De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 8
Dit was juist de moeilijkheid, want de overeenstemming van inzichten onder de aanhangers was verre van volmaakt, en men had daarbij noodig een werkplan vast te stellen zoo wijd, dat niemand afgeschrikt werd, en toch nauwkeurig genoeg om van eenige beteekenis te zijn. Men had wel het manifest der 75, maar dat was te onbestemd en naar hunne gedachte al te zeer geinspireerd door de verkiezingsdrukte om een blijvend program van beginsel te zijn. Ook had de algemeene vergadering besloten er een ander uit samen te stellen en dit werk toevertrouwd aan een speciale commissie van vijf leden. Maar wij mogen gelooven dat de arbeid, die aan haar was opgedragen, ernstige beletselen ontmoette, want eerst het volgende jaar werd een ontwerp aan de voltallige vergadering der partij voorgelegd. Over het geheel was het vervat in weloverwogen termen, die herinnerden aan de vage algemeenheden van het manifest. De geest was eveneens flauw alsook het meerendeel van de voorstellen zooals: constitutioneel koningschap, krachtig gezag, vrijmaking van alle confessioneelen invloed in het openbare leven, ontwikkeling van het particulier initiatief, versterking van het openbaar onderwijs, een snel en zuinig recht, vrijhandel; daarin bestaan voornamelijk de tien artikelen. Er was geen belangrijk verschil behalve over de verkiezingskwestie, waar de mogelijkheid gelaten werd van gedachtenwisseling of men het kiesrecht niet zou kunnen uitbreiden tot de mannen, die in bepaalde voorwaarden vallen, en tot zekere categorieën van vrouwen, door den wetgever aangewezen.
Van dit program van beginselen werden alleen de drie eerste artikelen aangenomen in 1907 en eerst in de maand Juni van 1908 kon Tydeman verkondigen dat de bond de periode was ingetreden, waarin de voorbereidende werkzaamheden van het tweede deel van het programma waren geëindigd en dat het in aanbouw zijnde huis een dak had verkregen. Wat betreft de organisatie zelve, constateerde hij, terzelfder tijd dat de bond, zonder vooruitstrevend te zijn als de Vrij-liberalen hadden gewenscht, zich ontwikkelde door middel van de instelling van plaatselijke kiesvereenigingen, in het bijzonder in het district Leeuwarden, dat den vurigen kapitein Thomson afvaardigde.
* * * * *
Maar de partijformeering van de verstrooide Oud-liberalen had gansch niet kunnen behagen aan de andere partijen van links; nog minder aan de Unie liberalen dan aan de Vrijzinnig-democraten, daar genen zich meer rechtstreeks daardoor zagen bedreigd met desorganisatie. Dat die partij reden had te vreezen, loochende zij en werkelijk heeft zij er totnogtoe weinig van te lijden gehad, maar toch was zij op hare hoede, gereed om zoo noodig de tanden te laten zien. Het verschil van neiging op sociaal gebied en in de kwestie van herziening der kieswet was niet geschikt om deze slecht-verholen vijandigheid te verzachten. Ja, wat meer is, de vooruitstrevenden verweten aan enkele gematigden van hen, zooals Van Karnebeek en Van Houten, het ministerie De Meester niet genoegzaam gesteund te hebben, voornamelijk inzake het militaire vraagstuk, dat tot zijn val leidde. De houding ten slotte van de oud-liberalen in Amsterdam, waar zij als wethouder van onderwijs een antirevolutionair als Mr. de Vries hielpen verkiezen boven den vrijzinnig-democraat Ketelaar, was de oorzaak van de volkomen-slechte gezindheid van de democratische partijen, die dreigden de Vrij-liberalen uit het liberale blok te werpen en hen aan hun isolement over te laten.
En daar van den anderen kant de rechtsche partij haar reglementen niet zoo mild wist te maken dat zij deze gematigden van links opnemen kon, die waarschijnlijk erin zouden toegestemd hebben om uit hun programontwerp het anticlericalisme te verbannen en tot een opportunistisch samengaan met de conservatieve elementen van rechts te besluiten--zoo had de Oud-liberale partij gevaar geloopen zonder hulp en steun te blijven, indien deze bedreigingen werkelijkheid waren geworden.
Maar er was herstelling mogelijk: haar steun had men al te zeer voor de liberale concentratie noodig, hare dagbladen, de Nieuwe Rotterdamsche Courant, het Handelsblad, de Nieuwe Courant, welke, vooral de eerste, de machtigste in Nederland waren, bezaten al te veel invloed, dan dat de scheidsmuur, waarmede men in een driftig oogenblik had gedreigd, in waarheid werd opgetrokken. En uit dit alles was te voorzien dat de Vrij-liberalen ook nog bij de verkiezingen in 1909, schoon waarschijnlijk minder geestdriftig, het blok van links te hulp zouden komen. Daartoe werden zij door hunne beginselen geleid en dit deden zij dan ook werkelijk, zonder dezen keer de socialisten te steunen. Maar deze gedwongen samenwerking had de nederlaag van het liberalisme noch de verplettering van hun eigen partij kunnen verhoeden. Bij de eerste stemming hebben zij, als georganiseerde partij, bijna al hunne afgevaardigden verloren en nog wel de voornaamsten onder hen. Vier van de elf zetels, die zij in 1905 hadden behouden, hielden zij in de nieuwe Kamer slechts over. En deze vernedering is een genoegzaam bewijs van het discrediet der beginselen, die door de persoonlijke verdienste niet meer kunnen worden gered.
_II. De vooruitstrevende liberalen van de Liberale Unie._
Meer links dan de Oud-liberalen staan de vooruitstrevende liberalen of wel Unie-liberalen, die hun lijdelijke houding hebben vaarwel gezegd. De vooruitstrevende partij, zoo verklaart een der leiders, Mr. J. A. Levy, heeft zich gedrongen gezien, tengevolge van de trage houding van haar oudste zuster in het liberalisme, de banier voor haar te ontplooien. Het waren minder beginselkwesties dan kwesties der praktijk, die haar onafhankelijke houding wettigden en verklaarden. Feitelijk heeft zij, al onderscheidde zij zich van de liberale partij, nooit zich ervan afgescheiden. Ja, integendeel, heeft zij iedere keer, wanneer het betrof de verdediging van de liberale grondbeginselen, zich vooraan in den strijd geschaard. Maar zij acht haar taak daarmede niet volbracht, want zij meent, dat de aarzelingen en uitvluchten der Oud-liberalen met betrekking tot de draagkracht en den inhoud van de door den staat gegeven rechten der burgers, evenzeer is te vreezen.
Aan deze liberalen van andere geaardheid scheen de theorie van de natuurlijke staathuishoudkundige vrijheden op zijn minst ouderwetsch. Zij gevoelden de noodzakelijkheid zich naar de behoeften des tijds en de eischen van den vooruitgang te schikken. Om dit streven beter te karakteriseeren, tooiden zij zich met den naam van »vooruitstrevenden«, hetwelk de ooren van de tijdgenooten aangenaam streelt en op zichzelf vaag genoeg is om niets te beloven. Zij hielden daartoe niet op zich op de liberale leer te beroepen; ja zij proclameerden hunne getrouwheid aan deze met des te meer kracht; opdat men toch niet met recht zou kunnen denken dat men zich, al was het maar een weinig, ervan verwijderde.
Inderdaad echter verwijderden zij zich er van, toen zij de noodzakelijkheid erkenden het onthoudingsstandpunt der regeering te laten varen, de misdeelden te ondersteunen, het openbare leven te regelen, de solidariteit voor te staan, de verantwoordelijkheid van den staat uit te breiden en een meer uitgebreid kiesrecht toe te staan. Tegenover het non-interventie systeem der regeering, dat dikwijls niet anders is dan een welkom bedeksel voor de traagheid van de bewindslieden, stelden zij het beginsel van krachtige actie. Zij wierpen de liberale traditie omver, en merkten op dat de arbeid en de arbeider om hunne rechten riepen. De proletariërs, de arbeiders, moeten gevoelen, dat zij een deel van het groote geheel uitmaken, dat eenerzijds op aller hulp rekent, anderzijds het recht van allen eerbiedigt. Het voornaamste werk van de vooruitstrevende partij is allen, kleinen of grooten, in te boezemen, dat de staat een moreele vereeniging is, die verplichtingen heeft volkomen overeenkomstig haar oorsprong.
Evenwel constitueerden de »vooruitstrevenden« zich niet dadelijk als partij. Gedurende lange jaren was de verdediging van de neutrale school de spil, waarom de politiek van de liberalen draaide, en de »omgang met dit gezichtspunt« bracht al de andere kwesties op den achtergrond. Nadat door de wet Mackay, het lager onderwijs was gereorganiseerd, kwamen zij tot de gedachte, dat het noodig was kennis te nemen van de volksbeweging op sociaal gebied. Het streven der geavanceerde liberalen kwam nauwkeuriger uit en de Liberale Unie, die in 1884 was opgericht, besloot een program van hervormingen samen te stellen. In 1891 gaf zij een manifest aan de kiezers in 't licht, waarbij het meerendeel der liberale kiesvereenigingen zich aansloot. Men kan eigenlijk niet spreken van een program, maar van een leiddraad voor de verkiezingen; en ook werd deze niet getrokken zonder moeilijkheden en slingeringen.
Het program kwam pas in 1896. Het bestuur had in Juni 1895 zijn taak hernomen om een hervormingsprogram op te stellen met het doel uitdrukking te geven aan de beweging, die in de naaste toekomst de politiek moest leiden. De kiezers gingen leven voor de politiek; daarom moest men trachten hen tot zich te trekken. Alle partijen maakten er gebruik van en zooals ook de anderen, sprak de Liberale Unie de begeerte uit een program te hebben, dat haar de gunst der kiezers bezorgde. Maar welk zou dat zijn? Dat was de knoop van de kwestie. Zou het zich eensluidend verklaren met de liberale traditie en zich op het standpunt stellen van zoo min mogelijke staatstusschenkomst? Of zou men dat geheel verlaten, om zich op den weg te begeven van de democratische eischen?
Nu zoo het vraagstuk gesteld werd, veroorzaakte het lange debatten en levendige bespreking. In Januari 1896 waren twee ontwerpen gereed, waarvan mededeeling geschiedde aan al de afdeelingen van de Liberale Unie, en om deze beide ontwerpen werd de beslissende strijd gestreden tusschen conservatieven en progressisten op de algemeene vergadering van 14 November 1896. Ondanks den tegenstand van een belangrijke minderheid werd het hervormingsprogram door het bestuur als eerste gesteld, aangenomen. Na een discussie, die een heftige wending nam, werd daarna een verkiezingsprogram vastgesteld. Beide ademden een democratischen geest. De jonge liberalen of vooruitstrevenden zegevierden over de geheele linie.
Langzamerhand trokken zich de conservatieve elementen uit de Liberale Unie terug, waar hun verstandige adviezen geen weerklank meer vonden, en de vereeniging, die naar haar oorsprong alle liberalen moest vereenigen zonder uitzondering of onderscheid, werd de verkiezingsorganisatie van de vooruitstrevende partij.
Het hervormingsprogram kondigde, zooals de naam reeds uitdrukt, de noodzakelijkheid aan om hervormingen te ondernemen, in het bizonder op sociaal terrein, tot bevordering van het geestelijk welzijn van de gansche natie, binnen de grenzen van het ontzag, verplicht aan de staatsinstellingen en aan het publieke recht in Nederland. Het stelde vooral tot plicht voor den staat, om op wettige wijze door de opheffing van voorrechten van het kapitaal meer billijkheid te brengen in de verdeeling van den nationalen rijkdom.
Zonder andere theoretische beschouwingen tot de practijk overgaande, stelde de Liberale Unie een lange lijst van hervormingen op, die zij voorstond:
1o. Op verkiezingsterrein, de grootst mogelijke uitbreiding van het kiesrecht.
2o. Op sociaal gebied: kamers van arbeid met gelijke rechten van werkman en patroon; wettelijke regeling van contracten van arbeid en huur tot beteren waarborg van elkanders belangen; wettelijke regeling van den arbeid, zelfs voor volwassen werklieden; verplichte verzekering tegen ongelukken met zoo noodig staatshulp uit de kas voor invaliditeit en ouderdom; herziening van de wetten op de onteigening; verbetering van de arbeiderswoningen; maatregelen voor de openbare gezondheid en bestrijding van het alcoholmisbruik; herziening van de armenwet op zulk een wijze dat samenwerking wordt verzekerd van de organisaties van weldadigheid en het recht vastgesteld van den staat om zich met de armen te bemoeien en den vloed van het pauperisme tegen te gaan.
3o. In de contracten, door den Staat aangegaan, te zorgen, dat men van de krachten der arbeiders geen misbruik maakt, en vast te stellen een minimumloon en een maximum van arbeidsduur.
4o. Wat betreft de opvoeding van het volk: leerplicht; tractementverhooging van de onderwijzers; uitbreiding van het ambachtsonderwijs en dit meer practisch te doen worden; de zaak van de zedelijk-verwaarloosde kinderen onder de oogen te nemen, voor wie algeheele en gedeeltelijke ontheffing van de vaderlijke macht noodzakelijk is.
5o. Wat betreft het familieleven: herziening van het erfrecht en het persoonsrecht zooals:
Verbetering van den toestand der natuurlijke kinderen, in 't bizonder door toelating van het onderzoek naar het vaderschap.
Verbetering van de rechtstoestand der vrouw, door haar vrijheid van handelen te geven, evengoed voor hetgeen overeenkomstig hare bekwaamheid is, als hetgeen met hare persoonlijkheid overeenstemt, terwijl aan de gehuwde vrouw met name de vrije beschikking over de vruchten van haar arbeid wordt gelaten. Uitbreiding van het erfrecht van de in leven blijvende echtgenoote.
Verhinderen dat een erfenis wettelijk aan verre bloedverwanten tebeurtvalt.
6o. Wat den landbouw betreft, verbetering van den veestapel, van handel en nijverheid; aanmoediging en bescherming, niet door de instelling van beschermende rechten, maar door andere middelen, zooals bv. verbetering van den omloop van het geld en van verkeersmiddelen, de bevordering van het landbouwonderwijs, enz.
7o. Wat betreft onze nationale verdediging--waar men ter eener zijde rekening moet houden met de internationale gebeurtenissen, die men redelijker wijze kan voorzien, en ter anderer zijde met de finantieele lasten, die men zooveel mogelijk moet verlichten--organisatie van het staande leger op den voet van persoonlijken dienstplicht; opheffing van de schutterij onder haar tegenwoordigen vorm; hervorming van den rechtstoestand van den soldaat.
8o. Wat betreft de rechtspraak: instelling van het administratieve recht; vereenvoudiging van de procedure, opdat deze snel en weinig kostbaar zij.
9o. Herziening van de gemeentewet om daarmede een sterke samenwerking der gemeenten te verzekeren, vooral met betrekking tot de sociale maatregelen en de volksgezondheid.
10o. Op het gebied der financiën: uitbreiding van de macht om belasting te heffen, toegekend aan de gemeenten; voeling houden met de landsbelastingen. Zuinig beheer van de financiën van den staat, om daardoor verzwaring van belasting te vermijden en in geval van nieuwe uitgaven, door de sociale hervormingen noodzakelijk geworden, indirecte belasting, niet op de noodzakelijkste levensbehoeften, maar op voorwerpen van weelde, zooals op goederen in de doode hand; hervorming van het belastingsysteem om door verlichting van de belasting op de minstgegoeden tot vollediger toepassing van het beginsel van progressie te komen, zelfs met betrekking tot het successierecht.
11o. Op het terrein van de koloniale politiek: aanmoediging van de vrije ontwikkeling van private industrie onder de machtige bescherming van de rechten en de belangen der inboorlingen; hervorming van de administratie van de Nederlandsche bezittingen in Indië; verbetering van de volkswelvaart van de West-Indische bezittingen.
* * * * *
Zoo was de schilderij van de eischen, door de Liberale Unie voorgesteld. Men merkte er niet de zedelijke voorbereiding in op, waardoor de programmen der rechtsche partijen zich kenmerken. Hervormingen zonder logischen band onderling uit de stoffelijke belangen des lands voortkomende en het verlangen om door hare toepassing bij tijd en wijle de volksgunst voor zich te verwerven, werd er geen systeem van sociale organisatie in vastgesteld. Op zekere punten waren de liberale beginselen verlaten en in andere punten waren zij toegepast. Zoo bijvoorbeeld bewaarde de staat de schijn van onafhankelijkheid der weldadigheidsinstellingen, terzelfder tijd dat hij uitging van de stelling van »laat maar gaan« terwijl hij op gebied van vrijhandel aan deze stelling getrouw bleef.
Uit dit program, dat uit zulke onderscheidene stukken was samengesteld, nam de Liberale Unie zonder dralen de hervormingen, die haar het dringendst toeschenen, en vormde hieruit met het oog op de verkiezingen van 1897 een verkiezingsprogram. De eischen, in het eerste ontwerp voorkomende, waren bij voorkeur dezulke, die het welzijn van het volk en de verbetering van de sociale verhoudingen betroffen. De Uniecandidaten verbonden zich daarvan de urgentie te erkennen en, eens gekozen, te werken aan hunne onverwijlde verwezenlijking. Het waren voornamelijk de wettige regeling van het sociale contract en de Zondagsrust; de verplichte verzekering tegen ongevallen, ziekten, invaliditeit en ouderdom; de verbetering der werkmanswoningen; de herziening van de wet op onderstand; de leerplicht; de emancipatie der vrouw; de bevordering van landbouw, handel en nijverheid; persoonlijke dienstplicht en opheffing van de schutterij.
Vooraan in dit program van urgentie figureerde voor het oogenblik niet de kieswethervorming, en de Liberale Unie gaf er deze verklaring van. De zorg voor een goede politiek gebiedt ons opnieuw de kwestie onder de oogen te zien zoolang als wij nog niet de resultaten van de herziening kunnen vaststellen, die hare voltooiing nadert.
Maar toch verborg zij niet, dat deze voorloopige oplossing haar geen voldoening gaf, en het vraagstuk bleef lang in het halfduister. Het verscheen wederom bij de nadering van de verkiezingen van 1901, en, opgeblazen door de omstandigheden, bracht het tweedracht in de liberale Unie. In Januari 1900 achtte het besturend comité het oogenblik gunstig om grondwetsherziening voor te stellen ten einde daardoor tot algemeen kiesrecht te komen. Het wilde ongetwijfeld de voorgestelde eischen met betrekking tot de kieswet als verkiezingsleuze gebruiken voor het volgende jaar. Met dit doel stelde het een rondschrijven op, waarin het mededeelde, van plan te zijn het eerste artikel van het hervormingsprogram te voltooien en aan het hoofd te stellen van het program van urgentie. Dit ontwerp hield in:
1o. Kiesrecht voor alle bewoners van Nederland met uitzondering van:
die hun kiesrecht verloren hebben door een rechterlijke uitspraak; de gevangenen; zij die in een krankzinnigengesticht opgesloten zijn; die onder curatele gesteld zijn door een rechterlijk vonnis; terwijl, wat betreft de bedeelden, wij oordeelen, dat dit het verlies van het kiesrecht niet mag tengevolge hebben, onder welke omstandigheden ook.
2o. Wat betreft de vrouwen, zullen wij het aan den wetgever overlaten, haar het kiesrecht te geven of niet.
Toen de generale vergadering van 2 Juni 1900 geroepen over dit voorstel te beraadslagen, nam zij eerst het volgende besluit: »De Liberale Unie, handhavende hare meening, die zij herhaaldelijk uitgedrukt heeft, aangaande de noodzakelijkheid van de herziening van het kiesrecht in den zin van wegneming van allen maatstaf naar de belasting, is van oordeel, dat, om daartoe te geraken, het noodzakelijk is, de artikelen 80, 127 en 143 van de grondwet te herzien, met de bedoeling om daardoor het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen mogelijk te maken«.
De meerderheid richtte zich in beginsel naar de gedachte van het bestuur. Nu bleef nog de kwestie van urgentie over. Hier vertoonde zich een sterke oppositie. Vele progressisten vonden dat het zuiver onzin was deze kwestie voorop te stellen. Zij herinnerden zich de groote verdeeldheden, die het gevolg waren van de ontwerpen van Tak en Van Houten en zij maanden tot herziening dezer kwestie. Zij begrepen de stijfhoofdigheid van het bestuur niet en verdachten het ervan gedreven te worden door de leiders van de kleine groep van radicalen, alsmede door de hoop den socialisten de gunst des volks te onttrekken. In allen gevalle achtten zij het oogenblik slecht gekozen; want om een grondwetsherziening inderdaad mogelijk te maken, moet men op twee derden der stemmen van de Generale Staten daarvoor kunnen rekenen en de linkerzijde bezat in de Tweede Kamer slechts 54 van de 100 en in de Eerste Kamer 31 van de 50, zonder te mogen hopen dat spoedig het vereischte aantal verkregen werd.
Ook nam hare vergadering van 26 Januari 1901 niet zonder verwondering kennis van de motie, tegen aller zin in door het bestuur ondersteund. Zij hield de gelofte in, dat bij de algemeene verkiezingen van 1901 de grondwetsherziening, vervat in het eerste artikel van het program, voorop zou worden gesteld en dat de candidaten van de Liberale Unie niet alleen hun instemming moesten betuigen met het geheele hervormingsprogram maar evenzeer van de urgentie der kwestie in het eerste artikel gesteld, overtuigd waren.
Dit voorstel, dat in ondubbelzinnige termen was opgesteld, deed den storm opsteken. Na heftige debatten weigerde de Liberale Unie met 44 tegen 33 stemmen zijne aanvoerders te volgen op den gevaarlijken weg. Het onweder sleepte de motie van urgentie en degenen, die haar gesteld hadden, mee. Het bestuur trad af, met zich nemende de radicale groep, om met haar een nieuwe vereeniging te stichten, nl. de Vrijzinnig-democratische bond.
De Liberale Unie, voor een oogenblik ontmoedigd, herstelde en hervormde zich. Uit hen, die gebleven waren, koos zij een nieuw bestuur en om te toonen, dat zij haar oorspronkelijk program niet had verlaten, publiceerde zij dit opnieuw. Niets was er in veranderd dan het eerste artikel, dat aangevuld door de motie van 2 Juni 1900, het algemeene kiesrecht ook voor de vrouwen eischte. Want de urgentie alleen van dezen eisch was er uit verwijderd. Maar toch ook waren er punten uit genomen, die onder de liberale ministeries Van Houten en Pierson werkelijkheid waren geworden.
* * * * *
Evenwel was de Liberale Unie verzwakt temidden van deze geschillen. In 1898 bezat zij 79 kiesvereenigingen met ongeveer 10.000 aanhangers en was vertegenwoordigd in 110 plaatsen in Nederland, terwijl deze weer samengevoegd werden in verschillende centrale afdeelingen. Na de breuk met de Vrijzinnig-democraten behield zij slechts in 1901, 49 kiesvereenigingen met 7218 aanhangers en 360 buitengewone en beschermende leden. Die achteruitgang werd gevoeld. Terzelfdertijd onderging het aantal hunner afgevaardigden eenzelfde lot; van de 32 van 1897 bleven er slechts 20 in 1901 over. De verkiezingen in 1905 brachten dit cijfer tot 23, terwijl in 1909 dit getal opnieuw slonk tot 20.
Desondanks behoudt de Liberale Unie een niet te versmaden invloed. Ofschoon zij voor 't meerendeel uit elementen is samengesteld, die veel van elkander verschillen en slechts bijeen worden gehouden door de positieve band van politieke bekwaamheid, profiteert ze van haar eigenaardige ligging in de linkerzijde, van middenpartij. Zij is de spil van de linker concentratie; de as, waarom de oud-liberalen en de uiterste linkerzijde zich bewegen. Het zijn mannen, die gedurende ruim vijftien jaren het grootste gedeelte van de liberale ministeries hebben uitgemaakt.