De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 4
Om juist te zijn, moet eraan toegevoegd worden, dat de Antirevolutionairen zich tegelijkertijd stellen tegen den geest van het Roomsch Katholicisme. En dit is te begrijpen: in 1572 was dit de vijand, evenzeer als de Spanjaarden die het in de oogen van de Geuzen vertegenwoordigen, en het blijft het in zooverre het in 't algemeen noch het vrije onderzoek, noch de volkomen vrijheid van conscientie toestaat. Echter neemt die tegenstand bij hen niet den vorm aan van den wilden haat, dien de gevoelens van een groot getal Protestanten jegens de Roomsche kerk nog openbaren. Voor hen blijft de tegenstelling van belijdenis liever theoretisch, en zij gevoelen zich eens met de Katholieken in de erkenning van de noodzakelijkheid om een hervorming van het staatkundig en maatschappelijk leven te ontwerpen in christelijken geest.
Indien het nagestreefde doel de terugkeer is tot den ouden geest van 1572, zou men er soms logisch uit kunnen afleiden: dat de Antirevolutionairen moeten wenschen dat het Calvinisme als staatsgodsdienst hersteld worde. Dit is echter een dwaling, verzekert Dr. Kuyper: »De antirevolutionaire partij wil geenszins aan de Gereformeerde Kerken haar officieel karakter hergeven." Want »in de Fransche Revolutie, die een einde gemaakt heeft aan een in veel opzichten verouderden toestand, moet men het rechtvaardig oordeel Gods zien over zooveel schandelijk machtsmisbruik."
Nog meer, de partij is geen verdedigster van een bizondere kerk of van een godsdienstige belijdenis; zij streeft eenvoudig een calvinistische staatkunde na; en, alzoo verzekert ons Dr. Kuyper nog, het Calvinisme is geen kerkelijke beweging: »Het woord Calvinisme," schrijft hij, »is alleen een term van historische beteekenis, dienende om een algemeene geestesrichting aan te duiden, die in de zestiende eeuw, zoowel in Genève als in Frankrijk, en zoowel in Nederland als in Engeland, zich baan gebroken heeft op alle levensterreinen, en met name in het politieke leven. De Antirevolutionaire partij heeft zich ook nooit aangesloten aan eenige kerk, welke dan ook, maar zij heeft onder haar vaandel verzameld allen, die de gedachte van een calvinistische staatkunde voorstonden, hetzij zij leden waren van de Kerk die genoemd wordt de Hervormde Kerk, of leden van de Gereformeerde, de Luthersche of de Doopsgezinde Kerken."
Intusschen worden de Antirevolutionairen feitelijk hoofdzakelijk gevonden onder hen die men noemt: »de Gereformeerden of ook de ultra-calvinisten", degelijke en vurige Protestanten, die Dr. Kuyper om zich verzameld heeft voor een godsdienstige hervorming ter zelfder tijd als voor staatkundige actie.
Medegesleept door het genie van hun leider, zijn zij het vooral, die de lange en sterke menigten vormen, welke hem ondersteunen in zijn arbeid, die ten doel heeft de herstelling van het volk en de bestrijding van den geest der Revolutie.
* * * * *
De revolutionaire leerstellingen hadden ingang gekregen door de Fransche overheersching in Nederland, die tot stand gebracht was door de legers van de Republiek; en de regeering van Lodewijk Bonaparte, broeder van den keizer, was er de triomf van geweest. Maar toen zij viel, kwam er een historische opwaking. Sinds 1813 had de dichter Bilderdijk met heftigheid deze beginselen aangevallen, die in zijn oogen waren een droombeeld, dat uit den latijnschen geest voortvloeide, en had hij toegejuicht een opstand van Europa tegen Napoleon. Maar hij was alleen blijven staan.
Een andere dichter, Da Costa, hervatte den krijgszang en leidde het begin in van een openbaar verzet, van een »contra-revolutie." Nog eenige jaren verliepen vóór zij van de litteratuur overging op de politiek; het optreden van Groen van Prinsterer was het begin van de antirevolutionaire beweging en gaf haar het eigenaardig karakter, dat zij sinds aldoor heeft gedragen.
Weinig talrijk in het begin, en geen overeenstemming van inzicht hebbende, ontbrak den Antirevolutionairen samenbinding. De strijd voor de school, die aan de Roomschen eenheid en bezieling gegeven had, verschafte ook hun aanhangers en eenheid. Reeds jaren vroeger dan de Roomschen eischten zij de algeheele vrijheid van onderwijs, met een volharding, die zich door niets ontmoedigen liet. Terwijl de strijd aan den gang was, werd hun groep grooter door de overblijfselen van de conservatieve protestantsche partij, welke zich door de beschouwingen en methoden van een anderen tijd ongeschikt maakte voor het moderne staatkundige leven. En bij den dood van Groen van Prinsterer bevond zich Dr. Kuyper, die den betreurden leider opvolgde, aan het hoofd van een menigte talrijk genoeg, dat het alleen de zaak was haar achter een positief program onder tucht en orde te doen optrekken.
Op zichzelf is niets leerzamer, is niets bemoedigender, dan deze vooruitgang (waarbij men meer nog door de kracht der beginselen en het ideaal ondersteund werd, dan door den samenloop der omstandigheden en het ontzag der leiders,) van een politieke partij, die uit allerlei deelen is samengesteld, en die na vijftig jaren krachtsinspanning zoover gekomen is, dat zij tot herhaalde malen toe het lot van het land zich in handen gelegd zag.
Het moet ook gezegd worden, dat de onvermoeide werkzaamheid van Dr. Kuyper van niet geringe beteekenis geweest is, om dit resultaat te bereiken. Weinig menschen hebben op degenen die hen omringden, grooteren invloed, een zoo volkomen overwicht gehad, en een macht die meer instaat was om ze ter overwinning te leiden.
Van eenvoudig predikant te Beesd in Gelderland heeft Dr. Kuyper door zijn verstand en werkzaamheid het gebracht tot den eersten rang van de staatslieden van het hedendaagsche Nederland. Zooals het Dr. Schaepman was, en wellicht nog meer dan deze, is hij vóór alles volksleider. Een man met een ruime gedachtenwereld, met breede en nieuwe gezichtskringen, van snellen oogopslag, met een tegelijk vaste en zachte hand, en daarbij een ijzeren wil door niets te buigen, onvermoeid, en gesterkt door het geestdriftig geloof in het van verre zichtbare ideaal. Zoodanig was hij in 1872 op het oogenblik, toen hij op vijf-en-dertig-jarigen leeftijd het redacteurschap van het dagblad de Standaard op zich nam, en zoo blijft hij, na een levensloop doorgemaakt te hebben, die verbazen moet.
Gelijk alle geesten van den eersten rang, heeft hij zijn vurige bewonderaars gehad en tevens zijn heftige bestrijders. Zijn tegenstanders noemen hem spottend: »den paus der Calvinisten«, en waarlijk: daargelaten in hoeverre zijn godsdienstig hervormingswerk in den boezem der volkskerk recht geeft hem alzoo te noemen, zijn voorkomen heeft iets ontzagwekkends, iets bisschoppelijks. Zijn Romeinsch gelaat, een weinig dik door de jaren, treft bij den eersten oogopslag door de scherpheid van trekken, den gekromden neus, het breede voorhoofd, en het vuur dat schittert in het levendig en doordringend oog. Zooals Dr. Schaepman de redenaarslip had, zoo heeft Dr. Kuyper de heerscherslip; en dit is een der merkwaardigste zijden van dit forsche en aantrekkende gelaat van dezen protestantschen leeraar, altijd in strijd, voortreffelijk en geducht schrijver, meeslepend en gewild redenaar, met bekwaamheid en diepen blik in het staatkundige, dat deze zucht naar gezag, velen zeggen deze geest van heerschzucht en dwingelandij, niet weinig bijgedragen heeft tot den waren haat, die velen hem hebben toegedragen en toedragen. Want dat is juist het moeilijke, wanneer het betreft een talent dat aan het genie grenst, om te beoordeelen waar het natuurlijk overwicht eindigt en de overheersching begint.
In alle geval, deze man, die in zich alleen een partij en een staatkunde vertegenwoordigt, heeft blijk gegeven van een ongelooflijke werkzaamheid en heeft een buitengewone taak vervuld. Hernieuwer van de Nederlandsche Kerk, heeft hij talrijke werken van protestantsche theologie geschreven, en om zich heen een nieuwe kerk verzameld. Op staatkundig terrein heeft hij zijn partij geheel er boven op gebracht, haar een bewonderenswaardige organisatie en een volledig program gegeven. Hij stichtte een gymnasium en bekroonde zijn arbeid op schoolgebied door een Vrije Universiteit, waarvan hij de eerste rector was.
Wat wel te verwonderen is: de partijleider hield voor zichzelf niet van het parlementaire milieu. Hij zelf bleef liever buiten deze atmospheer, hoewel die toch in Nederland zuiverder en minder afmattend is dan in zekere andere landen; hij oordeelde het niet gunstig voor zijn plannen. »'t Is alleen voor het onderwijs dat wij iets zouden kunnen doen«, zeide hij in 1893 tot den heer Charles Benoist. Nauwelijks gekozen tot afgevaardigde van Gouda, in 1874, legde hij het volgend jaar door ziekte genoodzaakt zijn mandaat neer, om een jaar later zijn krachten te wijden aan het onderwijs in al zijn geledingen. Niettemin, schoon er buiten zijnde, gaf hij leiding aan de groep Antirevolutionaire Kamerleden, die in den parlementairen kring werkzaam waren. Niet eerder dan in 1893 besloot hij weer de Kamer binnen te treden; het was toen de tijd, dat de door den heer Tak van Poortvliet voorgestelde kiesrechthervorming er een waren storm deed opsteken. Hij bleef er als vertegenwoordiger van Sliedrecht tot in 1901, het jaar, dat hij geroepen werd, een ministerie te vormen.
En toen in 1905 tengevolge van de verkiezingen zijn ministerie viel, trok hij zich eenigen tijd terug in den buitensten omtrek van het staatkundig leven, maar weldra hernam hij zijn plaats aan het hoofd van de Antirevolutionaire partij, die hij voortgaat met vaste hand te besturen.
* * * * *
Wat bij den eersten aanblik in deze partij treft, is, behalve het godsdienstig voorkomen dat zij heeft, de eenheid en de tucht die onder hare leden heerschen. Men zou zeggen: het is een blok, hecht en sterk gebouwd, zonder scheur en zonder gebrek. Door het van naderbij te bezien, bemerkt men dat deze eenstemmigheid in leiding en actie veroorzaakt wordt door het bestaan van een »program van beginselen«, en wanneer de algemeene verkiezingen in 't zicht komen door programs van actie of van urgentie, en eindelijk door een uitnemende inwendige organisatie.
Het program van beginselen is in zijn geheel het werk van Dr. Kuyper, die het aanvaard zag door het Centraal Comité van de partij, en die het verklaarde in een serie artikelen, in 1879 in zijn dagblad de Standaard, verschenen. Het dagteekent van den 1sten Januari 1878 en vormt het eerste document van die soort in Nederland.
Na te hebben verklaard dat de Antirevolutionaire partij »den grondtoon van ons volkskarakter vertegenwoordigt, gelijk dat door Oranje geleid, onder invloed der hervorming, omstreeks 1572 zijn stempel ontving«, en dat zij dit »overeenkomstig den gewijzigden volkstoestand in een vorm die aan de behoefte van onzen tijd voldoet, wenscht te ontwikkelen«, spreekt het program plechtig uit, dat de »macht« niet opkomt uit den volkswil, noch uit de wet, maar dat zij eenig en alleen de bron van het souvereine gezag in God vindt. Zij verwerpt mitsdien met alle kracht het valsche beginsel van de volkssouvereiniteit, dat volgens haar de grondfout van de Fransche Revolutie is. Dit wil intusschen niet zeggen dat de Anti-revolutionairen tegenstanders zouden zijn van de benoeming van regeerders door het volk. Integendeel, zij stemmen toe dat God de souvereiniteit onder het volk kan doen besloten liggen, alleen met dit voorbehoud, dat verstaan worde, dat het volk de souvereiniteit niet bezit van zichzelf, maar alleen als die ontvangen hebbende van God. Met andere woorden, zij kennen aan het volk de uitoefening van het recht toe, niet het recht zelve. Wat de overheid betreft, zij regeert niet anders dan bij de gratie Gods, en het goddelijk Woord is de bron van de gehoorzaamheid, die de onderdanen haar moeten betoonen. Als dienaresse Gods in een Christelijke natie is de overheid diensvolgens gehouden tot verheerlijking van Gods naam, en tot eerbiediging van dezen naam, in al haar handelingen.
Diensvolgens behoort zij:
_a._ Uit bestuur en wetgeving alles te verwijderen, wat den vrijen invloed van het Evangelie op het volksleven belemmert;
_b._ Zichzelve, als daartoe in volstrekten zin onbevoegd, te onthouden van alle rechtstreeksche bemoeiing met de geestelijke ontwikkeling der natie;
_c._ Alle kerkgenootschappen, of godsdienstige vereenigingen, en voorts alle burgers, onverschillig welke hun denkwijze aangaande de eeuwige dingen is, te behandelen op voet van gelijkheid;
_d._ in de conscientie voorzoover die het vermoeden van achtbaarheid niet mist, een grens te erkennen van haar macht.
Want hier heeft de macht van den Staat haar grenzen en moet hij bedenken dat hij niet alles is, en niet alles kan.
Naast hem bestaan er andere kringen, die haar eigen rechten hebben en waarin een onafhankelijk gezag heerscht, dat is: de Christus in de Kerk, de vader in het huisgezin, en Dr. Kuyper voegt er aan toe, wel wat onvoorzien, ofschoon in den grond juist, de kapitein op zijn schip, de kunstenaar in den tempel der kunst, en de man der wetenschap in het rijk der letteren. De Staat kan dit onderscheiden gezag, dat niet uit het hare afgeleid is, niet tenietdoen, nòch met deze kringen zich vereenzelvigen.
Overigens, de Grondwet van 1848 behelst de regeling van rechten en plichten van den Nederlandschen Staat, en de Antirevolutionairen aanvaarden deze als uitgangspunt van hun hervorming der instellingen in Christelijk-historische richting.
In de zaak van het onderwijs houden zij zeer hoog het devies: »het onderwijs zaak der ouders«, gelijk Groen van Prinsterer hun dit heeft nagelaten.
Zij verwerpen het beginsel van de openbare school, en kennen alleen in zooverre aan den Staat het recht toe als onderwijzer op te treden, als het particulier initiatief onvoldoende is; en zij willen dat de vrije ontwikkeling van het volk zich verwezenlijke langs den natuurlijken loop van leven, en dat die niet op werktuigelijke wijze van boven af op het volk gelegd worde.
Daarom eischen zij dezelfde rechten voor alle scholen, welk haar paedagogisch of belijdend karakter ook zij, en meenen zij dat het Hooger onderwijs zelfs het werk moet zijn van het vrije initiatief.
Aan deze theorie van de school, gegrond op de vrijheid van onderwijs, is verwant die, welke de Antirevolutionaire partij zeer voorzichtig en zeer mild staande houdt, aangaande de verhouding van den Staat tot de verschillende godsdiensten. In dezen gedachtengang beweegt zich de richting van haar wenschen voor de volle vrijheid der kerken, waarbij de begeerte wordt uitgesproken, dat alles ter zijde gelaten wordt, dat zweemt naar een inmenging van den Staat in de inwendige aangelegenheden van de kerken. Maar 't is niet de volstrekte scheiding, die zij zich voorstelt, niet het minachtend en stelselmatig »ik ken u niet«; zij meent dat een contractueel reglement voor beide partijen tegenover elkander de allerbeste waarborg levert, die mogelijk is voor de onafhankelijkheid van elk in het bizonder.
Ziedaar ons dan ver van de scheiding, zooals die in Frankrijk tot stand is gekomen, poging van den Staat om beslag te leggen op de kerken, welke Dr. Kuyper streng heeft veroordeeld.
Op het gebied van de rechtspraak wil het program dat door een onafhankelijke rechtspraak, volgens de wetten die op de eeuwige rechtsbeginselen rusten, beslissing uitga voor alle geschillen van partijen, zoowel van burger-rechtelijken als van administratieven aard; dat voltrekking van straf aan den gevonnisde volge, niet slechts om de maatschappij te beschermen of den overtreder te verbeteren, maar allereerst tot herstel van de geschonden gerechtigheid: desnoods door de doodstraf, waartoe het recht in beginsel aan de overheid toekomt.
Wat de zaak van het kiesrecht aangaat, meent de partij dat geen kiesstelsel voor de wezenlijke natie kan in de plaats stellen een soort wettelijk en conventioneel land. Voorstaande de souvereiniteit van elk op zijn eigen terrein, vraagt de partij het kiesrecht voor alle hoofden van gezinnen, en voor alle hoofden van welken kring ook, op zoodanige wijze echter, dat dit recht niet individualistisch maar organisch geregeld zij.
En zoo gaat het program voort zich te ontplooien wijd en breed, als de rivieren van Nederland, die op hare wateren een gansche vloot van schepen dragen.
In 't voorbijgaan spreekt het van den vrijhandel, als in beginsel uitnemender, en de practische noodzakelijkheid van een protectionistisch stelsel; houdt zich lang op met in bizonderheden de maatregelen aan te geven, waardoor de openbare onzedelijkheid kan bestreden worden; spreekt zich uit ten gunste van de decentralisatie der provinciale en der gemeentelijke zelfregeering, »in zooverre zij geen schade doen aan het begrip van den Staat, en niet onverdedigd laten de onaantastbare rechten van den mensch«; vraagt voor de Koloniën dat de overheid ernstig de missie's bescherme, zonder dat zij daartoe zich heeft bezig te houden met de directe verbreiding van het Christendom; verzet zich tegen de exploitatie van de inlandsche bevolking en verklaart zich eindelijk nader over het maatschappelijk vraagstuk.
Wat dit punt aangaat tracht het te komen tot een algemeen-voldoende oplossing, door de eenheid van de verschillende klassen der maatschappij volgens den wil van het goddelijk woord. Om dit doel te bereiken, verwacht het van de tusschenkomst van den Staat zekere maatregelen, zooals het in 't leven roepen van Kamers van arbeid, de vaststelling van het maximum aantal werkuren, de bepaling van een rechtvaardig loon en van een billijk pensioen, zoowel voor den werkman als voor zijn weduwe en kinderen: maatregelen die voor den Staat niet zijn misbruik van macht, maar strenge plicht. Overigens, in dezen geleidelijken gedachtengang heeft Dr. Kuyper altijd verklaard, dat hij niets beters begeerde, daar de eene hand omlaag te mogen uitstrekken naar de proletariërs, en de andere hand omhoog naar de leden van de rijke of adellijke familiën, om alle klassen te vereenigen in een eenig leger voor den heiligen strijd. Maar allen hebben niet gedacht als hij, en hebben zijn sociale ideeën niet gedeeld. Hierdoor is de verdeeldheid verklaard, die in het vervolg onder de Antirevolutionairen geboren werd, en die tot het uitgaan van de Vrij-antirevolutionairen geleid heeft.
Zoodanig zijn, in 't kort de voornaamste punten van dit program van beginselen, een wezenlijke politieke geloofsbelijdenis, onder de bewerking van Dr. Kuyper ontstaan. Hij eindigt met de omschrijving van de tactiek, die voorts gevolgd zal worden, om tot inwilliging der eischen te komen, en die samengevat kan worden in twee woorden: dat op prijs gesteld wordt de handhaving van de volkomen zelfstandigheid van de partij, en tegelijk mogelijk geacht wordt vereeniging met andere groepen, op grond van een welomschreven plan van actie. 't Is op deze basis dat de verbintenis met de Roomschen tot stand kwam: de »Christelijke coalitie.«
Het is al dadelijk opmerkelijk, hoezeer de uitgebreidheid van het program en de afwezigheid van bekrompen of sectarische ideeën die er in openbaar wordt, derwijze dat het bijna in zijn geheel door de Roomschen zou kunnen aangenomen zijn, een trouwe en vruchtbare medewerking vergemakkelijken moest; want het bepaalt er zich hoofdzakelijk toe, alles saamgenomen, boven alle discussie te stellen vaststaande zaken en beginselen, die in het belang van de gemeenschap geen schade mogen lijden.
* * * * *
Dit program van beginselen breidde zich nog uit en ontving nog nauwkeuriger belijning naar gelang van de noodzakelijkheid, door den strijd der partijen en den drang der omstandigheden ontstaan. Aan den vooravond van de verkiezingen maakt de Antirevolutionaire partij een gedetailleerde lijst op van de onmiddellijk-dringende eischen, welker spoedige vervulling van aanbelang is.
Het eerste van deze programs van urgentie of van actie zag het licht in 1888.
Het vroeg de voorbereiding van een kieswet op den grondslag van verlaging van den census; Zondagsrust; arbeidsraden; wettelijke bescherming van de arbeiders; herziening van de handelsverdragen; verbetering van het kazerneleven en van de militaire rechtspraak; schoolhervorming, en koloniale maatregelen. Daarop volgde een resolutie, betreurende het heengaan van eenige belijders van den Christus op het oogenblik zelf, dat de strijd tegen de »ongeloovigen" bijna zeker met goeden uitslag zou bekroond worden. Het waren de »orthodoxe predikanten", op welke dit doelde. Later gingen zij zich om Dr. Bronsveld scharen ter vorming van de Christelijk-Historische partij, en al wachtende ontzagen zij zich niet, volgens het zeggen van Dr. Kuyper, zich door bizondere belangen of antipathieën te laten verleiden, om zelfs de Christelijke school, deze gave Gods aan ons vaderland, monument van Christelijke toewijding en volharding, als offer te vergen voor hun misnoegdheid.
De verkiezingen van 1891 brachten iets anders.
De Antirevolutionaire partij had gedurende drie jaren het land geregeerd. Het ministerie Mackay had de hervorming van het lager onderwijs tot stand gebracht. Het was van aanbelang dat de aandacht van de kiezers gevestigd was op wat onmiddellijk daarna te doen overbleef. Dit was het doel van het nieuwe program van actie, dat aangenomen werd door de algemeene vergadering der afgevaardigden van de Anti-revolutionaire kiesvereenigingen. Het behelsde herziening van de grondwet, met het oog op een verbeterde samenstelling van de Eerste Kamer en het doel om daadwerkelijk het recht der minderheden te waarborgen; kiesrecht voor de gezinshoofden; bevestiging van den godsdienstigen vrede door organische wetten; meer-volledige vrijmaking van het onderwijs »door subsidies aan de bizondere lagere scholen en door wijziging van de wettelijke regelingen in betrekking tot de vrije Universiteiten; vorming van Kamers van Handel, van Nijverheid, van Landbouw, en van Arbeid; herziening van de Financieele wetgeving, in 't bizonder afschaffing van de Staatsloterijen en van de accijnsrechten, zooals ook wijziging van de patentwet, wijziging van de mutatierechten, sneller en goedkooper recht en eindelijk de invoering van een christelijke staatkunde in de koloniën." Van de militaire kwestie, die het kabinet Mackay had gesteld, sprak het program niet, behalve dat het wenschte de verbetering van de rechtspositie van den soldaat en de verheffing van zijn zedelijk leven. De reden van dit zwijgen was vooral daarin gelegen, dat de ontwerpen die de financieele en militaire lasten verzwaarden bijna altijd impopulair maakten degenen die ze steunden, en dat de Anti-revolutionaire partij een neerlaag vermijden wilde. Zij slaagde er niet in, tengevolge van de geschillen die openbaar werden in den boezem der »Christelijke coalitie."
Overigens bleef de kiesrecht-hervorming niet uit in het Parlement, en liet niet na wanorde teweeg te brengen in de geheele Kamer. De Anti-revolutionairen ontkwamen niet aan dezen algemeenen toestand, de democratische fractie onder aanvoering van Dr. Kuyper kwam hier nog in botsing met de conservatieve fractie onder Mr. De Savornin Lohman. Het resultaat was een splitsing tusschen »Kuyperianen" en »Vrijen".
Bij het einde van deze critieke periode kwam de Antirevolutionaire partij, die getrouw was gebleven aan Dr. Kuyper, opnieuw met een program van actie voor den dag, ter voorbereiding van de verkiezingen van 1897.
Het nam in bizonderheden de eischen, in 1891 gesteld, weer op, en voegde eraan toe, behalve dringende maatregelen: de vorming, aan het ministerie van Handel en Nijverheid, van een bestuur van arbeid en landbouw; verplichte arbeidersverzekering; regeling van het arbeidscontract; Zondagsrust; wijziging van de douanetarieven; herstel van de belasting op de granen; wederinvoering van de doodstraf; wegneming van de beletselen voor het onderzoek naar het vaderschap; wettelijke tusschenkomst om de Neo-Malthusiaansche propaganda te stuiten; strijd tegen het misbruik van alcoholische dranken, en in de Koloniën tegen opium-misbruik.