sméékten om een ruikertje, wanneer ze aan haar tuintje voorbij gingen.

Toen, na een tijd, kwam bij al de vijanden ook nog Italië. Toen begon de ellende!"

Het meisje zweeg en haalde diep adem, als om den moed tot verdergaan te vinden. Dan vervolgde ze:

"Tusschen Beppo's vader en moeder was altijd alles goed geweest, maar nu speelden zich hevige tooneelen af tusschen deze twee. Ieder koos partij voor z'n eigen land. Beppo's vader werd opgeroepen en ging dadelijk terug naar Italië. De moeder bleef achter met den zoon. Maar dit kon zoo niet blijven. Wanneer hij zich niet liet inlijven bij 't Duitsche leger, werd hij om zijn Italiaanschen vader 't land uitgezet of gevangen genomen.