De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 9

Chapter 93,582 wordsPublic domain

Het is hun program, dat tot grondslag gediend heeft van hunne regeeringsdaden en gelijk er in elk liberaal een godsdienstig drijven is, zoo is zij het ook, die den juisten toon aangeeft van het anticlericalisme voor de linkerzijde, gelijkend op de Fransche radicalen, die het clericale spook vertoonen om zich uit moeilijke omstandigheden te redden. De aanvoerder, de heer Goeman Borgesius, afgevaardigde van Rotterdam, is de groote kracht van links. Deze journalist, die met zijn groote bekwaamheid als schrijver een wezenlijk talent als redenaar vereenigt, heeft den naam, zooals eertijds de conservatieve minister Heemskerk, een wonderkind te zijn en meer dan één snaar op zijn viool te hebben. In allen gevalle heeft de fortuin hem voortdurend toegelachen. Hetzij dat hij het dagblad »Het Vaderland« redigeerde, of in »Vragen des Tijds« schreef; hetzij dat hij, als president van de liberale kamerclub, geroepen werd deel uit te maken van het kabinet Pierson; hetzij dat hij een gedragslijn opmaakte voor de Liberale Unie, altijd gaf hij proef van eene bekwaamheid, die met de beletselen den spot drijft.

Maar juist in de politiek is bekwaamheid niet genoeg en geschiktheid niet alles. Er zijn nog beginselen noodig om de handeling vruchtbaar en van duur te doen zijn. Zal de heer Borgesius, waar hij den overwegenden invloed van de Liberale Unie heeft gehandhaafd, niet zien dat de elementen, die hij voor het oogenblik behoudt onder zijn bestuur nog meer naar links afglijden, of zal hij zeggen: er zijn geen vijanden? Totnogtoe schijnt de propaganda van de oud-liberalen zijne troepen weinig te hebben gedund, maar in den grond is dit ook de minst gevaarlijke en die van Vrijzinnig democraten dreigt meer; want van die zijde drukt de logica van de leer en de kracht der gebeurtenissen.

_III. De Vrijzinnig-Democraten._

Toen de vooruitstrevende revisionisten op luidruchtige wijze de Liberale Unie verlieten, vonden zij aan hun linkerkant den Radicalen Bond. Deze was tevoorschijn gekomen uit de scheuring van Januari 1888 in de liberale partij van Amsterdam. Volgens eenigen was herziening van het politiek program van de machtige kiesvereeniging »Burgerplicht« er de oorzaak van; volgens anderen was zij het gevolg van een verschil van meening over den gang der zaken in de hoofdstad. In allen gevalle gaf dit de gelegenheid aan ongeduldigen, die de evolutie van de liberale beginselen te langzaam dachten, om een jongere partij op te richten. Zij maakten er gebruik van en zij trachten de ontevredenen, voornamelijk in Amsterdam, te vereenigen, en ook in Groningen, waar het liberalisme van meer-geavanceerden aard was. Maar hunne pogingen werden slechts halverwege met goeden uitslag bekroond. In de afdeelingen, die zij oprichtten, ontbraken eenheid, partijgeest en discipline. Er waren te veel leiders en daardoor was het bestuur niet krachtig. Wat meer is, er was geen wèl-afgerond program, er waren geen vaste beginselen; en zoo bevond zich de opkomende radicale partij ingesloten tusschen de vooruitstrevende liberalen en de sociaal-democraten, zonder eigen leerstelsel. Ze gaven eenigermate den voorkeur aan de eersten, terwijl zij het privaatbezit zacht verdedigden tegen de laatsten.

Ook hadden de verdeeldheden en de twisten er vrijen loop. Na er evenveel aan geleden te hebben als andere plaatselijke organisaties, moest de voornaamste van de radicale kiesvereenigingen, n.l. »Amsterdam«, in den loop van 1894 ontbonden worden.

Het was op het oogenblik, dat de Radicale Bond werd opgericht met het doel om te bevorderen dat degenen, die den staat wilden hervormen in democratischen zin, aan de regeering zouden komen. Haar program, den 24en Juli 1895 aangenomen, gaf de regels aan, waarnaar zij deze democratische hervorming dacht ter hand te nemen:

1o. Gelijkheid van alle meerderjarige Nederlanders in burgerlijke en politieke rechten.

2o. Strijd tegen de maatschappelijke afhankelijkheid van den een van den ander en vermeerdering van het stoffelijk en zedelijk welzijn van hen die niets of weinig bezitten:

_a._ afschaffing van wettelijke regelingen, die opeenhooping van het kapitaal in de handen van enkelen begunstigen.

_b._ uitvaardiging van wetten die 1o. zonder gezamenlijk bezit van de productiemiddelen te bedoelen, er toe strekken om de voordeelen uit het privaat bezit voortkomende, te beperken binnen engere grenzen en een betere verdeeling te verzekeren van de rijkdommen der gemeenschap, ten 2o. zooveel mogelijk de ongelukkige gevolgen van de wet op vraag en aanbod van de markt voor den arbeid tegen te gaan.

* * * * *

Zooals men ziet, nam de Radicale Bond een politiek aan, rechtstreeks inloopende tegen het liberale beginsel van onthouding van den staat en hij eischte talrijke hervormingen.

Deze somde hij op in een program, dat in een tegenovergesteld uiterste vervalt en staatsbescherming en staatsvoorzorg stelt.

Zoo deed hij zich voor bij de verkiezingen van 1897 en gelukte het hem vijf afgevaardigden verkozen te zien. Maar volgens de verklaringen van den voorzitter uit dien tijd, de heer C. V. Gerritsen, was de invloed van den Bond grooter dan zijne vertegenwoordiging; die was groot vooral in den gemeenteraad van Amsterdam. Over het gansche land, bezat de Bond 34 afdeelingen met een totaal van 2.300 leden, meerendeels kleine burgers en werklieden.

Doch de verkiezingen van 1897 waren voor den Bond noodlottig. Hoewel verkiezingen in Nederland veel minder kosten dan Frankrijk, werd de kas der partij daardoor uitgeput. De leden bedankten in menigte, om niet hun omslag te behoeven te betalen en, als overal, is het geld de ziel van den oorlog en de radicale propaganda hield op bij gebrek aan hulpmiddelen.

Men kan derhalve begrijpen, dat de leiders van de radicalen met opmerkzaamheid de gebeurtenissen volgden, die er temidden van de Liberale Unie plaats hadden. De leden van de meest-geavanceerde groep waren er bijna voortdurend in strijd met hunne broeders, over meer conservatieve inzichten, en zij spraken gedachten uit, waarvan men niet kon zeggen of zij meer radicaal dan progressistisch zijn, of meer progressistisch dan radicaal.

Overigens hadden de vrijzinnig-democraten en de radicalen elkander wederkeerig ondersteund bij de verkiezingen van 1897; zou dan geen nauwere verbinding van langeren duur dan deze tijdelijke samenwerking kunnen plaatshebben? De radicalen antwoordden hierop bevestigend en zij riepen deze gebeurlijkheid in met al het ongeduld van hunne verlangens; want zij hoopten op die manier nieuw bloed en nieuwe finantieele kracht aan hun bloedarme partij te schenken.

Dat is ook de reden, waarom ze met zooveel kracht verzekeren, dat zij den steun noodig hebben van hen, met wie zij overeenkomen in leerstelsel, om eenmaal hun liefste wenschen, hun hoogste begeerten te kunnen verwezenlijken.

De kwestie van urgentie van de grondwetsherziening met het oog op het algemeen kiesrecht was een geschikte gelegenheid voor de begeerde breuk. De actie van de radicale leiders was misschien niet vreemd aan het ontstaan van het conflict en zeker niet aan de scheiding. Ternauwernood hadden het bestuur en zijne volgelingen gebroken met de Liberale Unie of zij vereenigden zich met het overschot van den radicalen Bond om een nieuwe partij te vormen, onder den naam van Vrijzinnig-democratischen Bond.

Op zichzelf was de benaming teekenend, het toevoegsel »liberaal« liet men voor goed varen, om het te vervangen door den soortnaam vrijzinnig. Die diende derhalve meer om verwarring met de sociaal-democraten te voorkomen, dan om weder een aanknoopingspunt aan te geven met de liberalen. Feitelijk had men de liberale leer volkomen losgelaten; men erkende hare verkeerdheid en men bestreed openlijk de gevolgtrekkingen.

* * * * *

Den 17en Maart 1901 te Utrecht gesticht, hield de Vrijzinnig-democratische Bond den 4en Mei d. a. v. zijn eerste algemeene vergadering. Hij benoemde er een bureau, gaf er eene verklaring van beginselen aan en een ontwerp van een verkiezingsprogram.

De beginselverklaring luidde als volgt:

De Vrijzinnig-democratische Bond geeft als haar doel te kennen om te bevorderen de opkomst van al de vereenigingen en al de personen, die met een democratischen geest bezield zijn en die zich vereenigen met de volgende beginselen:

* * * * *

1o. De Vrijzinnig-democratische Bond streeft naar de evolutie van onzen grondwettigen en parlementairen regeeringsvorm in democratischen zin en te dien einde naar het algemeen kiesrecht voor de verkiezing van de vertegenwoordigende vergaderingen en naar de gelijkheid van mannen en vrouwen, zelfs wat betreft de afgevaardiging naar deze vergaderingen.

2o. De Vrijzinnig-democratische Bond stelt zich tot principe, dat men door middel van een krachtige sociale wetgeving moet trachten weg te nemen de sociale toestanden, die de ongelijkheid tusschen de leden van de natie in 't leven roepen of versterken, wat betreft voorwaarden van hunne ontwikkeling.

Hij is van oordeel, dat om den maatschappelijken vooruitgang te verkrijgen, het noodzakelijk is den klassestrijd te verzachten en niet aan te wakkeren. Aan de eene zijde keurt hij het streven af om privaatbezit van de productiemiddelen op te heffen en aan de andere zijde verwerpt hij de meening, dat de staat slechts gedwongen en tegen wil en dank in het huishoudelijk leven van de burgers mag ingrijpen.

* * * * *

Over het geheel was de Vrijzinnig-democratische Bond van dezelfde gezindheid als de oude Radicale Bond, wiens plaats hij had ingenomen. Zijn ontwerp van een verkiezingsprogram--aan het hoofd waarvan de onverwijlde en urgente eisch stond van algemeen kiesrecht met evenredige vertegenwoordiging voor de mannen en vrouwen, een voorwaarde van de eerste orde voor alle democratische hervormingen--ontplooide zich voornamelijk na de verkiezingen van 1901. Het werd uitgebreider en grooter in de twee algemeene vergaderingen van den 11en Januari 1902 en den 28en Mei 1904 door nieuwe bijgevoegde eischen, zoodat het een uitgebreid werkprogram werd, naast hetwelk was komen te staan een program van werkzaamheid op gemeentelijk gebied.

Maar, wat aangaat het werkprogram of het plan van werkzaamheid op gemeentelijk gebied, men vindt dezelfde leer er aan ten grondslag liggen, die de heer Treub, professor in de Staathuishoudkunde aan de gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, zoo uitnemend heeft vertolkt, hij, de denker en de handelende leider der partij.

Uitgaande van deze dubbele bewering dat ieder genootschap is het product van het denken van hen, die ze opstelden, en dat de sociale begrippen over de moraal en de gerechtigheid zonder ophouden zich ontwikkelen tot vooruitgang, welzijn en gelijkheid, besloot de heer Treub, dat de staat zich niet mag ontslaan van zijne verplichting om de economische verhoudingen overeen te brengen met de prevalente begrippen van gerechtigheid, voordat men er den stempel van het recht op zet.

»Overal«, zegt hij, »waar de economische verhoudingen tegenover onze actueele begrippen van recht en billijkheid staan, is tusschenkomst noodig om ze te herstellen en ze overeenkomstig te maken met de hedendaagsche ideeën, die de stapelplaats vormen op den weg naar den vooruitgang.« En hij voegt er aan toe, terwijl hij zijne gedachten over den rol van den democratischen staat samentrekt: »In deze wettelijke regeling moet de heerschende gedachte deze zijn: De staat moet onze maatschappij er in behulpzaam zijn, dat zij zich meer begeeft op den weg naar gelijkheid van kansen in het maatschappelijke leven voor de individuen van beide seksen; naar vermindering van het sociale verschil tusschen sekse en stand; matiging van den klassestrijd.«

Alles bijeengenomen, de gelijkstelling voor al zijne leden van de voorwaarden der ontwikkeling, zoowel op stoffelijk als geestelijk terrein, dat is het principe en het doel van den modernen staat.

Gelijkheid van de kansen van het geluk, dat is de droom die de democratische leer najaagt en die het gezag van den staat meer en meer moet verwezenlijken. Zeker, er zijn reeds pogingen gedaan in dezen zin, en de sociale toestand van het meerendeel der werklieden heeft zich verbeterd. Maar er is nog veel te doen en de hervormingen, die nog tot stand moeten gebracht worden, zijn vele. De lijst, die de vrijzinnig-democraten er van opstellen, is lang. Men merkt er allereerst in op, alles wat aan de burgers een grootere gelijkheid kan verzekeren; algemeen kiesrecht voor de mannen en voor de vrouwen; democratiseering van de Eerste Kamer; bescherming van den werkman tegen het misbruik door den patroon; maatregelen om alle kinderen gelijkelijk instaat te stellen onderwezen te worden zonder ander onderscheid dan aanleg; opheffing van alle ongelijkheid, die in het burgerlijk recht bestaat tusschen mannen en vrouwen; herziening van het huwelijkscontract in dien zin; uitbreiding van de gronden voor echtscheiding; verbetering van den rechtstoestand van natuurlijke kinderen. Andere komen op den voorgrond door den drang van de omstandigheden van het oogenblik. Zoo is het met de verplichte verzekering tegen ziekte, invaliditeit en ouderdom; verzekering tegen werkloosheid; wettelijke bestrijding van het alcoholisme; voorzorg tegen vervalsching der voedingsmiddelen; vertegenwoordiging van landbouw, nijverheid en handel; hunne ontwikkeling door vermeerdering van de gemeenschapswegen; en steun voor den uitvoer van hunne artikelen; vereeniging van vermogens- en bedrijfsbelasting tot een enkelvoudige belasting op het inkomen, enz.

Al deze hervormingen, die het program uitmaken, zijn niet alle even slecht. Verre vandaar zijn zelfs velen zeer aannemelijk en enkele komen ook voor in de programmen van rechts. Maar wat wel te vreezen is, dat is dat de leer der vrijzinnig-democraten van den staat een despoot maakt, een tiran, die opbouwt en afbreekt naar zijn believen, die zelf het recht schept en vernietigt, mits het maar overeenstemt met de gedachten van de meerderheid, waardoor dat recht is gesteld, een majesteit meer te vreezen dan de absolute koningsmacht van den vroegeren tijd, alles bijeen genomen een autocratie, die niets heeft te eerbiedigen, ook niet eenige hoogere zedelijke wet, niets dan zijne eigene.

De erkenning van deze absolute macht van den staat wordt in de practijk gezien, wanneer de vrijzinnig-democraten voor hem een erfrecht eischen, in mededinging met sommige natuurlijke erfgenamen; wanneer zij aan de gemeenschap de bevoegdheid willen geven tot onteigening niet alleen op grond van het openbaar belang, maar zelfs om daardoor een grootere productieve of sociale waarde te verkrijgen, of wanneer zij hem de verplichting willen opleggen om die ondernemingen aan de private exploitatie te onttrekken, die van nature het karakter van monopolies vertoonen.

Ongetwijfeld toonen zich de vrijzinnig-democraten besliste voorstanders van den individueelen eigendom. Zij stemmen volledig toe, dat deze nooit volkomen zal verdwijnen, maar zij stellen de mogelijkheid dat deze eigendom aan de naasting der maatschappij zal onderworpen worden. Om de formule van de Fransche radicaal-socialen te gebruiken, met wie zij in Nederland overeenkomen met in allen gevalle ruimere ideeën en minder anticlericaal drijven, houden zij vol, dat de staat beslag moet leggen op al de industrieën, die in een monopolie zijn veranderd en die door hun aard het algemeen belang treffen.

Dat is men moet er toe overgaan om de groote productiemiddelen in dienst der gemeenschap te stellen, wanneer dit den staat nuttig blijkt.

Indien zij dan openlijk geen socialisten zijn, dan nemen zij toch in den grond een soort van theoretisch socialisme aan, dat aan staats-socialisme grenst, een socialisme zonder klassestrijd en zonder in theorie _alle_ productiemiddelen in dienst van het algemeen te stellen en dat van het collectivisme slechts door een zwakken muur is gescheiden.

Bovendien is het doel, dat zij beoogen, hetzelfde te weten: de zoo volkomen mogelijke gelijkheid van alle menschen voor de voorwaarden tot het maatschappelijk welslagen en gelijk het gansche democratische stelsel rust op de evolutie der begrippen van de meerderheid in die richting, zoo zal de staat, waar deze meerderheid op een gegeven oogenblik gelooft, dat deze gelijkheid niet dan door gemeen bezit van de productiemiddelen kan verkregen worden, verplicht worden om van het collectivisme werkelijkheid te maken.

De vrijzinnig-democraten, het is waar, wachten zich wel om deze verwantschap en deze logica toe te stemmen, die hen doet overhellen naar de sociaal-democratie en zij versterken zoo goed mogelijk den scheidsmuur. Daar mag men zich niet zoo over verwonderen, want de opkomende partijen hebben alle belang er bij om het gezag van hunne organisatie en hunne leer te handhaven, om te verhinderen dat men hen verwart met de naverwante vereenigingen; immers zouden zij anders hun reden van bestaan verliezen. Maar wanneer zij eens bevestigd zijn, dan verandert hunne manier wel en deze zelfde partijen verlagen den muur zooveel mogelijk, waarmee zij zich ingesloten hadden, om aan de leden van de naaste partijen toe te staan, hem gemakkelijk af te breken, nadat zij hen overtuigd hebben, dat de scheiding alleen in naam bestond.

Is dat de taktiek die de Vrijzinnig-democratische Bond in de meer of minder dichtbij zijnde toekomst zal aanwenden? En indien zij dat doet, wie zal er meer van profiteeren, zij of de Sociaal-democratie? Te vreezen is, dat het de laatste zijn zal. Maar voor het oogenblik is die vraag nog niet aan de orde. De Vrijzinnig-democratische Bond wordt al grooter en naar het schijnt iets ten koste van de Liberale Unie. In 1901 telde zij 22 afdeelingen met 1.585 aanhangers en 164 persoonlijke leden. In 1905 waren deze cijfers gestegen tot 44 afdeelingen met 2.630 aanhangers en 507 persoonlijke leden. Aan den anderen kant, tijdens de verkiezingen van 1901, had zij 30.000 stemmen behaald en 9 zetels veroverd; bij die van 1905 had zij 50.000 stemmen op haar program vereenigd en 11 afgevaardigden naar de Kamer gezonden. In 1909 is het cijfer der stemmen ongeveer hetzelfde gebleven, hetgeen niet heeft verhinderd dat ook zij deel had in de nederlaag van de linker-partijen en dat het aantal van hare afgevaardigden tot negen werd teruggebracht. Hare dagbladen »de Vrijzinnig-Democraat" en »Land en Volk" zijn van te nieuwen datum, vooral het laatste, om zeer grooten invloed uit te oefenen, maar hare leiders, de heer Drucker, president van de Vrijzinnig-democratischen Kamerclub, en de heer Treub, verzekeren haar door hunne waarde een belangrijke plaats temidden van de politieke partijen in Nederland.

VIERDE HOOFDSTUK.

De Socialistische partij.

_I. De eerste organisatie._

De nabijheid van Duitschland, de bakermat van het Marxistisch Collectivisme, moest wel spoedig in Nederland de vorming en ontwikkeling van een sociaal-democratische vereeniging in de hand werken, echo en weerschijn van de machtige sociaal-democratische beweging in Duitschland.

Toen de ijzeren kanselier Bismarck door eene uitzonderingswet het opkomende Socialisme wilde onderdrukken in het keizerrijk, vertoonde zich een onrustige geest bij zekere leden van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond, dat toen een niet te versmaden invloed bezat in de wereld der werklieden. Afzonderlijke Socialisten onder de liberale massa, eenige oud-leden van de Internationale, eenige nieuwe bekeerlingen tot de Duitsche leer dachten dat het oogenblik gekomen was om een poging te wagen om onder de schaduw van deze degenen, die hunne ideeën deelden, te vereenigen en door een geleidelijke handeling een deel van het gezag er aan te ontleenen dat bij den dag grooter werd. Maar om dit handige plan uit te voeren, moest men eerst de deur halverwege openen, opdat de kameraden, die niet tot het soort van »werkman« behoorden, konden binnenkomen. Zij zochten derhalve »gemengde genoodschappen« te stichten, die, eens gevestigd, hunne vereeniging konden aanvragen met het »Werkliedenverbond«. Maar de liberale leiders zagen het gevaar en toen op den 9en Juli 1878 het eerste gemengde genootschap van die soort, in Amsterdam op het initiatief van de vereeniging van smidsgezellen »De Volharding« in het aanzijn was geroepen, weigerde het centrale bureau van den Bond, waarin de heer Heldt alles vermocht, het op te nemen. De drempel van het huis werd verboden en nu moesten zij er wel in berusten om buiten te blijven. Dit werd zonder drukte gedaan en den naam van Sociaal-democratische Vereeniging werd aangenomen. Aan het hoofd stond de kleermaker »Henri Gerhard«, een bekend vrijdenker en tevens een van de leiders der werklieden-beweging die had deel genomen van 1869-1872 aan den Internationalen Bond van Karel Marx. Dit was de eerste socialistische vereeniging in Nederland. Anderen volgden in den Haag, Haarlem en Rotterdam, in de groote handels- en industrieplaatsen van Nederland. Bijna altijd, zooals in Amsterdam, ging het initiatief uit van eene afdeeling van het liberale werkliedenverbond, en zelfs zijn orgaan was niet beveiligd voor de socialistische propaganda; want op dit tijdstip schreef Domela Nieuwenhuis, die weldra zich zou vertoonen als een woelgeest van den eersten rang, er zijne »Sociale brieven" in.

Zoodra er drie socialistische vereenigingen waren, verbonden zij zich in 1880 om »den Sociaal-democratischen Bond" te vormen. Deze Bond vond onmiddellijk een orgaan in het Weekblad »Recht voor allen", opgericht op het oogenblik, dat de »Werkmansbode" tengevolge van de overwinning van het besturend- en burgerlijk element werd onttrokken aan de socialistische propaganda. Het volgende jaar in 1882, hield de Sociaal-democratische Bond zijn eerste congres, ondanks het verbod van de politie, en nam zijn eerste program aan, dat geen ander was dan hetgeen door de Duitsche Socialisten te Gotha was opgesteld.

Toen begon voor het Nederlandsche Socialisme een snelle vooruitgang. De toestand in Nederland verschafte hieraan een gunstig terrein. De industrie en de landbouw hier te lande maakten een tijd van crisis door; talrijke werklieden waren zonder werk en in zekere streken was de ellende groot. Het Socialisme, met beloften van een betere maatschappij komende, trok onweerstaanbaar degenen aan, die leden door den maatschappelijken toestand. Zij geloofden dat een revolutie dadelijk een ander aanzien aan de dingen zou geven en zij volgden hen, die hun daarvan de boodschap brachten. Om ze te bereiken, bedienden de propagandisten zich van den strijd, die toen vóór het algemeene kiesrecht gestreden werd, en waarin zij samengingen met het Werkliedenverbond, dat toch voortdurend kleine gedeelten van zijne troepen tot de socialistische banier zag overgaan. Onvermoeid doorkruiste Domela Nieuwenhuis, die als predikant van de Luthersche kerk afgetreden was, het land en richtte tallooze vereenigingen op, waar hij met een kalme, sympathieke stem de revolutionaire leer voordroeg, die hij een godsdienstigen tint gaf en met bijbelsche spreuken opluisterde. Zonder ontmoedigd te worden, ongevoelig voor de toejuiching van de menigte zoowel voor haar scheldwoorden en slagen, ging hij van dorp tot dorp, overal, waar men hem riep, indruk makende op zijne hoorders door zijn heftige critiek op de maatschappij en door zijn eigenaardig gelaat, tegelijk zacht en energiek, hetwelk iets van een fanatiek maar ook iets van een wetenschappelijk persoon had; een ware volkstribuun met een indrukwekkenden kop en een machtige hoogheid, wiens strijd met het woord en de pen heel zijn leven bepaalde.