De Pop van Elisabeth Gehrke

Chapter 2

Chapter 23,942 wordsPublic domain

De kleur van het pak was van een donkerglanzend, somber purper-paars, bezet met enorme zwarte pompons. De bevallige voet stak in een sierlijk zwart-satijnen muiltje, met tulle roosjes op de wreef. In den linkerarm rustte een met veelkleurige linten versierde guitaar, waarop een rood hart met zwart, spits dolkje was afgebeeld; de rechterhand omvatte mat, als vermoeid van lang en vergeefs reiken, een bont ruikertje. Volkomen verslagenheid drukte geheel de houding uit van den moedeloos neerhangenden arm..., van de droeve hand om de bloemen: versmaad liefde-gebaar.

* * * * *

Elizabeth staarde.... en staarde naar dit fantoom van navrante smart; naar de gesloten lippen die tóch haar hadden geroepen; naar de neergeslagen oogen die, hoewel ze niets van Pierrot's aanwezigheid wist..., haar tóch hadden aangezien.

O dit was niet de dwaze inbeelding van een overspannen vrouw! Zij vond dit niet bovennatuurlijk of ongerijmd; zij wist het levende wezen der doode dingen aan te voelen en te doorgronden en dit steeds meer, naarmate ze zich teleurgesteld van de menschen had afgewend.

Had hier verwante smart zoo luid en overtuigend gesproken? Ze voelde een wonderlijke saamhoorigheid met dit hooghartige, in zwijgen gehulde leed en ze besefte hoe ze zich in deze korte oogenblikken al had gehecht aan den fascineerenden Pierrot; er niet aan kon denken hem hier achter te laten, alleen tusschen de vele poppen die om hem heen schenen gegroepeerd als bespotters van zijn eenzaam verdriet.

Ze wilde hem bezitten, hem bevrijden uit zijn glazen gevangenis, uit de poppenkast.

Zij wenkte het meisje dat bij de zaal-ingang de entree-kaarten verkocht.

--Combien Mademoiselle?--

--Cent lire, Madame!--Il est mignon n'est ce pas?

--Plus que mignon. Il est sublime.--

En toen het meisje, na de pop uit de vitrine te hebben genomen, het adres vroeg:--Mais non, je l'emporterai moi-même.--

* * * * *

Voor de eerste maal duurde een gondelvaart haar te lang. Tezeer was zij vervuld van de wonderbare ontmoeting met de vreemde pop.

Afwezig luisterde zij naar wat de gondelier praatte, die, gewend aan haar altijd open aandacht, haar nu met verwondering aanzag, maar niettemin bij 't uitstijgen aan de treden van het Hôtel, bij de handreiking een welluidend: "Addio, gentile donna!" voegde.

In de koel-schemerende hall, waar zij wachtte op de lift die juist naar boven steeg, zag ze hoe in de open vorstelijke zaal met de vele verspreide tafels en diepe club-fauteuils werd "gestept". En zij ergerde zich aan den wansmaak van menschen, die, wààr zij ook komen, altijd en overal hetzelfde genot zoeken en hun geraffineerde "glissés" uitvoeren, zonder eenige piëteit voor een omgeving van klassieke schoonheid. Ze zouden in staat zijn te dansen bij het goddelijk beeld van een stervenden Adonis.

En meteen dacht Elizabeth hoe zij zelf in dit oogenblik een stervenden Adonis in haar armen hield.

De lift daalde; de liftboy wierp 't ijzeren hek open, de inzittenden traden naar buiten, maakten plaats voor Elizabeth en voor een spichtige, dorre Engelsche juffrouw met een keffend schoothondje. Langzaam steeg ze uit boven het stemgegons en de sleepende tango-wijs, die 't strijkje nu te spelen begon.

Op de bovenste verdieping, in het oude gedeelte waar ook indertijd George Sand met de Musset logeerde--al kon niemand aanwijzen wààr--liep ze haastig de lange gang met de vele genummerde deuren af, ontsloot haar kamer, draaide den sleutel in 't slot, wierp parasol en hoed haastig op 't met een sprei bedekte bed en wikkelde met nerveus-vlugge vingers Pierrot uit het vloei los.

Ze zette hem dan voor zich neer op de smalle toilettafel; zijn ranke rug, in 't wijde pak, leunend tegen den spiegel; het ééne been achteloos-slapneerhangend bij de tafel; het andere met het bevallig voetje uitgestrekt op het blad.

Nu kon ze hem bekijken, betasten, van hem genieten; nu was ze met dit boeiend-geheimzinnige alleen.

Langen tijd zat ze stil verzonken in aanschouwing van dit meesterlijk in beeld gebrachte leed, ver en waardig weggewend van alle menschen, in ontwijking van vernederend meelij; leed.... toegesloten voor ongeroepen nadering...., want onheelbaar en heilig.

"Wie zou dit kunstwerk, dat uit inspiratie-door-leed moest zijn ontstaan, hebben gemaakt? Op de glazen vitrine had ze geen naam gelezen. Dom, onnoozel dat ze daar niet dadelijk naar had gevraagd!"

En ze nam zich voor, vanuit Holland te informeeren. Er kon van alles achter zitten. Een geheim omhulde dit bewogen-onbeweeglijke.

Telkens ontdekte ze nu nieuwe details die haar eerst waren ontgaan. Zoo bemerkte ze een tâche de beauté op de linkerwang, vlak bij 't ontgoocheld-neerstarend oog; een klein donker moesje in 't bleek gezicht; in schrijnend contrast met het tragisch masker. En toen ze langer naar dat éene pikante stipje keek, dat zoo pijnlijk coquet aandeed in het witte wanhoopsgezicht.... en dat er misschien wel neuriënd werd aangebracht bij 't begin van 't feest...., schoten haar de tranen in de oogen om dit ongeweten leed.

En daar alleen in nuchtere hôtelkamer, waar door 't opengeschoven raam, hoog boven het grachtje, af en toe de waarschuwende roep van een gondelier en het gerinkel van vaatwerk uit de keukens beneden opklonk...., boog Elizabeth het hoofd aan dit smartelijk wezen; en als bang om zijn hooghartig verdriet te kwetsen, of zich te zien afgewezen...., omvatte zij met teederen schroom de moedelooze bleeke hand met het kleurige.... vergeefsche bloementuiltje.

"Ach" zei ze in fluistering: "ik weet het ook; alle begin is feestelijk en het eind van alles is verdriet. Het leven is soms een hartelooze vertooning...., een lugubere grap,.... Pierrot!"

3.

In dien nacht verliet Elizabeth Venetië en deze laatste gondelvaart door de oude, slapende stad, bleef een der diepste indrukken van de Italiaansche weken.

Om vijf uur stond ze in de imposante, nachtelijke hall, waar schaars een enkele schemerlamp brandde. Nog nooit had zij de vorstelijke entrée van het paleis zoo schoon gezien van lijn, van kleur en van stemming als nu: menschenleeg en in dit luttel licht. Verlaten lagen de statige trappen. Hier droomde 't nu alles van vroeger.

Een lantaarn, opgehangen boven de geopende zijdeur, verlichtte er de stoeptreden en aanliggende gondel, waarin de huisknecht, het grasgroen voorschoot aan, de bagage plaatste.

Na de gebruikelijke fooi aan knecht en nachtportier, stapte zij in en ging op de middenbank zitten, op haar knieën, den in een zijden doek gewikkelden Pierrot.

Vanuit het kanaal zoog een kille wind om den hoek; het was koud op het water en rillend trok ze de bonten écharpe dichter om zich heen.

Op 't oogenblik dat ze afvoeren, hoorde Elizabeth in de hall van 't Hôtel de stemmen van evenals zij met den vroegen morgentrein vertrekkende gasten en omkijkend zag ze donkere gestalten verschijnen op de stoeptreden waar ze zooeven was ingestegen. Een naderende gondel doemde plots donker op in 't schemer duister, werd aangeroepen en tot haast aangezet.

Bang voor lawaaiïge menschen vlak achter zich aan, menschen, die misschien met luide, nuchtere opmerkingen de geheimzinnige stilte van dit nachtelijke zouden verstoren, spoorde zij den gondelier aan vlugger te roeien, tevens wijzend naar de alreeds met koffers volgeladen gondel.

Dadelijk begreep hij haar bedoeling en bij de nu plotseling versnelde vaart waarmee hij verderroeide, om aan de nabijheid van de hen volgende gondel te ontkomen, kon Elizabeth zich voorstellen hoe spannend en angstbeklemmend hier in vroeger tijden een vervolging bij vlucht of schaking moest zijn geweest. En deze stemming paste wonderwel bij al het andere: het donkere water tusschen de hooge huizen met aangevreten melaatsche muren; de keldergaten die een vunze lucht uitademden; de groote, bronzen deuren in de marmeren paleizen en patriciërwoningen, waarboven 't verbrokkeld familiewapen; de getraliede vensters der benedenverdieping en dan.... de balkons, waaraan geruischloos de gondel voorbij glijdt; balkons die wel alle een geschiedenis hebben uit romantischer, glorieuser tijden, toen, naar buiten gelokt door guitaargetokkel en serenade, de geliefde er verscheen en haren zingenden minnaar beneden in de gondel, de bloem toewierp, dien ganschen nacht aan haar borst gedragen. Waar, aan de spijlen, het koord werd gebonden, waartegen hij tot haar kon opklimmen....; maar waar ook.... in 't diepst van den nacht, over de balustrade werd geworpen wat verdwijnen moest voor altijd....

* * * * *

Maar op dit oogenblik is er misdaad noch guitaargezang. Nog hangt de wijkende nacht tusschen de hooge grauwe huizen. Er gaat geen ander gerucht dan het geplas der riemen in het water en de roepstem van den gondelier, wanneer zij een muur ombuigen. En toch fluistert de stilte van vroeger vreugd en verschrikking, van liefde en sluipmoord, van serenade en vergift; van gesmoorde kreten en guitaargetokkel.

"Pierrot!" denkt ze opeens en kan de verleiding niet weerstaan hem hier te zien in de omlijsting van deze omgeving. Uit zijn windselen wikkelt ze hem los en zet hem neer op de bank.

Zoodra de gondelier de pop bemerkt, ontstelt hij zichtbaar, staakt met een schok het roeien en staart naar het macaber-bleek fantoom dat schijnt opgerezen uit den nacht.... Dan, met diepen zucht: "È bellissimo!" En even later, aldoor turend naar de pop: "il poveretto!"

Elizabeth, die vergeefs naar woorden zoekt, wijst om zich heen en dan naar Pierrot met zijn speeltuig. De roeier knikt, glimlacht en begrijpt. Als ze hem dan het guitaartje toont en hij daarop het met spits dolkje doorstoken hart ziet, zegt hij: "Dolore d'Amore, ohé Pietro?"

Toen, als bij ingeving, schoten haar de woorden te binnen die ze ergens --waar ook weer--gelezen en uit het hoofd geleerd had, omdat zij 't mooi vond en 't op haar toestand paste; woorden die 't beter zeiden, dan zij het met haar poover beetje taalkennis ooit zou kunnen zeggen:

"Nessun maggior dolore, che ricordarsi il tempo felice nella miseria!"

--Del tempo felice!--herhaalt met weeke, streelende stem de gondelier, die hoog voor haar staat in gestaâg, bevallig roeibewegen en hij vestigt met prinselijk gebaar haar aandacht op een oud paleis waaraan zij voorbijvaren: grandioos overblijfsel van vroeger praal; aan de uitgesleten maar statige stoeptreden, de portiek van marmerzuilen, de zware gebeeldhouwd-bronzen deur, het in marmer gehouwen wapen en in den verweerden muur de gothische spitsboogvensters met het marmerkantwerk.... Een wonder van vervallen pracht.

* * * * *

Op de bank van de donkere gondel, zit wit en verontrustend-geheimzinnig Pierrot, een aanklacht tegen zooveel vergane schoonheid en droom; in den arm de guitaar, het bloementuiltje in de moede hand. O, als hij eens levend werd en in de snaren greep en begon te zingen!.... Welk lied zou het zijn? Pergholese's "Tre giorni son che Nina"? of Tosti's "Ride Bajazzo?"

* * * * *

De eerste morgenschemer doordringt den vluchtenden nacht en Elizabeth onderscheidt nu op korten afstand boven 't zwarte water van de hier uiterst smalle gracht, een rond brugje waarover een vage gestalte schuift, die als een schim aanglijdt en weer verdwijnt. Verdwijnt, ziet ze--daar de bark hier juist een hoek ombuigt--in een benauwend-nauw straatje met in't midden een enkele, troebele lantaarn. En wéér.... gluipt een grauwe gedaante, als een spookverschijning, de andere na.

"Is dit een donkere droom?" Het doet haar denken aan 't Amsterdamsch kolkje; bij avond van dezelfde lugubere pracht.

De gondel komt nu in wijder water en glijdt langs Kerken en Musea, langs een groentenmarkt waar ze al bezig zijn de groenten en vruchten--opgestapeld op den grond--op houten schraagtafels te rangschikken, terwijl op de steenen, een grauwe zak onder 't hoofd, een paar mannen nog liggen te slapen.

De roeier vertraagt zijn vaart en eer de volgende gondels, die hen nu langzamerhand inhalen, aan hen voorbijvaren, verbergt Elizabeth den Pierrot weer in den zijden doek.

--Addio Piero! A revederci--guitigt de gondelier, met een glimlach naar de vrouw die hij voor de laatste maal roeit.

In 't Canale Grande gaat ze voorbij aan Palazzo Vendramin, waar Wagner werd uitgedragen in de bebloemde gondel, die de kist zou ontvangen waarin de Meester rustte, het hoofd op de liefde-peluw door Cosima hem meegegeven in den dood: haar haren, die hij zoozeer had liefgehad. En daar.... het andere huis, waar hij de derde acte van Tristan componeerde.

"Casa d'Annunzio!" waarschuwt de gondelier en dan, wijzend naar een poortje aan 't water, omhangen met weeldrige trossen paarsche glijcine en kamperfoelie: "La casa d'una poetessa!" en hij noemt een naam dien zij niet verstaat.

"Hoe verbaasd zou ze opkijken wanneer een Hollandsch schuitenvoerder de woning aanwees.... van een dichter...! Een paradijs moest het hier zijn voor iederen kunstenaar!"

En op 't zelfde oogenblik denkt ze aan Eleonore Duse, de teeder-hartstochtelijke, die in haar spel zoo pijnigend weergeeft, de noodlottige liefde van wie eens mint en dan niet meer.... Zij...., óók eene uit dit heerlijke, lachende zonneland...., maar toch zoo droevig; tragisch als Pierrot.

O, nu begrijpt ze hoe, na zooeven aan de villa van d'Annunzio te zijn voor bij gevaren, in onbewuste gedachte-associatie, Eleonore Duse, de naam van deze gekwelde vrouw haar op de lippen komt.

* * * * *

Zij nadert het stationsplein.

Op de kade staan koffers en handbagage en er is de bedrijvigheid van met den eersten morgentrein vertrekkende reizigers. En wanneer nu ook haar gondel aanlegt--aan den wal getrokken door een ouden grijsaard met 'n apostelkop, en zij na te zijn uitgestegen, den gondelier, die haar met aristocratengebaar een "buon viaggio" toewenscht, de hand heeft gedrukt...., is de zon stralend opgegaan en staat Elizabeth voor 't laatst in het gouden licht van Venezia la Superba.

II.

Toen Elizabeth Gehrke, na doodende ontgoochelingen eindelijk wijs geworden, het geluk niet meer van de menschen verwachtte, maar schuw hen ontvluchtte in buitenstilte, in de veilige beslotenheid van een boerehuisje ver van den dorpsweg en daar leefde alleen, met enkele mooie dingen en dieren die haar dierbaar waren...., noemden de menschen haar zot; en het gebeurde meermalen, wanneer in zomertijd of vroegen herfst villa's en pensions vol gasten waren, er een van de wandelaars, afgedwaald naar 't afgelegen pad langs haar kleine erf...., haar woning aanwees met de woorden: "Daar woont de gekke Mevrouw Gehrke!"

Dan stonden ze stil voor de opening in de hooge heg en keken nieuwsgierig den boomgaard in, waarvan de geduldige vruchtboomen als stille wachters stonden vóór een witgekalkt huisje. Eén wijd-gespreide tak wuifde windbewogen aan een der vensters, waar, rondom de lijsten, de wilde wingerd was als een rooden brand. Op het raamkozijn wrong de vurig ontloken kroon van een fel fonkelende geranium, zich tegen de ruiten op naar het licht. Bij de voordeur, die half aanstond, zaten aan weerskanten van een groene regenton met breede, geelgeverfde hoepels, een groote, zwarte hond en een kleine grijze kat. En evenals deze twee stille dieren scheen ook het woninkje, met het laag overhangend rieten dak, loom te soezen in de zon.

* * * * *

Plotseling, door 't voetgeschuifel en de stemmen der spiedenden uit zijn morgendut opgeschrikt, sloeg luid de hond aan en stortte blaffend op de kijkers toe, die bang voor het dreigende dier, zich haastten om weg te komen.

Pink-oogend tegen het licht, volkomen onbewogen door 't incident, bleef roerloos de kleine, grijze kat; ook toen de hond, in mopperend na-grommen, langzaam terugliep naar zijn plaats bij de regenton.

"Daar woont de gekke Mevrouw Gehrke."

De honende woorden drongen op een morgen dóór tot waar Elizabeth, bij een open veld met hoog opgeschoten zonnebloemen, aan de zuidzijde van 't huis zat te lezen. Ze hief het hoofd op van het boek in haar handen. Een weemoedige glimlach beefde om haar mond, maar in de donkere oogen tintelde tarting, in verweer tegen de scherpe, vijandige stem, die zoo onverwacht de zonnige morgenstilte had gebroken.

Dan dacht ze hoe zulk een voorbarige uitspraak haar vroeger zou hebben gekwetst; hoe nu.... niets uit de verre wereld, waarmee ze had afgerekend, haar meer kon krenken en volkomen gerust boog ze het hoofd over het geopende boek en las aandachtig verder in een stilte, die, nu de stemmen op den weg waren verklonken, opnieuw en dieper nog om 't huisje zonk.

2.

Het was meer dan een jaar geleden, dat Elizabeth het bouwvallig huisje voor een prikje kocht en er door den timmerman van het dorp enkele veranderingen liet aanbrengen, eer zij alles onder versche verf zette.

Wie in die dagen met haar in aanraking kwamen, bemerkten in 't begin niets bizonders aan de nieuwe dorpelinge. Maar 't eerst viel het den timmerman op, dat zij midden in het ontpakken en rangschikken der boeken op de planken die hij daarvoor had aangebracht, plotseling ophield, naar 't raam toeliep en daar dan stond uit te staren, zoo lang.... en zoo stil...., in een zoo beklemmend zwijgen, dat hij er onrustig van werd, omkeek, kuchte, en toen dat niet hielp, z'n hamer op den grond liet vallen, om haar op te schrikken en een eind te maken aan een benauwing, waarvan hijzelf de oorzaak niet begreep.

Toen ze daarna, in het spokig staan en mijmeren gestoord, verder ging met het werk en hem enkele duidelijke aanwijzingen gaf, begon hij aan zijn eersten indruk te twijfelen, totdat hij--en nu sterker dan tevoren--tot de slotsom kwam "dat er iets niet pluis met d'r was", toen hij binnenkomend op zijn kousevoeten (de klompen had hij als naar gewoonte bij de voordeur neergezet en op zijn herhaald kloppen kreeg hij geen antwoord) haar zag preken met een pop, die in een hoek tegen den muur, boven op 't boekenrek zat: "een soort hansworst, met 'n krijtwit huilebalkbakkes, roetzwarte wenkbrauwen en knalrooje lippen. Een chagrijn van 'n vent! Ze hield d'r hand om 't zwarte kappie, dat dien kniezert tot diep op de oogen zat."

Doordat hij tegen een stoel stootte, hield ze op met murmelen en keek hem aan als een kind opgenomen in den slaap. Maar dan was ze weer heelemaal gewoon en had hem een helder antwoord gegeven op z'n vraag over 't linnenkabinet, dat met de hooge gebeeldhouwde kroon, amper onder de balkenzoldering paste.

Toen hij het meubel had geplaatst--eerst het onderstuk met de drie buikige laden met koperen handvatsels en daarop de kast met de gladde, glimmend-geboende deur vlakken, met aan weerszij de zwarte zuiltjes met koperen kapiteelen--gaf ze hem de Delftsche pullen aan en hield, terwijl hij deze neerzette--de grootste in 't midden, de twee kleinere op de hoeken--het wankele trapje vast waarop hij stond. Dan zegt ze: "Nu moet ik hier eens binnenkomen om de kast te _zien_!"

"De _kast_ te zien?" dacht Gerrit verbaasd, "En zag z'em dan nou niet, d'r vlak op met de neus?" Dan ging ze de kamer uit; heel 't huisje liep ze om eer ze weer binnenkwam. Hij hoorde haar hakjes op het tiggelvloertje van de gang; dan deed ze, heel langzaam, de deur open en bleef op den drempel staan; keek de kast an of 't een splinternieuw ding voor d'r was. "En ik zeg jelui," beweerde Gerrit later in de dorpsherberg tot de kasteleines "zoo ziet ons Aagje der vrijer an, as t'ie op der af komt. Da's iets wonders en niet heelemaal in den haak. Maar kwaad is ze daarom niet. Ze het een kommetje koffie voor me gezet en een bakkie met me gedronke en gevraagd of 'k getrouwd was. Dan zegt ze eneens: "Gerrit, heb je nog een oude moeder?"

"En òf!" zeg ik. En bij dat ze is, dat ouwe mins van zevetig! Maar loope ken ze niet meer."

Toe zegt ze: "Al zou je moeder heelemaal lam zijn...., als ze er maar zit in 't eigen hoekje en "kind" tegen je zegt, zooals alleen zij dat doet. Tegen jou, al heb je zelf al groote kinderen, zegt ze zeker ook nog weleens "jongen"?

--Ja nèt!--zeg ik en denk an 't ouwe mins met d'r breikous in d'r stoel voor 't raam, of bij den eerdappelpot.

--'k Zou met je willen ruilen!--zegt ze toen. "Jij bent rijker dan ik, Gerrit! Mijn moeder is héél jong gestorven. Haar portret heb je straks opgehangen.

--Nee, toch!? Dat knappe, jonge vrouwmensch? 'n Fijn schilderstukkie!--zeg ik.

Toe loopt ze weer naar 't raam en staat d'r weer zoo stilletjes naar buiten te kijken. Ik denk: "de karwei is afgeloope; ik smeer em!"

Toe zegt ze eneens, terwijl ze weer aldoor den tuin inkijkt, of d'r wonderwat is te zien: "Houdt je oude moeder soms van lezen?

--Nou, en òf! Je most d'r de krant zien spelle!--zeg ik.

--Goed--zegt ze. "Dan kan je iederen Zaterdag een boek voor d'r komen halen. Maar denk eraan: jij haalt het; niemand anders. Hoe minder vreemden hier om m'n huis sluipen, hoe liever 't me is. Ik hou niet van menschen!"

--Nou....; daarmee kon 'k gaan. Wor d'r es wijs uit!--

--Jans van den boer zegt, ze is zachies an zoo geworden. D'r man, een mof, het ze in den oorlog verloren en in d'r familie (d'r ouwers waren dood) moste ze van die moffehistorie niks hebbe. Toen het ze wel buië gehad dat ze dachten ze stapelgek werd. De mense zelle 't er wel na hebbe gemaakt. Ze is anders zacht as 'n lam; as je d'r maar met rust laat. En met blomme en beeste is ze kempleet gek.

--Je mot d'r zien met me peerd!--zei de vrachtrijër. Hij wil d'r heggie niet voorbij as ze hem niet zelf een emmer water het gegeven, of een homp brood en em op z'n hals klopt. Toen 't gister wat lang duurde voór ze 't huis uitkwam, perbeerde ie met huifkar en al door de heg te rijën. En toen ie bleef steken.... slaat ie me daar aan 't hinneken....! 't Is een merakel! Ze had stalknecht motte worden!

Zeg, Teunis!--riep hij, zich achterom over de stoelleuning buigend, naar een voerman, die bij de toonbank een borrel dronk: "vertel es van verleden week, toen je met de steenkarre ree voor de villa van den notaris!"

--Dat was zòò!--zegt Teunes gewichtig, nadat hij eerst, langzaam, een tweede glaasje heeft genoten: "We hadden overwerk. 't Was een zware, heete dag geweest. We verlangden naar honk. Bij de laatste vracht, die wat grooter was dan de vorige, staken me goddoome op den mullen weg allebei de paarden. Als bij afspraak. Geen verwikken aan.

M'n kameraad en ik slaan d'r op met de zweepen. D'r komt geen schot in. Ze blijven stokstijf staan.

Me kameraad--je weet wel Kreles die zoo cremeneel driftig is, as t'ie een borrel op het, schreeuwt: "Over d'r oogen zel ik ze meppe, de krenge!" en wil 't doen ook.

... Toen wordt em z'n zweep van achter z'n rug om afgerukt.

Hij denkt:--Tjezes, de pelissie!--Mis jonges! De dame waar jelie 't zoo druk over het.

--Hier me zweep! Afblijve van me spulle!--schreeuwt ie tegen d'r.

Zij.... zegt niks. Ze kijkt em maar an met d'r oogen als gloeiende kole in d'r witte gezicht.

Toe zegt ie: As je me niet bliksems gauw me zweep teruggeeft, zel je 'm zelf voelen, fijne medam!

--Ga je gang!--zegt ze en geeft em doodlakeniek z'n zweep terug.

Dat ging em boven z'n petje. Hij werd eneens koest.

"Maar" zegt ze toen "als je niet dadelijk allebei de paarden voor een kar spant en ze zoo één voor één wegrijdt, geef ik 't aan als dierenmishandeling. Ze kunnen niet meer. Dat zie je toch!"

--Mens, ben je bezete!? Zoo komme we d'r nooit! Wij wille óók weles rusten! Met beeste heb je meelij, maar met een arrebeijer die bek-af is van 't overwerk...., daar heb je maling aan.--

--Toe zegt ze: "je hebt het overwerk zelf aangenomen en wordt er extra voor betaald. En dan heeft een mensch een mond om nee te zeggen en om hulp te roepen als ze hem mishandelen. Een paard niet. Een hond kan janken.... en bijten als ze hem pijn doen. Een ingespannen paard is weerloos. Je zou het kunnen doodslaan zonder dat ie een geluid gaf!"

Precies zoo zegt ze 't, als ik 't wel heb. D'r ging een rilling over me rug, ken 'k je zegge. Maar me kameraad zet d'r een vloek op en wil toch, pertoe, met d'n éénen knol verder. Komt daar juist de veldwachter an!