De Pop van Elisabeth Gehrke

Chapter 1

Chapter 13,756 wordsPublic domain

Produced by Miranda van de Heijning, Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

Ellen

DE POP VAN ELISABETH GEHRKE

AMSTERDAM EM. QUERIDO 1922

* * * * *

Voor mijn Dochter

* * * * *

I.

Vanuit de voornaam-gedempte sfeer van de koele hall in Hôtel Danieli--een oud, Venetiaansch paleis, waar, langs de statige trappen, in vroeger tijden deftige Dogen in hoofsche praal afdaalden naast hun schoone, vorstelijk-getooide vrouwen en zich nu een internationaal publiek verdrong...., trad Elizabeth Gehrke, na de glazen draaideur te zijn doorgegaan, naar buiten en stond plotseling in het verblindend licht van de Riva degli Schiavoni.

De breede kade aan het Canale di San Marco was feestelijk van zon en uitbundig morgenlicht en op dit uur reeds vol drentelende menschen, voornamelijk vreemdelingen, die, Baedeker onder den arm, of geopend in de hand, langzaam, aandachtig rondkijkend, den kant naar de Piazza del Marco opliepen, of bij 't kanaal het eens trachtten te worden over een gondeltocht.

Aan den oever, op het wijde, zonnevonkende water, lagen de zwartgeschilderde gondels gemeerd; dichtopéén dobberden zij op de door het af en aanvaren der barken ontstane deining.

Zoodra Elizabeth naar den wal toeliep om er te zien naar de bedrijvigheid van komende en gaande vaargasten, schoten van verschillende zijden gondeliers op haar toe; de donkere oogen in het gebruind gezicht gretig kijkend; in de roode monden de tanden blinkend bloot.

"Una gondola, Signora! Una gondola!" en met rollende r's in radde praat, waarbij de vlugge woorden elkaar overstortten, prezen ze om 't hardst hun gondel aan, stelden een tocht voor en noemden een prijs.

"Non oggi. Domani!" weerde zij glimlachend naar de mannen, die bij haar weigering niet verstugden, noch onverstaanbaar booze woorden mompelden, maar àl terugloopend haar bleven toelachen, blij met de belofte voor later.

Elizabeth liep nu de kade verder af; zij wilde dezen laatsten morgen in dit goddelijk licht van enkele bovenal dierbare plekjes afscheid nemen en genieten van 't mooie volk. "Een prachtras" bewonderde ze en zag met genot naar twee fabrieksmeisjes en andere arbeidersvrouwen, die koninklijk van gang, het bovenlijf recht en roerloos, met een alleen even doorveeren der knieën, de treden van de brug over de Rio di Palazza afdaalden; blootshoofds, de zwarte sjaal met laag-neerhangende franje strak getrokken om borst en schouders.

Voorbijkomend aan de gevangenis--somber, vierkant gebouw achter zware tralies, door niets dan een smal grachtje van het blanke wonder, het dogenpaleis, gescheiden--klonk de lach der meisjes helder op bij een kwinkslag van den cipier, die rinkelend met een groote sleutelbos, de gevangenis voor een oud vrouwtje opensloot.

Deze gevangenis op de zonnige kade vol café's en hôtels, midden in 't gewoel van vroolijk-pratende en druk gesticuleerende menschen, die zich geen oogenblik de nabijheid van dit donker-dreigende bewust schenen en er luchthartig en schertsend aan voorbij slenterden...., Elizabeth had er nooit aan kunnen wennen. En toen ze nu zelf de marmeren trap was opgegaan, keek ze, stilstaand op 't platform, naar 't smalle, zwarte grachtje, waarboven blank, de beruchte brug der zuchten afstak: de Ponto dei Sospiri, die de gerechtszaal van het paleis met de gevangenis met de looden daken verbindt; moeilijken weg dien ook Casanova eenmaal is gegaan toen hij er zijn straf uitzat. Maar nu zij zich omkeerde, zag zij wèg van dit donkere het licht in, over het als satijn glanzend, smaragd-blauwe water met de vele, vele gondels. En opnieuw genoot zij bewust de weelde van 't ontbreken van alle modern vervoer-rumoer. Hier geen auto-signalen of knallende motorfietsen, zelfs geen kargeratel; alleen 't geplas der gondelriemen, waarmee de roeier, staande, het sierlijk vaartuig voortbeweegt.

"Een wondermooi ding vond ze een gondel; nee, méér dan een ding, een levend wezen vol bevallige zwenkingen. En altijd weer zag ze er iets anders in: een omgekruld boomblad, of een donkere, drijvende bloem; dan weer een zwarte zwaan met gebogen nek, een zilveren, gekartelde keten om den ranken hals."

Lang bleef Elizabeth uitstaren over het nu weer onwezenlijk violet gekleurd water, waaruit aan den overkant de Maria della Salute scheen op te rijzen, de omtrekken sterk afgeteekend tegen diepblauwe lucht; en heél in de verte, aan paarlmoeren horizont, blauwschemerend: Lido.

"Het was om niet van weg te komen, maar er wachtte zooveel!" En toen ze nu langzaam de lage, breede brugtreden afdaalde, trachtte ze bijna onbewust iets over te nemen van de houding der even tevoren bewonderde Italiaansche vrouwen; al besefte ze wel dat de gratie en het koninklijk gebaar, hier den armste aangeboren, niet is na te apen en er veel van wat hier volkomen natuurlijk aandoet en aan dit volk bekoort, in Holland dwaas-theatraal zou schijnen.

* * * * *

Op de Piazzetta gekomen, ging ze er zitten met het gezicht naar den voorgevel van het Dogenpaleis, blank en glanzend de portiek van korte, krachtige zuilen, steunend de sierlijke loggia, versierd met marmerkantwerk--het opene in den vorm van een klaverblad--en daarboven de derde verdieping met de zeven spitsboogvensters in beide façaden; van een zalm-rose kleur, zooals het hart van kleine zeeschelpen.

Altijd weer kwam ze hier terug en zat maar stil op te zien naar dit wonder van gothiek; en werd er nooit van verzadigd. Dit was haar dierbaarder nog dan de San Marco. Hoezeer ze ook binnen in de kerk genoot van het koloriet, van mozaïken en marmersoorten, van de pracht der schilderingen en kleurenmengeling..., toch miste ze er in de overlading en bijeengebrachte praal, de mystiek der groote cathedralen. En zij herinnerde zich hoe de Franschsprekende gids die haar in Florence had rondgeleid in de Santa Maria Annunziata, vertelde: dat juist òm die overdaad en overstelpende weelde en het vele goud..., de Amerikanen de San Marco het mooist vonden, van heel Venetië.

En toen sprak hij met bijna komische geringschatting van een ras, dat voor een subliem fresco van Andrea del Sarto, geen ander woord vond dan: "How much?!" kunstwaarde naar 't aantal dollars taxeerend. Hoe goed wist ze nog ieder woord van den enthousiasten kunstkenner, die, de open verrukte aandacht van haar en haar man bemerkend, van dienzelfden Andrea del Sarto vertelde, hoe deze Meester niet tot de uitverkorenen behoorde, door rijke patriciërs onderhouden; misschien wel omdat hij was getrouwd met een ordinair schepsel dat hem ruïneerde, maar zijn model was voor de hemelsche Madonna's, voor de zuivere Moedermaagden, die hij uitbeeldde met háár gezichtsovaal en teere kin, den mooien mond, het fijne neusje, de schoongebouwde schouders en borst en de weelde van goudblonde haren. Maar haar oogen bracht hij niet op het doek. Deze _dichtte_ hij in het gelaat zijner Madonna's. En deze oogen waren het, die van het model--de liederlijke, zijn leven vernielende vrouw--in zijn "Oeuvre" een Heilige maakten.

"En doet niet iedere kunstenaar zoo met de schepselen van zijn verbeelding?" had haar man gezegd, zich tot haar neerbuigend met het liefdevol gebaar dat hem eigen was.

Innige verteedering kwam om Elizabeth's smartelijken mond, nu ze zich die woorden en dat gebaar uit de zalige dagen van 't eerste huwelijksjaar herinnerde.

"Ach, alleen omdat Heinz en zij niet vermoedden wat zoo vlakbij dreigde in een toekomst vol oorlogverschrikkingen, hadden zij zoo argeloos, zoo uitgelaten gelukkig kunnen zijn. O, dat zij beiden, verdiept in elkaar en in al het moois van Italië, het niet hadden vóórvoeld:.... het noodlot, de oorlog...., die al wat jong en liefelijk was vernielde! Oorlog...., die waanzin...., die hèl.... die ook haar liefste en haar geluk had vermoord!"

* * * * *

O daar was het weer, het wild-opstandige, dadelijk wanneer ze 't woord oorlog maar dacht of hoorde, of las. Ideé-fixe dat haar niet losliet en alle overgebleven vreugde vergalde; dat haar in den ergsten tijd van dien geesel met de handen tot vuisten gebald deed loopen, zitten, in bed liggen; haar de tanden krampachtig deed opeenklemmen in machteloos verzet tegen het onverbiddelijke; een drift die haar aan de grens van waanzin had gebracht.

En de menschen? De menschen hadden 't haar, toen ze na zijn dood in Holland terugkwam, nog ondragelijker gemaakt dan het al was. Hun erbarmen had een wrange bijsmaak; ze voelde--óver-sensitief in die dagen--hun meelij niet alleen met haar verlies... maar met de vrouw die een Duitscher, een mof had getrouwd. Ze verborgen hun haat niet tegen dit volk. Ook niet in haar tegenwoordigheid, al wisten de ingewijden hoe zij Heinz had liefgehad, hòe ze hem verloor en wat een fijn mensch hij was. Ze deden ongeloovig wanneer ze vertelde dat hij dien oorlog verafschuwd, er niets dan ellende in voorzien had voor z'n vaderland. Ja, hij was gegaan bij de oproeping, maar zonder hoop, zonder enthousiasme, met weerzin.

Maar allen zagen, sinds den schandelijken oorlog, in elken Duitscher den Pruisischen geest, den ruwen bruut en geweldenaar. Het soort dat ook Heinz haatte, waarvoor hij zich schaamde in vrede en oorlogstijd. En ze vertelde van een geval in een Berlijnsch restaurant, waar een beroemd professor door den kellner midden in de bestelling in den steek gelaten en pas bediend werd, na een later aangekomen gast, een blancbec, een sabelkletterend luitenantje. Hoe hadden zij zich toen samen geêrgerd. "Dat is het nu wat ons in het buitenland zoo gehaat maakt! Het is onwaardig en daarom ben ik blij dat we niet hier, maar in Freiburg zullen wonen!" had Heinz gezegd.

Ook haar anarchistisch-Hollandsche opvatting van de omslachtige betitelingen vóór persoonsnamen: uitvoerige, mal-gewichtige titels waarmee naar den aard der betrekking van hun man, de getrouwde vrouwen er werden aangesproken, kon hij begrijpen. En hoe geduldig had hij het verdragen wanneer ze zich in deze betitelingen telkens allergekst vergiste; flaters beging die later werden rondverteld; smalend door wie er zich in beleedigd waanden; met gullen lach door wien 't niet zoo zwaar opnamen en erom lachten..., zooals Heinz en de vrienden.

Toen ze nu zonder hem--te kort woonde ze er om er veel vrienden te maken in een jong huwelijk dat vreemden meed--als weduwe uit Freiburg wegging en in Holland terug kwam, vond ze de oude vrienden veranderd. Of was zij misschien zelf anders geworden in dien korten tijd? In 't vreemde land had ze zich nog niet volkomen ingeleefd; van de eigen landgenooten scheen ze vervreemd. Het was alsof ze nergens meer thuis behoorde, geen eigen vaderland meer had.... Toen begon de duikboot-oorlog.... en voor de eerste maal, kon ze in volkomen zelfverzaking dankbaar zijn, dat dit aan haar fijnen man was bespaard, dat hij dit afschuwelijke niet meer beleefde.

Langzamerhand vergaten dan de vrienden dat zij haar liefste had verloren.... en hoe.... en waar....

Ze beheerschten zich niet meer in haar bijzijn. Geen scheldnaam scheen verachtelijk genoeg voor Heinz' landgenooten. Er waren er die haar wantrouwden omdat ze met hem was getrouwd geweest; met Heinz.... die niet had kùnnen volhouden...., niet kon doen wat de anderen deden.... Zelfs kunst bleek niet meer internationaal. Duitsche composities probeerde men tijdelijk te verbannen. Gelukkig bleven universeeler geesten ongeschonden hun vereering behouden voor Bach, Beethoven en anderen...., die toch zeker geen schuld aan al den gruwel hadden.

"O de menschen, de hatelijke, harde menschen die 't mooiste in je kneusden...."

Stil,... nu moest ze zich tijdig beheerschen en de driftgedachten stuiten, anders werd dit een verloren dag; de laatste in dit heerlijk land, waar ze niet alleen genezing vond voor een scheurende hoest, maar ook voor het krampachtig-opstandige van haar machteloos verzet. De oude dokter kreeg toch maar gelijk toen hij volhield tegen andere meening in, dat juist hier, waar ze in blijder tijden met Heinz was geweest, de herinneringen aan die zalige dagen--geheel verdrongen door wat later kwam---weer zouden opwellen en haar ondragelijke zenuwspanning breken.

Het was zoo gegaan. Want al miste ze hem hier in alles, toch voelde ze overal waar ze met hem was geweest, zijn onzichtbare nabijheid; hoorde, bij het terugvinden van al wat ze met hem had gezien, zijn stem... Zijn adem was hier over haar...

* * * * *

Toen ze nu opstond en een zakje goudgele zaadkorrels kocht voor de duiven van San Marco, die ze iederen morgen voerde, als indertijd met hèm..., herinnerde ze zich zijn plagend: "Als ik een beest was..., jij met je liefde voor dieren..., zou je dan nòg meer van me houden?" Waarop zij: "Bén je dan soms niet een prachtig dier ondanks je cerebraliteit en zielsbewogenheid?"

Hoe had hij toen het blonde hoofd, met het veroverend gebaar dat hem eigen was, in den nek geworpen en haar dicht tegen zich aanklemmend gefluisterd: "Als we hier niet midden in de menschen waren, zou 'k je in m'n armen grijpen, Schätzeli!" En terwijl ze nu de duiven voerde en genoot van het dwarrelend vleugelgefladder zóó dicht bij haar gezicht, dat het was als een omademing, wanneer de witte wiekjes haar wangen bijna raakten, sloot ze de oogen, om terug te zijn in dien zaligen tijd, om vast te houden het beeld van den liefste en opnieuw te ondergaan het onzegbaar geluk van den lang geleden Venetiaanschen morgen met hem, hier tusschen de duiven.

* * * * *

Van de Piazza del Marco liep ze nu terug en trad door de Porta della Carta in den voorhof van het dogenpaleis.

Aan den voet van de groote trap, met bovenaan de geweldige beelden van Mars en Neptunus, in wier godentegenwoordigheid eertijds de Dogen werden gekroond, ging ze op een bank zitten, leunend tegen den zonbegloeiden marmerwand van den Scala dei Giganti.

Stil en verlaten lag op dit uur, nu de vreemdelingen het paleis van binnen bezichtigden, de zonnige hof, omsloten door een loggia van korte zuilen met rijk gebeeldhouwde kapiteelen. In het midden, bij een der groote bronzen putbekken, zat een schilder met zijn gerei. En Elizabeth zag hoe hij met bijna fanatieke aandacht het hem omringende in zich opnam; het gulzig naar zich toehaalde, verslonden in genot.

Maar het werd haar te warm; de gloed van het zonbeschenen marmer brandde tot op haar rug door de dunne blouse heen. Ze zocht nu een zitplaats onder de zuilengang die in de schaduw lag. Ook hier zat ze eens met Heinz, moe van een rondgang in het paleis. Ze trachtte zich te herinneren wat hij toen gezegd, hoe hij gekeken had, haar blonde Germaan met den fijnen kop en de schoone gestalte van een Hermes van Praxiteles.

O, dàt hadden de minachtende monden met hun plomp herhaalde "mof" moeten erkennen: zijn manlijke bekoring, de gratie van zijn optreden, zijn fijnen geest. Ze hadden hem eens moeten hooren pleiten. O, de gloed, de vaart van zijn woorden, die meesleepten ook wie eerst anders dacht...!

* * * * *

Langen tijd zat Elizabeth te droomen in een bijna-niet-zijn, moe na den verganen, te korten nacht, waarin ze een gondeltocht deed door een onwezenlijke wereld. En op het wijde water, onder sterrelenden avondhemel, had ze dan gedacht hoe in zulk een nacht Heinz het niet langer kon harden in de lage loopgraaf, in stank van modder, bloed en excrementen..., en hij ondanks de waarschuwing der kameraden, naar buiten was gegaan, na een laatsten brief aan haar, waarin hij schreef hoe een verstikkende afschuw hem naar buiten dreef, al dreigde er doodsgevaar; hoe de lentenacht lokte, weg van de verpesting waarin hij ademhaalde. Hij vroeg vergeving voor zijn roekelooze daad, wanneer het zijn leven mocht kosten. Maar na den bajonet-aanval van dien dag was hij ontzenuwd van walging. Hij moest alleen zijn...., de ruimte in, en.... hij kon, hij wilde niet meer dooden! Achterover op z'n rug strekte hij zich op den bedauwden grond, de armen wijd uiteengespreid, den mond geopend om den geurigen lentenacht met volle teugen in zich op te ademen.

Zijn oogen zagen den hemel in.... Zoo vonden ze hem later, toen na een schot te hebben gehoord, ze hem de loopgraaf indroegen. En dit bleef in de eerste wanhoopsdagen haar troost...., dat hij niet werd verminkt, geen langzamen, walgelijken marteldood stierf, of werd vermist.... als zooveel anderen....

De dood had z'n schoonheid niet geschonden. Hij had alleen een hoofdwond onder 't welig haar, waarvan ze zoo dikwijls de eene, wilde lok die hem over de oogen viel, had weggestreken met streelende vingers...; zooals een moeder dat wel doet bij haar zoon.

En dan was er de herinnering aan wat aan 't afscheid was voorafgegaan in die enkele dagen eer hij naar 't front ging; waarin zij beiden een heel leven van liefdegeluk doorleefden en alles wat zij aan passie, liefde, teederheid bezaten, hadden uitgegeven aan elkaar. Het was een zich uitstorten in koninklijke verspilling. Want ze vóórvoelden beiden en spraken het uit: dit was het einde van alle geluk. Ze zouden elkaar niet terugzien.

En was 't niet beter te sterven in 't oorlogsbegin, dan na jaren misschien van angst en marteling voor háár; en afschuw voor 't gruwelijk bedrijf dat het vaderland eischte, voor hèm?

Want Heinz geloofde aan geen zegepraal voor zijn volk, hij was geen dupe als zoovelen en voorzag een korte waan, een lange ellende.

* * * * *

O, de allerlaatste nacht!

In haar armen was hij eindelijk ingeslapen. Zij lag naar hem te zien bij het licht van een kaarsvlammetje, om toch maar niets, niets te verliezen van deze laatste uren; en ze schreide stilletjes, stilletjes...., om hem niet te hinderen en het voor hem niet nog zwaarder te maken.

Eerst had ze willen opstaan, een verdoovend middel nemen om kalm te blijven. Maar ze bedacht zich: "Nee, niets van haar liefde, ook de pijn niet, wilde ze dempen. Alles wat met haar liefde samenhing, wilde ze tot het uiterste: het geluk èn de vertwijfeling."

* * * * *

Bij de herdenking onderging ze opnieuw alles als toen: 't langzaam aangrauwen van den gevreesden, vreeselijken dag....; kille, bleeke morgenschemering schuift al dieper de kamer in; over de meubels...., de stoel met zijn kleeren.... het valies in den hoek. 't Kaarsje is neergebrand, knettert, vlamt nog even op en dooft dan.

Buiten, in de verte, kraait een haan....

Ze zag hem aan, ze dronk hem in met haar oogen, haar heerlijke man. En toen, bij de gedachte dat hij misschien nooit meer zoo aan haar hart zou liggen, dat dit de laatste oogenblikken waren dat ze hem bij zich had, eer hij misschien dood.... of verminking tegemoet ging...., wierp ze zich snikkend over hem: "Heinz!" gilde ze "Heinz!"

Dadelijk was hij de werkelijkheid in, zoodra hij de oogen opsloeg en haar gezicht boven zich zag.

--Liesbeth..., Du..., mein Lieb...!--O, de laatste stamelingen, de radelooze innigheid van de laatste omhelzing! Als een sterven in elkaar....

* * * * *

Een uur later staat ze op 't volle perron, in een afscheid nemende menigte. Uit het coupéraam van den trein buigt hij zich tot haar over en kust haar telkens weer. Dan ruikt ze de geur van z'n lieve haar.

--Mein Herz....

--Mein Lieb....

Zijn gezicht is strak van verdriet. Het vel spant over de in manlijke beheersching opééngeklemde kaken. Haar koude vingers houdt hij in zijn knellenden greep. Ze kust met vertwijfelde innigheid zijn hand. Ze ziet zijn lippen beven. Hij vloekt.... om niet te huilen.

't Sein van vertrek wordt gegeven. Een schok gaat door al de menschen die afscheid nemen van vaders, mannen, zoons....

De locomotief fluit...., sist.... Langzaam...., langzaam komt de trein in beweging.... Gejuich...., smartgegil. Gezang.... vrouwengejammer.

Ze loopt mee met den langzaam wegglijdenden trein.... Nog voelt ze zijn handen...., zijn vingertoppen. De trein gaat àl sneller.... maar nog loopt ze mee, haar oogen in zijn oogen.

Nu is de voorste wagen al onder de stationskap uit.... Dan: "Geh...., süszes Herz.... geh!" Zijn stem is rauw: zijn bede een bevel. Ze laat hem los....

--Heinz....!"

--Liebling!"

Dan is zijn stem weg...., zijn gezicht weg..., ze ziet hem niet meer wuiven.... Er is niets dan leegte.... en in de diepte.... rails...., rails....

Ze staat en staart naar de plek waar nog even tevoren zijn gezicht is geweest.

--Kommen Sie, gnädige Frau! Kommen Sie!--

Grete is haar Herrschaft nageloopen en troont haar nu mee terug naar huis...

Maar daar, in 't leege huis nog vol van hem en zijn heerlijke liefde, valt loodzwaar de verlatenheid op haar, mèt het volle besef wat hij nu alléén tegemoet gaat. En in ontzinde, blinde woede, in opstandig verzet tegen dezen schandelijken dwang waartegen haar liefde machteloos is...., grijpt ze wat haar onder de handen komt. Ze moet iets vernielen...., vernielen! En ze gooit wat ze maar vindt tegen den grond, tegen de muren...., door de ruiten.... en komt pas tot bezinning door 't gerinkel van verbrijzeld glas. Dan barst ze uit in een huilkramp, die ontspanning brengt...., uitputting...., slaap.

* * * * *

"Bellissimo! È bellissimo!" hoort zij een zangerige stem boven aan de marmertrap uitroepen.

"Och ja...., ze is hier...., in Venetië!"

Ze staat op en rillend treedt ze uit de schaduw van de loggia in den van zon overgoten hof, waar nu een zwerm vreemdelingen neerstrijkt en zich verspreidt.

Als in droom loopt ze terug over de zonnige kade in 't lachende licht. Ze ziet niets van de pracht om haar heen. Tezeer is ze vervuld van haar verloren geluk.

2.

Dien middag, na uitgerust en tot kalmte gekomen te zijn, liet Elizabeth zich roeien naar een oud paleis, tevens venduhuis vol antikiteiten, maar waar ook moderne Italiaansche kunst werd uitgestald.

Toen ze het laatste intieme zaaltje bezichtigde, waar beelden en bibelots prachtig uitkwamen tegen den edelen achtergrond van oude gobelins...., kreeg ze àl meer de gewaarwording dat hier iemand haar fixeerde. Voorzichtig-onderzoekend zag ze om zich heen; er was niemand. En toch bleef ze aldoor onder de suggestie van een blik die haar trok. Zóó sterk.... dat het de aandacht afleidde bij het bekijken van een verzameling antieke sieraden.

Toen ze nu weer--wetend zich zooiets nooit te verbeelden--opkeek en rondzag, bemerkte ze in een hoek van het zaaltje, een glazen vitrine met kunstpoppen; in 't midden, als hoofdfiguur een Pierrot; en zoodra ze naderbij kwam en deze trieste pop bekeek, wist ze dat het deze was, die haar heimelijk had aangeraakt:

Bevallig, het óver-slanke figuur in wijd Pierrotpak met onevenredig groote knoopen, leunde hij tegen een houten zuiltje in de vitrine. Om hem heen zaten en stonden allerlei typen, kunstig, maar onbeduidend naast dezen eene met het tragisch masker, waar, in 't pleisterwit, alle natuurlijke rimpels waren weggestreken. Een zwart-satijnen kapje verborg het haar en omspande strak het voorhoofd tot vlak boven de koolzwarte, in arcade-vorm getrokken wenkbrauwen aan beide zijden boven den neus. In het macaber-bleek gezicht, zag zij de oogen groot en donker met den door leed gebroken blik neerwaarts, terzijde turend, als om een droef geheim voor ontwijding te beveiligen. Onder den wit bepoeierden neus, geleek de smartelijke mond een bloedroode snee, gekerfd in 't doodswit der wangen: gemartelde mond van een innerlijk-mishandeld mensch. Onder de oogen--de in doodende ontgoocheling neergeslagen oogen--schaduwden violette kringen van snikkende slapeloosheid.

Een zwart-satijnen met purperen streepen doortulpte, breede plooikraag. Die hoog opstond tegen de teere kin, omsloot als de kelkblâren van een bloem, het bleeke hoofd.