De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 7
De zwakheid kwam uit op sociaal terrein. Van de volstrekte vrijheid, door het liberalisme gepredikt, kon geen zedelijkheid of harmonie uitgaan. »De vrijheidsleer", zegt Bucher, »stelt vast, dat ieder mensch tegenover de anderen geheel vrij is, en hierin slechts door de vrijheid van zijn evenmensch wordt begrensd. Hieruit moet men besluiten, dat de mensch geen andere wet heeft om zijn lust te breidelen, dan de tegenstand van de lusten der andere menschen; dat hij geen andere kracht heeft te overwinnen dan die van zijns gelijken; hieruit vloeit deze gevolgtrekking voort, dat de samenleving voor allen schadelijk is, die er geen genotmiddel van weten te maken«. De regeering, volkomen onverschillig tegenover deze botsing van de belangen en den strijd om het bestaan tusschen sterken en zwakken, kwam er alleen bij om zich te beijveren de soort van anarchie, die hieruit geboren werd, te doen eerbiedigen, welke met den schoonen naam van maatschappelijke orde werd gesierd. Deze onthouding onder schijn van edelmoedigheid was op haar pas geweest, zoo de mensch, volgens de zoo geliefde theorie van Rousseau, van nature goed was; maar nu had zij het grofste egoisme, de verkrachting van de rechten der natuur, de verdrukking van de zwakken door de sterken, tengevolge.
Naarmate het liberale systeem in beoefening werd gebracht, moesten de sociale nooden meer tevoorschijn komen. Nooden van maatschappelijke orde, van regeering, van maatschappelijke banden, van wederkeerige waarborgen, van gemeenschappelijke geloofsbelijdenissen, van de bewaring van gezinnen en hunne goederen in een toestand meer overeenkomstig hunne welvaart, van groepeering der cellen van den bijenkorf onderling buiten het bereik van de tirannie der regeering. Dat alles werd door de liberale partij miskend, of liever het wilde ze niet kennen. Zij sloot de oogen voor de werkelijkheid, en dat is altijd een teeken van zwakheid en verval.
Bovendien was een leerstelsel opgekomen, dat gevolgtrekking was van de liberale leer en tevens tegen haar in werkte, het socialisme n.l., dat de beginselen, die het liberalisme had gemaakt tot het hoogste goed van de bourgeoisie, ten nutte aanwendde voor den vierden stand.
Dit socialisme beweerde het geneesmiddel te bezitten voor al de kwalen der maatschappij. Zijne aanvallen alsmede die der orthodoxen, die de herstelling begeerden van het beschermend werk van den christenstaat--over een christenvolk--slaagden er in om den liberalen kolossus van het voetstuk af te werpen, waarop de volksgunst hem had geplaatst, en zoo het bankroet van hun systeem volkomen te maken.
Onder den druk, die zich deed gevoelen in de richting van de socialistische pool, begonnen de liberalen in Nederland te begrijpen, dat het gevaarlijk is voor een partij om niets te willen, wanneer de volksmenners alles willen en het volk iets wil. Na eerst lijdelijk weerstand geboden te hebben, begaven zij zich schroomvallig in de richting van de sociale hervormingen. Hun verouderde beginselen verlatende, trachtten zij een nieuw denkbeeld te vinden en voor het meerendeel neigden zij zich meer of minder naar het socialistische denkbeeld, hetwelk aan hunne beginselen als logische consequentie, hoe verschillend anders ook, ten grondslag lag.
Degenen, die het meest gehecht zijn aan de oude leer, moeten deze karakteristieke ontwikkeling erkennen. Zoo schreef de heer Van der Kaay, oud-minister van justitie in het kabinet Van Houten: »De Staat werd met geweld in aanraking gebracht met de sociale belangen, zooals de wettelijke regeling van de handenarbeid en de verzending der koopmansgoederen. Van alle kanten werd hij besprongen door personen, die hem om zijn hulp meer dan om de vrijheid verzochten. Daardoor was het voor de regeering bijna onmogelijk zich te onthouden. De wetgeving is niet zonder invloed op deze belangen en waar het op de liberale regeering rustte, de vereenigingen en de particuliere personen aan te moedigen tot de ontwikkeling van hun eigen krachten, door algemeene voorwaarden te scheppen, die deze ontwikkeling mogelijk maakten, daar kwamen er moeilijke kwesties voor de regeering voor, die opgelost moesten worden, vooral wanneer men zich herinnert dat deze algemeene voorwaarden ook moesten gelden voor armen en de verwaarloosden".
En hij voegt er bijna berustend aan toe: »Men kon zich niet onttrekken aan den invloed van degenen, die hem omringden, noch aan de eischen van den tegenwoordigen tijd."
Zie ons daar ver verwijderd van de theorieën van Thorbecke! De liberalen hebben ze òf ten deele òf geheel laten varen. Zij hebben in de tusschenkomst der regeering toegestemd en uit het program der socialisten enkele hervormingen overgenomen, varieerend in getal en gewicht naar hunne genegenheid en geaardheid. Terzelfder tijd hebben zij hun onverschillige houding laten varen, om meer en meer tegen de kerkelijken op te trekken. Dat was het einde van eene neutraliteit, die in de werkelijkheid niet kon bestaan, en het was toch natuurlijk dat zij zich onbewust wellicht door de logica van hunne grondstelling lieten meesleepen naar het socialisme.
Maar deze verschuiving in de linkerzijde heeft niet ineens plaatsgehad. Zij had vijftig jaar geduurd, en was eerst onmerkbaar; in de laatste jaren echter had zij haar loop versneld en, meer of minder langdurig door de hinderpalen van den weg opgehouden, had zij de overblijfselen van de groote liberale partij achter zich gelaten.
* * * * *
Van den tijd van Thorbecke af was er eene beweging onder de troepen van het liberalisme. Ongeveer in 1866, bij gelegenheid van het koloniale vraagstuk, begon men van gematigden en geavanceerden te spreken, genen bleven den »Meester" getrouw, dezen verlieten hem om de radicale beginselen van Fransen van der Putte te volgen. De scheiding werd eerst voltrokken, toen de regeering haar stelsel om zich aan alles te onthouden meer en meer varen liet.
Sedert 1872 worden ons door Opzoomer--in zijn boek: »Grenzen van de staatsmacht"--de volgende regels aangegeven voor staatsbemoeiing:
1o. Men moet in zijn geheele uitgebreidheid het beginsel van gelijkheid van allen handhaven, zelfs van vreemdelingen tegenover de justitie en de politieverordeningen.
2o. Men moet erkennen, dat elk ander regeeringswerk het voorwerp der besprekingen mag zijn. Het is van belang, dat in de debatten van dat soort een goede toon bewaard blijft en geen bij- of scheldnamen van socialist of individualist gebruikt worden.
3o. Het is noodig, dat men iedere nieuwe taak weigert, tenzij het onderzoek heeft aangetoond, dat het belang van de natie de daadwerkelijke tusschenkomst van den staat vordert en dat zonder dat de taak niet of slecht wordt vervuld.
4o. Men moet zonder vooringenomenheid onderzoeken, of een gedeelte van de taak niet nuttiger zou kunnen worden vervuld door bijzondere vereenigingen of door particulieren.
5o. Men moet de geworden veranderingen aanbrengen, noodzakelijk door de wijziging der publieke opinie.
* * * * *
De tusschenkomst van den staat onder regels brengen, dat is reeds: ze toestaan. En de »Grenzen" van Opzoomer laten ons een staat zien, door het verstand beheerscht. Zij wettigen de gedeeltelijke verlating van het leerstelsel, waartoe de laatste verplicht werd, om zich te veranderen in een verstandelijk opportunisme en door hunne termen bewijzen zij dat er reeds een levendige oppositie gevoerd werd tusschen de beide tegenovergestelde groepen.
Deze oppositie werd grooter, daar de een zonder ophouden de tusschenkomst van den Staat niet ver genoeg vond, en de andere steeds vreesde haar verder zich te zien uitstrekken. De grondwetsherziening en de hervorming van het kiesrecht, twee vraagstukken, die in Nederland nauw met elkander verbonden zijn, waar het kiesrecht is bepaald bij de grondwet, en waarvan men weldra in politieke kringen begon te spreken, brachten deze oppositie op een critiek punt. Onder den invloed van de hartstochtelijke twistgesprekken werd de scheiding zoo groot onder de liberalen, dat zij momenteel de meerderheid verloren in de Tweede Kamer.
Om de partij voor volkomen nederlaag te bewaren, beproefden vele leden het grootst-mogelijke aantal partijgenooten in de organisatie »de Liberale Unie" te vereenigen. Maar deze organisatie, naar zij zeide, die de overeenstemming wilde herstellen, tusschen de liberalen van verschillende schakeering, om den politieken invloed tegen te gaan der confessioneele partij, slaagde er slechts in, den voortgang der ontbinding tegen te gaan.
De verdediging van de schoolwet, een werk van de liberale regeering, behield nog gedurende eenigen tijd een kunstmatige eenheid, maar in 1889 ontnam de wet-Mackay haar veel van hare belangrijkheid en men moest besluiten de sociale kwesties onder de oogen te zien.
Te dien einde begon de »Liberale Unie" het hervormingsprogram uit te werken. Maar dit wekte ernstige ontevredenheid onder de geavanceerden, die zich over de beslissende verklaringen beklaagden, welke grenzen trokken te nauw voor de persoonlijke meeningen, met betrekking tot eenige wetsvraagstukken, waarvan men het onmisbare onderzoek ter nauwernood begonnen was. De heer Pierson onthield zich niet van critiek. Een manifest verscheen met 33 handteekeningen en proclameerde tot plicht van den staat »de tusschenkomst ten gunste der misdeelden door middel van wettelijke maatregelen.« De geestelijke verwijdering was te zeer verscherpt om elkander te kunnen verstaan in een gemeenschappelijk program.
Onderwijl werd met het ontwerp-Tak van Poortvliet, het vraagstuk van de regeling van het kiesrecht opnieuw gesteld. Dit was de aanleiding tot de breuk. Eenigen met Kerdijk en de leden van het ministerie Tak zich noemende Progessisten of zelfs radicalen, spraken zich ten gunste van een groote uitbreiding van kiezers uit, door de opheffing van alle census en vaststelling van een soort van algemeen kiesrecht. Anderen met Mr. Roëll en Van Houten, die zich bij hem had gevoegd, toonden zich conservatief en trachtten er naar, dat de minst-mogelijke verandering werd verkregen in het stuk van den census. Het parlementaire steekspel duurde vier jaren, nam de krachten van twee ministeries in beslag en eindigde met een voorloopig besluit, een soort van overgang, waarin de gematigden de overwinning behaalden.
Alle partijen verlieten den strijd in groote beroering; de liberale partij meer dan een der andere. Gedurende een oogenblik van stilstand der twisten, gelukte het bij de verkiezingen van 1897, om de krachten der linkerzijde tegen het clericale gevaar te vereenigen, maar deze wapenstilstand was misleidend. Niet alleen was de breuk tusschen gematigden en progessisten volkomen, maar de verdeeldheid drong ook door zelfs in de rijen van de »Liberale Unie". Het bestuur had het plan om in 1900, de kwestie van herziening der grondwet aan de orde te stellen, als middel ter invoering van het algemeen kiesrecht, maar verkreeg de afkeuring van de algemeene vergadering, die weigerde hem op dien weg te volgen. Het gevolg er van was een sterke splitsing. Het besturend comité trad af en trok zich terug, gevolgd door zijne getrouwen. De ontevredenen besloten in overleg met de radicalen, nadat zij bij hun vertrek de deur achter zich hadden dichtgeslagen, een nieuwe partij te vormen. Te dien einde kwamen zij dichter bij de socialistische partij te staan en zij ontplooiden er de vlag van den Vrijzinnig-democratischen Bond.
Dientengevolge is de liberale partij, eertijds zoo machtig, dat men geloofde dat zij voor altijd meester was van de toekomst van Nederland, op dezen tijd geheel gedesorganiseerd. In 1898 antwoordde op de vraag of er in Nederland nog een groote liberale partij is, de heer Van der Kaay bevestigend, terwijl hij echter toestemde dat enkele liberalen daarop een ontkennend antwoord zouden geven. Heden is geen twijfel meer mogelijk; zij bestaat niet meer, zooals de heer Troelstra zeide, want er is onder de verschillende brokstukken geen eenheid van doel of van handeling. De zuivere liberalen, de mannen van »laat maar gaan", zooals men ze noemde, zijn bijna geheel verdwenen. Overigens, terwijl eenigen zich zoo getrouw mogelijk hielden aan het oorspronkelijke leerstelsel, hebben anderen een vasten vorm aan hun »vooruitgang" gegeven door zich »progressisten" te noemen. Nog anderen hebben zich op de grenzen van het socialisme geposteerd, waarvan zij slechts gescheiden zijn door een denkbeeldigen muur, die bij het minste zuchtje omvergeworpen wordt. Alzoo vinden wij ter rechterzijde de oud-liberalen, ter linkerzijde de vrijzinnig-democraten, en de vooruitstrevende liberalen in 't midden.
Naar alle waarschijnlijkheid groeide de verbrokkeling aan, naarmate de politieke invloed van deze partijen minder werd. Van het ideaal ontdaan, voeren zij meer en meer in het zog van het socialisme of sloten zij zich in een soort van onmachtig isolement op. Zij zouden nog wel eenigen tijd voort kunnen leven en een bijzondere rol spelen, maar sedert het bankroet van het stelsel, dat aan het liberalisme ten grondslag lag, hebben ze nog slechts eenige beteekenis als de partij van het juiste midden, wier invloed en kracht met elke gebeurtenis bij den dag minder wordt.
_I. De Oud-Liberalen, Conservatief-Liberalen of Vrij-Liberalen._
Deze zijn het meest aan de liberale tradities getrouw gebleven. Toen anderen ze verlaten hadden om de vrijheid van het individu aan het absolutisme van den staat op te offeren, hebben de oud-liberalen zich sterk gemaakt om in de oude positie te blijven staan.
Zij weken zeer langzaam er van af; verlieten duim voor duim het terrein, toen het hun onmogelijk was er langer te blijven. Indien zij ook al niet de volkomen onthouding van den Staat predikten en indien zij al niet tegenstanders van hervormingen waren, zij wilden ze toch zoo min mogelijk. Ook noemt men ze nog de gematigd-liberalen, want dat zijn ze, zoowel in hun wenschen als in hun taal. »Gelijk overvoeding noodlottig is, voor het menschelijke lichaam," zoo spreken zij, »zoo kan de maatschappij niet te veel hervormingen tegelijk verdragen." Maar zij begrepen niet dat, door al te matig te zijn, zij gevaar liepen haar te doen sterven aan verzwakking en uittering. Conservatief van principe even goed als van methode hadden zij een groote vrees voor al wat hun avontuurlijk toescheen. »Bezint eer gij begint!" herhaalden zij in alle toonaarden, en daarin was hunne voorzichtigheid verstandig. Maar zij bezonnen zich zoo lang en zoo goed, dat zij insliepen op hunne stellingen en niet zagen, dat de wassende stroom van het socialisme hen geheel dreigde in te sluiten.
Het socialisme, waarvoor zij bevreesd waren en dat zij dachten te beperken door hun lijdelijk verzet, is niet het eenige gevaar, dat hen verschrikt. Er is een ander, dat hun meer aan de orde van den dag en verschrikkelijker toeschijnt, het is n.l. wat Gambetta in deze woorden omschreef: »Het maatschappelijk gevaar, dat is het clericalisme". Dat is de formuleering, die in het bizonder de heer Van Houten tot de zijne gemaakt heeft en die hij ontwikkelde met voortdurende vijandschap.
Tusschen deze beide gevaren heen en weder bewogen, namelijk tusschen het socialisme en het clericalisme, slaagden de oud-liberalen, die door een voorzichtige gelegenheidspolitiek het liberale stelsel met de eischen des tijds trachtten overeen te brengen, er slechts in een nuttigheidspolitiek te voeren. Niet, dat het hun aan wijsheid en beleid ontbrak. In hunne rijen waren mannen van naam in grooten getale aanwezig. Er waren rechtsgeleerden en wijsgeeren bij, zooals de heeren Van der Kaaij en Van Houten, redenaars als de heeren De Beaufort en Roëll, eminente hoogleeraren als de heer Van der Vlugt, diplomaten als Van Karnebeek en Tets van Goudriaan, oud-ministers als bijna deze allen zijn, wier namen genoemd zijn. Het zijn echter niet dan uitnemende personen, naar wier schoone taal men met eerbied luistert, zonder een oogenblik te denken ze in werkelijkheid om te zetten; die de beweging niet meer beheerschen, maar zich tevreden stellen met ze van verre te volgen, en wien het niet dan met groote moeite gelukt, dat hun liberale, meer-geavanceerde broeders de langzaamheid van hun gang hun vergeven terwille van hun ijver tegen het clericalisme.
* * * * *
In een land van ware vrijheid zooals Nederland loopt zoodanige houding, die zoo antigodsdienstig is, gevaar niet de goedkeuring van de publieke opinie weg te dragen, zelfs niet van al de volgelingen der conservatief-liberale politiek. Zoo gaf ter gelegenheid van de algemeene verkiezingen in 1905 de heer Holwerda, professor aan de Leidsche Universiteit twee brochures in 't licht,[2] moedig wijzende op de gevaren van het liberale sectarisme. Hij noemde haar het clericalisme van den tegenovergestelden zin; constateerde dat de liberale partij zonder blikken of blozen de partij van het ongeloof was geworden, en vroeg zich af, zonder zich nu veel van het antwoord in te beelden, òf niet een liberalisme mogelijk was dat beter zorgde voor de godsdienstvrijheid dan die treurige en verbasterde vrijheid door de modernen gesteld.
[2] "Wie zijn wij zelf?" en "Kunnen wij niet anders worden?"
Dat voorbeeld bleef niet zonder gevolg. Anderen, onder wie er velen waren die hooge regeeringsambten bekleedden, ondernamen op hetzelfde tijdstip een daad van protest, door een nieuwe gematigde partij te formeeren. In een vergadering van de leiders dezer beweging te 's Gravenhage werd den 7en October 1904 het besluit daartoe genomen. Zij werkten een program van beginselen uit met een verklarend bijschrift, verkozen een voorloopig bestuur en noemden zich de Nationaal-historische Partij. Weldra werden er provinciale comite's in Zuid-Holland en Overijsel opgericht terzelfder tijd, dat de kiesvereeniging »Vaderland en Koning" uit den Haag zich bij haar voegde, welke eertijds een belangrijke rol had gespeeld in de verwikkelingen tusschen conservatieven en liberalen. In hun beginselprogram plaatsten zij zich op het terrein van het publieke recht, zooals zich dat in de historie voordeed, om naar een ontwikkeling van staat en maatschappij op historischen grondslag te streven; hielden rekening met »het godsdienstig karakter van het nationale leven", om zich openlijk te verklaren voor methodischen vooruitgang, naar de eischen des tijds; voor de onderwerping aan de vastgestelde bepalingen en der eerbiediging van de verkregen rechten; en erkenden uitdrukkelijk »als plicht van de overheid, de vrije uitoefening van den godsdienst te begunstigen, te ondersteunen en te beschermen". Uit al deze uitdrukkingen blijkt het verschil van temperament, dat hen van de oud-liberalen scheidde, wier conservatieve tendensen zij daarenboven behielden.
Zonder twijfel was de bedoeling van de Nationaal-historischen om een zelfstandige partij te vormen, die zoomin bij rechts als bij links behoorde en den rol van scheidsrechter zou kunnen vervullen tusschen de Christelijke coalitie en het anticlericale blok, wier krachten op weinig na tegen elkander opwogen. Het wekelijksche orgaan »de Nederlandsche Stemmen", dat zij hadden opgericht, liet ons daarover in het duister en publiceerde in zijn nummer van den 27en Januari 1905 een verklaring van het voorloopig bestuur, waarin ter eener zijde de rangschikking der partijen naar het criterium door de confessioneele partijen vastgesteld werd verworpen en aan den anderen kant elke medewerking aan het program van de zich noemende liberale concentratie werd geweigerd.
Denzelfden geest ademt eene beslissing den 12en Mei 1905 door de partij genomen aan den vooravond der algemeene verkiezingen, waarin zij haar diepe droefheid uitsprak, over den overgang van vele oud-liberalen naar de liberale concentratie en haar plan mededeelde om met eigen candidaten uit te komen. Maar dit besluit werd slechts in het derde district van Den Haag ten uitvoer gebracht, waar het hun eigen secretaris, Baron van Vredeburch, gelukte bij afwezigheid van een rechtschen candidaat 2572 stemmen op zich te vereenigen en in herstemming te komen met den Unie-liberaal Jansen.
Daartoe bepaalden zich de resultaten van deze taktiek en zoo was een proef genomen van den gematigden invloed van de nieuwe partij. Het bleek op dat oogenblik dat de titel »Nationaal-Historische Partij" slechts gegeven was aan een »generale staf zonder troepen, die gansch geen invloed had op de liberale kiezers.«
Zullen zij, waar zij in hunne poging van volstrekte neutraliteit hebben gefaald, zooals de »Nederlander" hoopte, naar de conservatieve elementen van rechts zich wenden, inzonderheid tot de Christelijk-Historischen? Dat is het geheim der toekomst; maar zeker is het mogelijk en dit schijnt tot het wel-beraamde plan te behooren van den heer De Savornin Lohman.
* * * * *
Of de oorzaak lag in de houding der Nationaal-Historischen dan wel in de noodzakelijkheid om zich tegenover het kiezerscorps aangaande hun verbond met de democratische fracties van links te verklaren, zeker is het, dat bij de nadering van de wettelijke verkiezingen van 1905, de oud-liberalen een manifest aan de liberale kiezers openbaar maakten, onderteekend door 75 bekende politieke personen. Er kon eigenlijk niet van een program gesproken worden, want het miste nauwkeurige belijning en autoriteit. Het manifest der 75, zooals men dat toen noemde, drukte alleen de noodzakelijkheid uit van in het belang van het land front te maken tegen de regeeringsmeerderheid, door de liberale candidaten te steunen, ook zelfs, wanneer men hunne ideeën niet deelde. Het sprak ook in vrij vage bewoordingen eenige punten van beginsel uit om algeheele verwarring met andere partijen te voorkomen. Daarin werd bepaald, dat het de plicht van den liberalen staat was op onpartijdige wijze aan al de burgers de grootst mogelijke vrijheid te verzekeren, de politieke vrijheid, gewaarborgd door een gezonde wetgeving, en de maatschappelijke vrijheid als onmisbare voorwaarde van voorspoed en beschaving. Het sprak zich over de herziening van het kiesrecht uit, dat zij dit niet aan de orde achtte, en besloot met het oog op den verkiezingstrijd tot de oprichting van een commissie van advies, bestaande uit zeven leden, die belast was met de leiding van het werk der kiesvereenigingen.
Daar zat een begin van organisatie in. De meest verharde individualisten als de heer S. Van Houten, die naar het zeggen van den heer Treub niets anders zijn dan inconsequente anarchisten, hadden er het zegel hunner goedkeuring aangehecht, en het is wel te verwonderen, dat dit zoo is. Na de wettelijke verkiezingen, waardoor de oud-liberalen, die de hulp zelfs van de socialisten aannamen, het van acht tot elf vertegenwoordigers in de Kamer brachten, geloofden zij, dat het oogenblik gekomen was om deze schets te voltooien. Het was hun president, de heer Tydeman, afgevaardigde van Tiel en verdienstelijk redenaar, die op het congres, dat den 23en Juni 1906 gehouden werd, verklaarde dat hun oogwerk was zich een huis te bouwen met de uitgesproken verwachting daarin een deel van de leden van de Liberale Unie tot zich te trekken. Bijzonder eigenaardig was het, dat deze nieuwe vereeniging zich aandiende als vrij en dit was op het oogenblik, dat hare leden iets van hunne vrijheid inboetten in de handen van een vereeniging, die naar hun oordeel van plan was dezen titel aan te nemen. Misschien vonden zij dat de naam »Oud-liberaal« te veel naar schimmel rook, en dat Vrij-liberalen beter in de ooren klonk dan Oud-liberalen. In allen gevalle bleef de radicale drukpers niet in gebreke deze inconsequentie aan te toonen en daar zij steeds weinig sympathie betoonde aan de achterblijvers, deed zij dit met zelfvoldane ironie.
Nadat de bond van Vrije liberalen geconstitueerd was, had zij aan haar hoofd een commissie van advies gehouden van ten minste zeven leden en districtsbesturen in 't leven geroepen, overal waar meer dan ééne afdeeling van den bond was; maar zij had nog geen program.