De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 6

Chapter 63,620 wordsPublic domain

De Christelijke coalitie scheen hun toe een monster-verbond te zijn. Als erfgenaam van de tradities der Protestanten en van hun haat tegen het Roomsche Katholicisme, zagen de predikanten er een aanslag in op den voorrang der Nederlandsche Hervormde Kerk. Zonder ophouden hadden zij zich blind getuurd op de schitterende aureool waarmee deze eertijds was getooid, en evenals de conservatieve Protestanten, wiens opvolgers zij waren, hadden zij gaarne gewild dat zij wederom het karakter van officieele volkskerk had herkregen.

In allen gevalle stelden zij zich met kracht tegen al wat haar de overwegende plaats, die zij nog in het land besloeg, zou kunnen ontnemen. Voor hen bleef het Roomsch Katholicisme de vijand en Rome de kwaadaardige gevangenis, aller haat en verachting waardig. In het verbond werd naar hun zeggen der geschiedenis een slag in 't aangezicht gegeven, en zonder de voordeelen op te merken, die de Protestanten zelven op politiek gebied uit deze taktiek trokken, zagen ze slechts op de grootere kracht, die de Roomschen daardoor konden ontwikkelen. Zulk eene handelwijze was naar hun meening overschrijding van de gestelde maat en op initiatief van Dr. Bronsveld vereenigden zich sommigen onder hen, en besloten vertegenwoordigers van alle streken van Nederland op te roepen om een generaal comité te verkiezen en een program van beginselen op te stellen. Zoo kwam het, dat in het begin van 1897 te Utrecht de Christelijk-historische Kiezersbond werd opgericht. Het centrale comité werd samengesteld uit 9 leden, en in 9 artikelen werd hunne leer in verkorten vorm vastgesteld. In het program was de invloed merkbaar van de mindere beteekenis, die door de predikanten aan de Heilige Schrift werd toegekend voor het staatkundig leven. Terwijl zij toestemmen, dat het Evangelie van Jezus Christus beginselen bevat, waarnaar ieder Christen, bijgevolg ook de staatsman zich heeft te richten; beginselen, die op alle terreinen des levens moeten geëerbiedigd worden; beweren zij dat God geen politiek stelsel heeft gegeven, en dat het godsdienstig geloof niet onvoorwaardelijk oplegt dat men zich op politiek gebied bij de een of andere partij moet voegen.

Uit dat beginsel volgt dat de Kiezersbond aanspraak maakte op het recht om zich van zijne broeders af te scheiden, en in de politiek eenzelfde richting in te slaan als zij, die in godsdienstig beginsel lijnrecht tegenover hen stonden.

Om een verklaring van den naam te geven, die zijn stichter hem gaf, voegde Dr. Bronsveld er aan toe: »Alles wat in tegenspraak is met de groote beginselen van het Evangelie van Christus, is overal verboden, dus ook in de politiek. Zoo is de grondslag van de Kiezersbond, die de naam Christelijk voor zich opeischt. Daar werd »Historisch" aan toegevoegd daar men overwoog, dat de toestand der hedendaagsche zaken en hare ontwikkeling niet van het verleden, waarin zij wortelen en waaruit zij zijn voortgekomen, mag losgemaakt worden". En opdat ze gemakkelijker in de publieke opinie ingeburgerd zou worden, herinnerde hij aan den tijd van Groen van Prinsterer, toen verscheidene personen, zooals de dichter Da Costa, reeds de benaming van Christelijk-historisch verkozen boven die van Antirevolutionair.

Wat het program zelf betreft, nadat het zijn aanhankelijkheid aan het Oranjehuis heeft uitgesproken toont het zijne vijandschap tegen al wat de Hervormde Kerk zou kunnen benadeelen of de Roomsche kerk zou kunnen bevoordeelen; keurde het de overdreven bemoeiing van den staat in de sociale kwestie en zijne inmenging in de armenverzorging af; stond persoonlijken dienstplicht voor, maar stelde zich tegen het protectionisme; eischte goed volksonderwijs, in elk opzicht van den geest des Evangelies doortrokken, maar nam eene onzijdige houding in den schoolstrijd aan; en verklaarde eindelijk op koloniaal terrein de ideeën van de heeren Elout van Soeterwoude, Mackay, Van Ophemert en Groen van Prinsterer toegedaan te zijn, en derhalve een Christelijk bestuur te willen, een waardige en krachtige bescherming, een voortdurende opmerkzaamheid, inzake den arbeid der verschillende Zendingsgenootschappen, opdat zij elkander niet hinderen zouden.

In 't kort behalve de conservatieve trek, die men er in zag, was het program anti-Roomsch en anti-Kuyperiaansch.

Dat karakter werd niet verloochend, toen men in 1900 het program door scherpere belijning op enkele punten aanvulde. Toch had de ervaring getoond, dat deze negatieve politiek niet in de gunst van het volk deelde, ook zelfs niet in die van al hare aanhangers.

Bij de verkiezing van 1897 had de »Christelijk-Historische Kiezersbond" bijna 30,000 stemmen verkregen, en een vertegenwoordiger naar de Tweede Kamer gezonden. Maar deze afgevaardigde, Dr. De Visser, predikant te Amsterdam, vicepresident van het Centraal Comité der partij en geliefd leerling van Dr. Bronsveld, had ternauwernood zijn voet over den drempel van het Binnenhof gezet, of hij vereenigde zich met de rechterzijde en ging niet meer accoord met de onverzoenlijkheid van zijn meester. Dit gaf Dr. Kuyper de ondeugende ironie in den mond; »dat de Utrechtsche Kroniekschrijver door zijn eigen geesteskinderen werd opgegeten."

Het resultaat van de algemeene verkiezingen van 1901, toen de fractie Bronsveld, zooals men ze toen noemde, minder dan 10.000 stemmen behaalde, geeft ons het bewijs dat ondanks een poging tot organisatie hun ideeën veel minder aanhangers telden. De kiezers keurden de sectarische houding, die de Kiezersbond had aangenomen, al minder en minder goed.

Toen achtte Dr. De Visser het oogenblik gekomen om zijn overgang te voltooien. Reeds bij de verkiezingen van 1901 had hij, ondanks het verontwaardigd protest van Dr. Bronsveld, de meerderheid der Christelijk-Historischen meegekregen, voornamelijk in Friesland, Rotterdam, Amsterdam en den Haag, om met de rechterzijde op te trekken. Onder het ministerie-Kuyper voegde hij zich in het openbaar naast de Antirevolutionairen, en bezorgde hun den steun van een groot deel van den Kiezersbond, die bij hun terugkeer den naam en de banier meenamen, waaronder zij gewoon waren te strijden. Terzelfder tijd lieten zij hunne vijandschap tegen de Antirevolutionairen en Roomschen varen, en zonder zich om het gezag van Dr. Bronsveld te bekommeren, weigerden zij niet langer hun plaats in de coalitie in te nemen.

Bij dit verval van zijn politiek bleef Dr. Bronsveld nog van enkele getrouwen omringd, die van dag tot dag minder talrijk werden. Bij de nadering der verkiezingen van 1905 lieten verscheidenen hunner, die naar het voorbeeld van Ds. Buijtendijk, Dr. Kuyper met een vuur gelijk aan het zijne, hadden bestreden, dit na en verklaarden zich openlijk voor de rechterzijde.

De Christelijk-Historische Kiezersbond had zijn tijd gehad. Van de Hervormde Protestanten, die Dr. Bronsveld had willen organiseeren tegen het »Papisme" en het Kuyperianisme, waren de meesten naar den vijand overgeloopen; er bleef slechts een verwarde massa over, die doorging de liberalen te volgen, totdat zij, ontnuchterd, langzamerhand het aantal deden toenemen van degenen, die zich rekenschap gevende van de eischen van den politieken toestand, het voetspoor van Dr. De Visser hadden gevolgd, dat leidt naar de Christelijke coalitie en een besliste politiek.

* * * * *

Er bestond nog een andere Vereeniging van bijna dezelfde gevoelens als de Christelijk-Historische Kiezersbond, die tot bakermat had Friesland, waar ook haar voornaamste actie werd gevoerd. Daarvandaan komt de naam van Friesch-Christelijk-Historischen, die de leden droegen.

Het was in den eigenlijken zin des woords geene vertakking van de organisatie van Dr. Bronsveld, want de Friesch Christelijk-Historischen bedoelden een onafhankelijke plaats temidden der Nederlandsche politieke partijen in te nemen. Hunne werkzaamheid beperkte zich niet tot de provincie, waarvan zij den naam hadden aangenomen, en zij spraken den wensch uit zich over andere streken uit te breiden.

Evenwel stonden zij, door de beginselen waarop zij in hunne actie steunden en door het afgebakende terrein waarop zij zich stelden, wel in betrekking met den Christelijk-Historischen Kiezersbond. Het sociale program, dat zij in 1898 uitwerkten, toen zij onder den naam van Bond van kiesvereenigingen op Christelijk-Historischen grondslag in de provincie Friesland in het politieke leven optraden, herinnerde aan de gevoelens der Nederlandsche Hervormde predikanten, door zijn vijandschap tegen de Roomsche kerk, en nam de meeste hunner aanspraken over.

Men behoeft er zich dus niet over te verwonderen dat het de overtuiging uitspreekt, dat de Staat ten nauwste met de Kerk verbonden, op zijn eigen terrein volgens zijn eigen oordeel de waarheid heeft toe te passen, die de Kerk belijdt, en allen valschen godsdienst en alle atheisme moet bannen; dat de School wederom confessioneel moet worden en hervormd. De regeering heeft in de Koloniën te waken, dat de missies en voornamelijk de Roomsche missie niet op boosaardige manier tot het gebied van andere doordringen.

Maar daarentegen kende het program op maatschappelijk gebied een gewichtige beteekenis aan de Heilige Schrift toe, want het stelde haar tot een regel waarnaar de overheid had te handelen. Daarin was er dus een belangrijk verschil met de andere Christelijk-historischen, alsmede in het feit, dat zij een politieke vertegenwoordiging ontoereikend achtten om de belangen van het land te verdedigen en daarom de noodzakelijkheid predikten van evenredige vertegenwoordiging.

In groote trekken gaf het program niettemin een bijna volledige copie te zien van den Christelijk-historischen Bond.

Deze gelijkenis werd nog nauwkeuriger na de korte verklaring van opnieuw aangenomen beginselen, die door den president van den Frieschen Bond, den heer Schokking, Hervormd predikant te Koudum, in zijn orgaan: »de Gereformeerde Kerk" gegeven werd.

In allen gevalle, ondanks de niet verheelde vijandschap tegen de Roomsche kerk, begrepen zij spoediger dan de aanhangers van Dr. Bronsveld, dat de rechter coalitie van het oogenblik, dat men het ongeluk wil verhoeden van een »God-loozen staat", noodzakelijk was en dat bij dit gevaar vergeleken, het Roomsche gevaar weinig beteekenend was.

Om die reden is het, dat zij van 1901 af tot overeenstemming kwamen met de partijen van rechts om de candidaturen onder elkander te verdeelen, en dat in de Kamer de heer Schokking de politiek van Dr. Kuyper ondersteunde. In 1905 handelden zij zelf evenzoo, maar lieten zich tot een onvoorzichtige taktiek verlokken, die volgens sommigen de onmiddellijke oorzaak van de nederlaag der Christelijke partijen was. Zij wenschten een zetel meer in het Parlement te bezetten dan den eenigen die hun in 1901 toegestaan was, en dat werd hun door hun bondgenooten geweigerd. Hetzij uit ontevredenheid met de voorwaarden, die men hun had gesteld, of uit overmatig vertrouwen op het succes van rechts, richtten zij zich naar den raad van één hunner leiders, den heer Wagenaar, en weigerden bij de herstemming in twee of drie districten hun steun aan de Antirevolutionaire candidaten, die toen de nederlaag leden. Deze houding sloeg alle verwachting bij de stembus den bodem in en veroorzaakte den val van het ministerie Kuyper.

Wat er dan ook aan zij van de min of meer beslissende rol, die zij in deze omstandigheid hebben gespeeld, hadden de Friesch Christelijk-historischen niets van eene groote partij en schenen het ook niet te zullen worden. Eén afgevaardigde in de Kamer, iets minder dan 10000 stemmen in het land, zoo ver strekte zich hunne macht uit, maar hun steun was niet verwerpelijk, en van hunne houding kon het behoud of het verlies voor de rechterzijde van de provincie Friesland afhangen, waar zij een onbetwistbaren invloed onder de leden der Nederlandsche Hervormde Kerk hadden.

Dat hebben de heeren De Savornin Lohman en De Visser ingezien. Zij hebben begrepen dat deze groep met de partij, die door behendige samensmelting was aangegroeid, moest verbonden worden en zij hebben onderhandelingen aangeknoopt om tot dat doel te geraken.

Ten slotte werden de Friesch Christelijk-historischen met de Christelijk-historische partij verbonden. Het resultaat strekt hunne diplomatie tot eer, en voor de Friesche bond zelf verschaft het, al offert hij ook met zijne onafhankelijkheid de aanspraak op de openbare oppositie tegen het »Papisme« op, ter vergoeding, de macht, die van een meer uitgebreide organisatie uitgaat en die tevens het gevolg is van een gedragslijn, die meer overeenkomt met de milde en verdraagzame denkbeelden, welke iederen dag meer de gunst van de vrije burgers van Nederland schijnen te winnen.

DERDE HOOFDSTUK.

De Liberale Partijen.

Het is nu vier jaren geleden, dat de leider der Nederlandsche Socialisten, Mr. Troelstra, een overzicht gevende van de verschillende groepen der Tweede Kamer, aan het adres der liberalen met een zeker genoegen de volgende woorden richtte: »Er blijft mij een tweede taak over, en dat is een blik te werpen op de linkerzijde, een blik op.... wat zeg ik? op de liberale partij? dat kan men niet zeggen; op de liberale partijen? dat kan men niet meer zeggen. Een van de geachte sprekers heeft gezegd, »ongeorganiseerde liberalen«, ik moet dus zeggen een blik op de verschillende personen en de verschillende groepen, die onder den naam van liberalen zijn gezeten aan die zijde der Kamer.«

Dit strenge oordeel is niet van billijkheid en grond ontbloot. De groote liberale partij van 1850 bestond niet meer en bij het gezicht van de verschillende brokstukken, verstrooid op de ruïne van haar staathuishoudkundige leer, is het niet dan met zekeren weemoed dat men denkt aan den tijd, toen minister Thorbecke bij de aanvaarding der regeering in stoute taal Groen van Prinsterer, die hem naar zijn program vroeg antwoordde: »Wacht onze daden af.«

Op dat oogenblik was de herziening van de grondwet juist gereed, waardoor het parlementaire stelsel voor Nederland vastgesteld en het nationale leven met een nieuwen geest bezield werd.

Zij was voltooid door de gezamenlijke pogingen van liberalen en Roomschen. Een liberaal ministerie kwam aan het bewind, terwijl in het land een liberale partij werd gevormd.

Het trotsche woord van den eersten minister was geen ijdel woord. Hij begon de wetgeving en het bestuur van den staat in te richten naar de beginselen van het liberalisme en hij slaagde er in, een tijd van voorspoed en grootheid voor de natie te scheppen. »In die dagen«, schreef Mr. Schaepman, »welke Mr. Heemskerk haar heldentijdperk noemde,--had de liberale partij, hoewel later met welwillende medewerking van Mr. Heemskerk zelf, de wetten en reglementen tot een vruchtbaar einde gebracht, zoodat zij diep hadden wortel geschoten in het volksleven."

Met groote werkkracht voorzien, toegerust met groote kennis en macht, gaf zij er proeven van op alle gebied.

Dat was de »gouden tijd« van de liberale partij. Met al haar jeugdige kracht streed zij met edelmoedige geestdrift tegen de conservatieve partij voor gelijke rechten van allen en voor gezonde ontwikkeling van de staatsinstellingen. Overeenkomstig deze orde van zaken, wilde zij de volledige en algeheele toepassing van de liberale beginselen der grondwet n.l. de erfelijke monarchie van het regeerend Oranjehuis, in overeenstemming met de volksvertegenwoordiging, door middel van verantwoordelijke ministers, benoemd door de kroon en ondersteund door de volksvertegenwoordigers. Verder wilde zij zelfbestuur van provinciën en gemeenten, van dijken en waterschappen volgens het algemeen belang; vrijheid van godsdienst en vrijheid van de afdeelingen der verschillende broederschappen; absolute vrijheid der kerkgenootschappen zonder aan één harer de voorkeur te geven en met volkomen onafhankelijkheid van den staat tegenover de verschillende dogma's en godsdienstige meeningen; vrijheid van onderwijs, van drukpers en vergaderingen; verzorging van het openbaar onderwijs en publieken onderstand; vrijheid van handel en industrie en van geldsomloop, waartoe het aanwenden van eigen middelen zou aangemoedigd worden; streng toezicht op het financieel beheer; openbare bespreking van de publieke zaak; autonomie van de rechtelijke macht.

Dank zij Thorbecke en zijn vrienden werden vele van deze wenschen verwezenlijkt. Tal van organische wetten en menigvuldige reglementen van inwendig beheer stelden de nieuwe grondwet in werking.

Door hunne zorgen werd de arme bevolking der koloniën beschermd, de indirecte belasting op de noodzakelijkste levensbehoeften opgeheven en het beginsel van progressie in de directe belastingen vastgesteld.

Gedurende bijna vijf-en-twintig jaren speelde Thorbecke aan het hoofd van de liberale partij een eenige rol in de Nederlandsche politiek. »Velen beschouwden hem als het ideaal van een staatsman«, zegt Dr. Nuyens, »hij bezat den sleutel van de politieke kwesties, die toen aan de orde waren«. Drie malen minister zijnde, regeerde hij vaker nog door zijne volgelingen, door de ministeries »Thorbecke zonder Thorbecke« of zooals men zeide, om de uitdrukking over te nemen uit de Arnhemsche Courant, de »ministeries hazepeper zonder haas«. De reden daarvan was, dat Thorbecke slecht gezien was bij het hof, om zijn meesterachtige manieren, en dat dit hem slechts aan het bewind riep omdat het niet anders kon. Bovendien had zijne openhartigheid en zijne standvastigheid op stuk van beginselen hem veel persoonlijke vijanden bezorgd. Hij was een man uit één stuk, van groot verstand en van onwrikbaar karakter, met groot plichtbesef, vurig en vol zorg om al zijne kennis en wetenschap aan den voorspoed en het welzijn van zijn vaderland dienstbaar te maken. Zijn lang en vruchtbaar leven, alsmede zijn ongelooflijke werkkracht had een bizonderen stempel gezet op de Nederlandsche geschiedenis. Zoo teekent de heer G. Douwes in zijne staatkundige geschiedenis hem ons. Zijne tegenstanders noemden hem echter ietwat verachtelijk: den burger, den democraat, die met de traditie en met al wat eerbiedwaardig was in hunne oogen wilde breken; ten einde dit te vervangen door de een of andere nieuwe en ongehoorde zaak, waarvan nog niet de proef was genomen.

En bij het einde van zijn loopbaan moest hij bedroefd worden door zekere oude vrienden van zich te zien heengaan, die hem te leerstellig vonden, niet meer op de hoogte van zijn tijd. Dit kwam, doordat de ideeën zich terzelfdertijd hadden ontwikkeld, dat hij was oud geworden en zijn invloed met zijne krachten verminderd.

Maar bij zijn dood, die hem tijdens zijn derde ministerie verraste op den 4en Juni 1872, werd de dankbaarheid des volks openbaar en zijne verdiensten werden algemeen erkend en uitgeroepen. Zijn dood had een nationalen rouw tengevolge. Om hulde te bewijzen aan zijn buitengewone hoedanigheden en zijne toewijding aan de publieke zaak, werd een wet van »dotatie«, geldelijke beschikking, aangenomen met op vier na algemeene stemmen in de Tweede Kamer, en op één na in de Eerste, waarin aan zijn beide dochters een jaargeld van f 4000 overeenkomstig het pensioen dat hun vader zou hebben ontvangen, werd toegekend. Van andere zijde werd in enkele maanden een inschrijving volteekend om voor »den meester« een standbeeld op te richten, dat den 18en Mei 1876 onthuld werd te Amsterdam.

Volgens de erkenning van allen was een groot man, een der grootste, van het wereldtooneel verdwenen, een diep denker, bekwaam staatsman, voor velen een trouwe gids.

Hij had nog de eerste verschillen gezien onder de liberale partij, waarvan hij totnogtoe de kracht en de eenheidsband was geweest. Tengevolge van hunne hardnekkigheid had voor een laatste maal de »staatsman met grijze haren« het ministerieele harnas aangetrokken in 1871.

Na het verlies van hun aanvoerder verdeelden zich de liberalen meer en meer, maar daar zij zonder ophouden front hadden te maken tegen den gemeenschappelijken vijand, bleven zij onoverwinnelijk en kommandeerden als heeren het volk. Toch verzwakten zij voortdurend en werden minder in aantal, naarmate hunne leer zich ontwikkelde en elken dag tegenover de werkelijkheid van haar invloed en onfeilbaarheid verloor.

* * * * *

De liberale partij was voortgesproten uit de Fransche Revolutie. Zij had tot grondslag de souvereiniteit van het volk en het stelsel van de staathuishoudkunde der liberalen. Zij vond behagen in de afgetrokken begrippen naar de wijze van de Fransche Revolutie-beginselen. Deze hadden den mensch genomen, losgemaakt van alle traditie en van elke gemeenschap en vrijgemaakt van alle hooger gezag, terwijl de volstrekte heerschappij der rede uitgeroepen werd. Vervolgens werden de rechten geproclameerd van den idealen mensch, die evenwel tot een nul werd verlaagd tegenover een staat, die almachtig was door de brute macht van meerderheid. Het staatsliberalisme was zóó doorgegaan; het had in den mensch slechts een middel gezien om zijn rijkdom voort te brengen, zonder zich over iets anders te verontrusten; zonder in te zien dat de arbeider niet alleen mechanische, maar ook zedelijke en maatschappelijke waarde bezit, en dat deze niet van elkander te scheiden zijn. De liberale partij verzamelde deze ideeën en zij voegde er op staatkundig terrein nog een en ander aan toe; zij bevrijdde den staat, evenals de individuen die hem vormden, van elke beslommering op godsdienstig of zedelijk gebied, daar zij beweerde, dat de menschen in de samenleving daarmede niet te maken hadden, maar dat godsdienst privaatzaak was.

De liberalen beminden de vrijheid met sterken, overdreven hartstocht en daarin pasten zij wel bij hun tijd. Zij beschouwden haar als het hoogste doel, als het heerlijkste goed dat op aarde bestond, en opdat zij meer ten volle en volkomen heerschen zou in al hare openbaring, moest de staat zich in een stelselmatige neutraliteit persen, zich vergenoegen met de bescherming van de individueele vrijheid.

»Een eerste eisch voor den staat is«, zoo schreef Thorbecke in zijn politiek testament, »zich van alles te onthouden, dat niet aan haar als wetgevend lichaam onderworpen is.«

»Laat maar gaan, laat maar loopen!" daarop kwam practisch het program neer van de liberale partij in de twee vraagstukken, die volgens den heer De Mun nauw met elkander saamhangen en de geheele politiek beheerschen: de sociale en de godsdienstige kwestie.

Overeenkomstig dit geheele systeem had het liberalisme een bizondere opvatting van de rol der regeering, en deze opvatting leed geheel en al aan dwaling en zwakheid. Die dwaling werd gezien op het gebied van den godsdienst. Aangezien de staat zich vóór geen andere moraal of rechtsleer mocht verklaren, dan die hij zelf proclameerde, kwam hij er toe zich op een even zachte als noodlottige helling te begeven ten opzichte van de godsdiensten, die hij tevoren had geïgnoreerd. De volstrekte neutraliteit, die de regeering beleed, was reeds een begin van verloochening. En ziehier nu, hoe hij langzamerhand door de vreemde doortrekking van die valsche leer verleid werd, om zijn houding, die vreemd was aan de werkelijkheid en het gezond verstand, te laten varen en zich te begeven op het erf van het geweten; een Credo of liever een tegen-Credo te bepalen, dit met geweld op te dringen en de persoonlijke vrijheid te vernietigen in naam zelfs van de vrijheid.

Daar moet men zich niet over verwonderen. Want het beginsel van de volkssouvereiniteit, welke de oorsprong van de macht in de volksmeerderheid liet rusten, wettigde elke buitensporigheid, daar hierdoor de staat in de meening kwam, dat hij zelf het recht aangeven kon, indien hij maar de meerderheid voor zich had.