De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 5

Chapter 53,570 wordsPublic domain

Niettegenstaande de zorg aan de tactiek besteed en de pogingen, die in 't werk gesteld werden in den loop van den strijd, kwam de Antirevolutionaire partij ditmaal nog niet tot de overwinning. Ook van dit program werd tijdens de wetgevende periode niets verwerkelijkt, en het was hetzelfde, lichtelijk weer aangedikt, wat zij in 1901 onder den naam van program van urgentie aan de orde stelde. Alleen, er was geen sprake meer van verhooging van de rechten op de granen of van herziening van de grondwet. Men sprak in de eerste plaats van definitieve regeling van de schoolkwestie, en verplichte verzekering tegen ziekte, invaliditeit en ouderdom, mogelijk gemaakt door een algemeene verhooging van de douanetarieven. En dit zijn meer bepaald de groote lijnen van dit plan van actie, dat Dr. Kuyper na de verkiezingen van 1901 bij zijn komst aan het bewind ontwikkelde in het ministerieel program van 17 September 1901.

* * * * *

Dr. Kuyper gaf aan de Antirevolutionaire partij een organisatie op bewonderenswaardige wijze samengevat, tegelijk zacht en krachtig, in een viervoudig orgaan: het Centraal Comité, het provinciaal Comité, de districtsvergadering en de plaatselijke kiesvereeniging. In elke stad en elk dorp, waar zich elementen van Calvinistische politiek bevinden, bestaat een kiesvereeniging, waarvan zelfs geestverwanten »niet-kiezers" lid kunnen zijn, een comité van propaganda, dat zich geheel zelfstandig bezighoudt met de verkiezingen voor de gemeenteraden, en zijn steun, werkzaamheid en invloed verleent bij de voorbereiding van de provinciale en generale verkiezingen.

Elk van deze plaatselijke kiesvereenigingen vaardigt een van zijn leden af, om de Centrale Kiesvereeniging te vormen, die zich niet noodzakelijk opsluit binnen de grenzen van een district; terwijl een andere organisatie, de Districtsvergadering, bestaande uit een zeker getal leden buiten de plaatselijke vereenigingen, zich daarnaast handhaaft. Deze organisaties bestrijden gezamenlijk de onkosten van de generale verkiezingen, voor zooveel noodig gesteund door de opbrengst van giften, welke door het Centraal Comité verzameld worden.

De afgevaardigden van de districtsvergadering en de centrale vereenigingen vormen het provinciaal comité, dat de bevoegdheid heeft te waken voor de provinciale organisatie, voor de propaganda van de antirevolutionaire ideeën, leiding te geven aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten, en aan het Centraal Comité voorstellen aan te bieden, die betrekking hebben op de organisatie der partij.

Daarboven nu is gezaghebbend werkzaam het Centraal Comité, dat uit vijftien leden bestaat, van welke op zijn hoogst zes kamerleden mogen zijn, gekozen door de algemeene vergadering van de afgevaardigden van al de kiesvereenigingen, die instemming betuigd hebben met het program van beginselen. Zijn taak is het leiding te geven aan de politiek van de partij, terwijl het zooveel mogelijk eerbiedigt de vrijheid van beweging van de provinciale en plaatselijke vereenigingen. De voorzitter van dit Centraal Comité is Dr. Kuyper; die sinds 1877 aanhoudend de door hem gestichte partij heeft geleid; uitgezonderd de vier jaren van zijn ministerie, gedurende welke hij vervangen was door Dr. Bavinck, een andere professor aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Deze machtige organisatie waarvan Dr. Kuyper in 1901 met geoorloofden trots sprak, en welke, in haar groote lijnen, het voorbeeld geweest is van die, welke door de Roomschen is aanvaard, verkrijgt haar volledigen omvang door de algemeene vergadering van de afgevaardigden der partij, die gehouden wordt wanneer de omstandigheden van ernstigen aard zijn, en bizonder als de verkiezingen aanstaande zijn. 't Is deze vergadering die het programma vaststelt, waarmede de candidaten voor de kiezers verschijnen.

Om de waarheid te zeggen, zij doet niet anders dan goedkeuren en bekrachtigen, want aan deze indrukwekkende vergadering is altijd voorafgegaan een raadpleging van de kiesvereenigingen, en het program is feitelijk vastgesteld voordat zij plaatsvindt.

Op deze wijze vormt zij eerder een monstering van de troepen voor den strijd, terwijl Dr. Kuyper met zijn welsprekend woord bezieling en ijver voor de heilige zaak weet in te boezemen. Een vergadering van dezen aard heeft iets indrukwekkends, indien men bedenkt dat die, welke te Utrecht gehouden werd 13 April 1905 omstreeks 3900 afgevaardigden telde, die 650 kiesvereenigingen vertegenwoordigden verspreid over geheel Nederland; en het kan niet anders of zij is een sterke prikkel tot krachtige en vruchtbare actie.

't Is door deze organisatie, zooals Dr. Kuyper die heeft gevestigd, dat de kleine Antirevolutionaire groep groote kracht verkregen heeft, waarmede vrienden en vijanden hebben te rekenen, en dat zij zich ontwikkeld heeft tot een sterke eensgezinde partij, van populair en uitermate belangrijk aanzien.

Het is waar dat een afval van de partij meer of minder aan de verkiezingen van 1905 afbreuk is komen doen, namelijk die van de Christen-democraten, aan wier hoofd de heer Staalman stond, destijds afgevaardigde van den Helder, die zich losmaakten, een nieuwe partij trachtten te stichten, terwijl zij talrijke candidaten aanboden, en die meewerkten aan de volkomen neerlaag van hun semi-geestverwanten.

Deze poging werd eigenlijk weinig gevoeld. Zij deed weinig leden heengaan, en de oorzaak er van was hoofdzakelijk dat de heer Staalman op zekere punten een meer democratische gedragslijn wilde gevolgd zien, dan die door Dr. Kuyper in later tijd aangewezen wordt.

Niettegenstaande dit verlies bewaart de Antirevolutionaire partij haar prestige en haar invloed. Dank zij haar verbond met de Roomschen bezit zij drie en twintig vertegenwoordigers in de Tweede en tien vertegenwoordigers in de Eerste Kamer. Haar meest-naar-voren-tredende leiders, Mr. Th. Heemskerk, zoon van den ouden conservatieven minister van dien naam, die de politieke eigenschappen van zijn vader schijnt geërfd te hebben, en de heer Talma, de rechterarm van Dr. Kuyper, hebben in het bewind het liberaal ministerie van den heer De Meester vervangen.

_II. De Vrij-antirevolutionaire of nieuwe Christelijk-Historische partij._

Ten opzichte van de sociale vraagstukken, die van dag tot dag dringender worden, heeft zich in alle landen een dubbele strooming vertoond: de eene meer conservatief, die er naar streeft zooveel als mogelijk is in den tegenwoordigen maatschappelijken toestand te laten; de andere, die vooruitstrevend is en meer het belang van het volk ter harte wil nemen, en op die wijze verkeerde of oude toestanden wil herstellen en vernieuwen. Deze tegengestelde stroomingen openbaren zich hoofdzakelijk in de politiek van de parlementaire natiën, waarbij het niet zelden gebeurt dat de partijen daardoor verdeeld worden, en de eenheid van hun program en hun doeleinden verbroken wordt.

Dit is ook in Nederland met de Antirevolutionaire partij gebeurd. Dr. Kuyper had in zijn orthodox Calvinisme eenige nieuwere stellingen en eischen opgenomen; hij had zooals men het eigenaardig uitdrukte: »een weinig socialistisch elixer in den wijn van zijn theologie gedaan.«

Hij geloofde dat onder het volk, onder de arbeiders van stad en land, gezocht moesten worden de bronnen van het leven, en dat de Antirevolutionairen zonder op te houden mannen van orde en vooruitgang te zijn, van de socialisten moesten overnemen het gezonde en edele element in hun beschouwingen, waardoor zij de massa medesleepen en verleiden. In één woord, hij aanvaardde de ideeën die men gewoonlijk »democratisch« noemt, maar het waren ook deze ideeën en deze sympathieën, die niet de goedkeuring wegdroegen van allen, die hem volgden in den strijd voor de vrijheid van het onderwijs.

Naast de »democratische« groep was er inderdaad onder hen een conservatieve fractie. Zij bestond in 't algemeen uit mannen van stand, wier aristocratische natuur niet dezelfde sympathie voor de beweging ten gunste van het volk gevoelde. Aan hun hoofd bevond zich de heer De Savornin Lohman, het volmaakt type van een modern edelman, die door de voornaamheid van zijn manieren, zijn juridische en grondwettelijke kennis, zijn sierlijk woord, zijn fijne ironie, zijn strenge, meedoogenlooze, eenigszins hooghartige logica, naar het getuigenis van Dr. Kuyper was en blijft »het sieraad van het Parlement.« Zijn hoedanigheden waren er geheel niet op berekend om volksleider te zijn, en zijn fijnere persoonlijkheid was geheel het tegengestelde van de meer grove figuur van Dr. Kuyper.

Tusschen deze twee mannen, beide van groot talent maar van zoo verschillende geaardheid, moest het vroeger of later tot een breuk komen. Dit was onvermijdelijk, temeer daar evenals raspaarden die het gebit niet kunnen verdragen, de heer De Savornin Lohman en zijn vrienden zich verzetten tegen de discipline van de partij, die hen een gedragslijn oplegde, geheel tegengesteld aan hun gevoelens, en tegen de gebiedende gezagsoefening van Dr. Kuyper, die hun toescheen tirannie te zijn.

Zoolang de schoolstrijd duurde, handhaafde zich de eenheid meer of minder volkomen in de partij. Maar in 1891 kwam de breuk voor den dag bij gelegenheid van het wetsvoorstel tot kiesrechthervorming, ingediend door den heer Tak van Poortvliet. Juist bij de vaststelling van het kiesrecht gingen de twee fracties uiteen. Dr. Kuyper wilde het zooveel mogelijk uitbreiden als bestaanbaar was met de grondwet; Mr. De Savornin Lohman en de anderen, die mede van zijn gevoelen waren, verlangden dit niet. Want de »Vrij-antirevolutionairen« zooals men hen begon te noemen, hadden andere ideeën dan de »Kuyperianen« die door hen werden uitgemaakt voor »demagogen«, over den grondslag en de strekking van het kiesrecht; over het verband tusschen de afgevaardigden en de kiezers; over de meer of minder onmiddellijke deelname van de burgers aan de regeering van het land. Zij beriepen zich rechtstreeks op Groen van Prinsterer en zij zeiden: »De groote man, de heraut van de antirevolutionaire idee, was een wezenlijk-aristocratische natuur. Hij eerbiedigde ieders geweten in 't bizonder, maar hij was tegenstander van meer of minder algemeen kiesrecht. Volgens hem bestond de vrijheid van een volk niet in de bevoegdheid om zelf zijn regeerders te kiezen. Aan de andere zijde vond de meening, dat de intellectueelen als »uitgelezenen« van een volk, het recht hebben hun ideeën aan het volk op te dringen, in hem een onverzoenlijk tegenstander. Aanhanger van het koningschap wilde hij het persoonlijk gezag van den vorst niet onderdrukt of beperkt zien door kunstmiddelen. Beslist voorstander tegelijk van het recht van de Staten-Generaal, om de handelingen van de regeering te onderzoeken en te beoordeelen, stemde hij toe dat de gekozenen rekenschap moesten geven aan hun kiezers van hun doen, maar eischte hij daarentegen dat zij hun zelfstandigheid zouden handhaven, zoowel tegenover de kiezers als ten aanzien van de kroon, en zich niet laten beheerschen door den volkswil, maar door het recht en de gerechtigheid.«

En zij voegden er aan toe, niet zonder een toon van droefheid die in een hardnekkig-beslissende uitspraak veranderde: »Groen van Prinsterer wilde de vrije politieke discussie. Toen bij zijn sterven zijn volgelingen, die bestonden uit »Gereformeerden en de kinderen van het Reveil«, zich vereenigden om een gemeenschappelijk program te aanvaarden, namen zij als grondslag van actie den strijd voor de Christelijke school. In dezen tijd verlangden zij een zekere uitbreiding van het kiesrecht, die tot stand kwam in 1887. Maar zij begeerden nooit iets anders, dan hetgeen zij misten om de almacht te fnuiken van de voorstanders van de neutrale school. Dit resultaat is bereikt, daarom willen wij niet verder gaan".

Tengevolge van de lange en hevige discussies, die bij het wetsontwerp Tak gevoerd werden, en die na zes jaren pogens leidden tot de wet Van Houten, die schijnbaar het kiesrecht uitbreidde, staken de Vrij-antirevolutionairen, die het antirevolutionaire schip verlaten hadden, af in zee en vormden zij een zelfstandige partij met volkomen vrijheid van gedachtenwisseling en volstrekte onafhankelijkheid van al hare leden in den politieken strijd, als wezenlijke beginselen.

Hare organisatie was niet zeer ingewikkeld. Zij bepaalde zich hoofdzakelijk tot een commissie van advies, samengesteld uit twintig leden. Aan het hoofd stonden de heeren De Savornin Lohman, Baron Schimmelpenninck van der Oye, Quarles van Ufford, Van Lennep, Graaf van Bylandt, bij wie zich daarna kwam voegen Baron Mackay, oud-minister. Dat was als een schitterende staf van mannen met schitterende titels, een hooge raad van mannen met bizondere ontwikkeling, die zich niet bemoeide met het aanwijzen van een gestrenge gedragslijn, maar zich beperkte tot het geven van een bescheiden en hoffelijk advies, ten nutte van de aanzienlijke mannen, die onder haar streden, terwijl niet verwaarloosd werd voor de bewaring van algeheele vrijheid van hun gedragingen zorg te dragen.

In November 1896 maakte de nieuwe partij een verklaring bekend, waardoor de breuk met de »Kuyperianen" officieel werd, en waardoor men te kennen gaf te willen verzamelen de Antirevolutionairen, die ontevreden waren met de tegenwoordige leiding van de partij; terwijl voorts, bij het naderen van de verkiezingen van 1897, een commissie van uitvoering ingesteld werd, die tot taak had door raadgevenden en daadwerkelijken steun ten gunste van de candidaten der Vrijen werkzaam te zijn, wier gedachte door het dagblad »de Nederlander" werden verbreid en verdedigd.

Toch duurde het tot 19 September 1898, voordat »de partij Lohman," zooals men ze noemde, een program van beginselen aanvaardde.

Het was dan ook wel uitsluitend een program van beginselen, en in geenen deele een algemeen plan van actie. Daarvan wilde het niet weten, om een theoretische reden: Een program van dezen aard, beweerde het, bracht mede een verplaatsing van de macht, die dan overging van de Staten Generaal op de kiezers en langs den weg van gevolgtrekking alle wettige waarborg deed teloorgaan tegen de machtsmisbruiken van het Parlement, daar de Regeering dan bestaan zou bij de gratie van de meerderheid van de Tweede Kamer, en dat deze op haar beurt zou handelen op ingeven van de partijen van haar program, door de kiezers goedgekeurd. Dat was juist een van de gebreken, die de Vrijen ontdekten in de organisatie van de Anti-revolutionairen, zooals Dr. Kuyper haar had gemaakt, dat in de handen der kiezers gesteld werd de leiding van 's lands zaken, en zij wilden in geenen deele deze demagogie navolgen.

De in het program voorkomende anti-revolutionaire beginselen waren: alle macht, komende van God; het gezag van de Schriften voor het maatschappelijk leven; het streven om den ouden nationalen en godsdienstigen geest der Hervorming te doen herleven; het recht der ouders inzake het onderwijs; de roeping van den Staat om alle godsdienstig geloof te beschermen en te zorgen voor de openbare zedelijkheid. Het sprak bovendien uit: de vrijheid van gedachtewisseling in het staatkundig leven, en de volkomen zelfstandigheid tegenover de kiezers, van de afgevaardigden, die tot wezenlijke roeping hebben in volstrekte vrijheid te waken voor de algemeene en hoogere belangen van het land.

Door deze laatste twee punten werd de scheiding van de Vrij-antirevolutionairen volkomen, maar zij legden niet de minste vijandige gezindheid aan den dag tegen de partij die zij hadden verlaten. Zij beweerden zelfs, niet te zullen weigeren bij gelegenheid een candidaat van de richting »Kuyper" te zullen steunen. En inderdaad is dit gebleken. De Vrij-antirevolutionairen maakten voortdurend deel uit van den bond van de rechterzijde, en bij gelegenheid van de algemeene of provinciale verkiezingen brachten zij hun stemmen aan voor de Anti-revolutionairen, die overigens hen betaalden met wederkeerigen steun. Logisch moest het zóó gaan; de groote lijnen van het program bleven dezelfde, en terwijl zij zich tot een vrije partij vormden, hielden de staatslieden, die den heer De Savornin Lohman volgden, niet op »anti-revolutionair" te zijn.

* * * * *

Deze wantrouwende en ietwat twistzieke verhouding duurde tot na de verkiezingen van 1901, toen de Vrijen 8 leden in de Tweede Kamer brachten en ongeveer 15.000 stemmen verkregen.

Van dit oogenblik af vereenigden zij zich meer en meer met zekere Christelijk-historischen, die niet meer de onverzoenlijke politiek van Ds. Bronsveld konden steunen. Aan het hoofd van dezen, die toonden zich vrij te willen maken van eene voogdij die hun hinderlijk werd, bevond zich Dr. De Visser, predikant in de Nederlandsche Hervormde Kerk en geliefd discipel van den Utrechtschen leermeester.

In 1897 in Rotterdam I verkozen met de hulp van de liberalen en naar het program van de Bronsveldianen, keerde hij zich weldra naar de rechterzijde en gaf aan haar zijne medewerking. Van toen af zocht hij langzamerhand zich van de banden, die hem aan zijn ouden leermeester verbonden, te bevrijden, brak de brug achter zich af door de aanneming van de stemmen der Roomschen in 1901 in Amsterdam II en nam gaarne den behendigen voorslag van de Vrij-antirevolutonairen aan, die de Christelijk-historische beginselen in aanzien zouden brengen in een voor hen roemrijke toekomst, op voorwaarde, dat zij de hatelijke taktiek en de ergerlijke beleedigingen van Dr. Bronsveld zouden vaarwel zeggen.

De breuk kwam uit tijdens het ministerie Kuyper, toen de Christelijke politiek van rechts zegevierde. Toen zijn courant »het Nederlandsche Dagblad" ophield te bestaan en de meeste redacteurs tot »de Nederlander" overgingen voegde zich Dr. De Visser met een deel van de Christelijk-historischen bij de Vrij-antirevolutionaren, om met hen de Christelijk-historische partij te vormen.

De Vrij-antirevolutionaren namen hem met graagte op. Hun aantal werd vermeerderd met een staatsman van invloed, die hun partijgenooten aanbracht en hun terzelfder tijd een meer populair aanzien gaf door den socialen arbeid, die van hem uitging. Zij hadden genoeg van hunne afzondering en daarom vereenigden zij zich met andere elementen, die in meerdere of mindere mate conservatief waren, hetgeen zij ook in hunne politiek inbrachten. Daar zij niets van hun meest subtiele vrijheid van handelen bij deze samensmelting te vreezen hadden, was het voor hen enkel winst. Zij verkregen er een naam door, dat zij door een stoute revolutie in de taal der partijen manschappen en eene organisatie aan de groep van Bronsveld onttrokken.

Het program, dat zij bij deze gelegenheid bewerkten, kwam in hoofdzaak met dat overeen, wat zij bij hunne afscheiding van Dr. Kuyper hadden aangenomen. De geest van de 14 artikelen bleef dezelfde. Eenige bizonderheden meer en eenige kleine wijzigingen van omstandigheid, dat was alles. De antirevolutionaire denkbeelden hadden Dr. De Visser en de zijnen tot zich zien overkomen, zonder gevoelige veranderingen te moeten ondergaan, zonder aan een misvormende overeenkomst ten prooi te zijn; en dat verdient aandacht, want het toont ons dat de leer van Dr. Bronsveld in descrediet was gekomen.

Het belangrijkste was, dat de Vrij-antirevolutionairen bij deze vereeniging met hen een dergelijke organisatie aantroffen. Zonder twijfel was het altijd een commissie van advies, waartoe 42 leden behoorden, aan het hoofd waarvan een besturend comité stond, dat met de leiding der partij was belast. Zeker was er evenmin als eertijds een program van actie en de aangenomen discipline was lang niet zoo streng als bij de Kuyperianen. Maar toch, van een anderen kant beschouwd, dat de organisatie noodzakelijk was werd wel erkend en het »Algemeen Reglement" van 18 Januari 1904 riep kiesvereenigingen in het leven voor de gemeente, het district en de provincie.

Tot welk bepaald punt is deze organisatie gekomen? Dat is vrij moeilijk te zeggen. In allen gevalle heeft zij een groot deel der Christelijk-historische kiesvereenigingen met elkander verbonden, en richt zij voortdurend nieuwe kiesvereenigingen op.

Buitendien moet nog vermeld worden dat de Christelijk-historische partij 12 leden in de Tweede Kamer telt en dat zij hoop mag voeden dit aantal hooger op te voeren. Het schijnt wel dat zij er op uit is tot zich te trekken de onbestendige, onbesliste menigte van Protestanten uit het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap, die tusschen rechts en links heen en weder dobbert en de leer van Bronsveld of van het rationalistisch liberalisme heeft laten varen, maar toch niet er aan denkt om zich aan de trotsche en meer gebiedende leiding van Dr. Kuyper te onderwerpen.

De heer De Savornin Lohman en Dr. de Visser zijn door handige diplomatie en diepzinnige politiek snellijk op dezen weg van veroveringen gevorderd. Zij hebben in 1909 nog vóór de verkiezingen de Friesch-Christelijk-Historischen met zich vereenigd, die langzaam en wantrouwend, langen tijd hebben geaarzeld vóór dat zij het voorbeeld van de Hollandsche fractie volgden. Het was niet zonder netelige onderhandelingen dat het gelukte deze zelfstandige partij, die grooten invloed in Friesland bezat, met de Christelijk-Historische partij te vereenigen. Maar ten slotte is het een feit, dat in Juni 1908 het accoord op de voornaamste punten is getroffen, en het blad »De Banier« heeft het program der »Christelijk-Historische Unie« gepubliceerd.

Inplaats van drie groepen, hebben wij dus thans één enkele partij »de Christelijk-Historische Unie," die steeds van groot belang zal zijn en met afwisselende schakeeringen blijven wat vóór alle vereeniging de partij-Lohman was: »een meer aristocratisch, conservatief, onafhankelijk antirevolutionarisme".

_III. De Christelijk-Historische Kiezersbond.--De Friesch-Christelijk-Historischen._

De Christelijk-Historische Kiezersbond was op het oogenblik, dat zij in het leven geroepen werd, de partij der orthodoxe predikanten in de Nederlandsche Hervormde Kerk. Ook behoeft het ons niet te verwonderen, dat wij op den bodem van deze breuk met de Antirevolutionairen een theologisch geschil vinden. Dit betrof de beteekenis van de Heilige Schrift voor het maatschappelijk leven die door dezen werd erkend, door genen geloochend. Dit geschil openbaarde zich dadelijk na den dood van Groen van Prinsterer, toen Dr. Kuyper de leiding der partij overnam. Zoo kwam er verdeeldheid in den schoot der partij als doortrekking van den strijd op kerkelijk gebied, die toen in de volkskerk plaatshad.

Het onmiddellijke gevolg was evenwel niet de formeering van een afzonderlijke partij. Alleen werden daardoor scheuringen veroorzaakt, die de eendracht verbraken en volhardende actie belemmerden, zoodat Dr. Kuyper meer dan eenmaal klaagde over het dubbelzinnige gedrag van die belijders van Christus, die zich volgens hem niet ontzagen het program van de heilige eischen aan persoonlijke eerzucht en tegenzin op te offeren.

De orthodoxen, die zich rondom den persoon van Dr. Bronsveld, predikant te Utrecht, schaarden, waren op zijn hoogst eene fractie, maar zij bestookten Dr. Kuyper met hun scherpe pijlen. Het tijdschrift »Stemmen voor Waarheid en Vrede« en »De Vaderlander« waren het voertuig voor hun nijdige aanvallen. Ja, meer nog, zij gaven er bestendig de voorkeur aan, om in den verkiezingstijd de liberalen te helpen. »Men kan rechtzinnig zijn op godsdienstig terrein en liberaal in de politiek" zoo spraken zij met Dr. Bronsveld; »en wij zijn het."

De partij kwam eerst tot stand in 1897, even vóór de verkiezingen. De aanleiding en de voorgewende reden er toe was het openlijk verbond tusschen Antirevolutionairen en Roomschen.