De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 3

Chapter 33,494 wordsPublic domain

Van de talrijke Roomsche volksscholen is nauwelijks de schoolbevolking afgegaan, of zij wordt opgenomen in de patronages, geleid in de richting van de Vereeniging: Voor eer en deugd, en geroepen, bij haar intrede in het leven deel uit te maken van den Boerenbond »Vereeniging tot bescherming van den middenstand," of van den »Volksbond", tengevolge waarvan zij zich vestigt op het platteland en in de stad, en zich vertrouwd maakt met den landbouw, of commercieele of industrieele bedrijven.

Op dit oogenblik ook wordt zij geholpen in den dagelijkschen strijd voor het bestaan door de instellingen van voorzorg (credietkassen, verschillende onderlinge waarborgen); verdedigd tegen het alcoholisme door de matigheidsbonden: de kruisverbonden en de Mariavereenigingen; bijgestaan in den nood door de genootschappen van St. Vincent de Paul, die bizonder bloeiend in Nederland, hun zorg niet bepalen tot hulp aan den enkele, maar ook scholen bouwen en maatschappelijke werken ondernemen. Indien men zich rekenschap wil geven van het innerlijk leven, dat in dit geheele net van katholieke vereenigingen zich beweegt, dat men dan bijvoorbeeld naar Maastricht in Limburg ga. Daar in het groot gebouw van »het gesticht de Stuers", alzoo genoemd, omdat het zijn ontstaan te danken heeft aan een mild legaat, vermaakt door een man van vermogen: den heer Ridder de Stuers, oud-adjunct van de stad, trekken zich de algemeene diensten voor geheel de provincie samen; het secretariaat van den arbeid van de »Limburgsche Roomsch-Katholieke Volksbond"; de arbeidsbeurs van den Volksbond van Maastricht: de Redactie en administratie van de "Volksbode", het wekelijksch orgaan van het katholieke sociale leven in het Zuiden; het secretariaat van den Bond tegen het Alcoholisme: »Sobrietas" die te zeggen heeft over negen diocesaan-bonden en 62.000 leden; het centraal bestuur van de Limburgsche Katholiekendagen, dat tegelijk het »Bureau van de Katholieke pers" is. Met dit provinciaal middelpunt staat geheel de Katholieke organisatie van de diocese Roermond in verband. Zonder te spreken van de vereenigingen met meer weldadig of godsdienstig doel, het is vandaar dat het wachtwoord zich voortgeplant heeft tot 2176 leden van den Volksbond, tot 395 leden van de onderlinge verzekering van Katholieke onderwijzers, tot 1699 leden van het Kruisverbond, tot 13649 leden van den Landbouwbond, tot 631 van de »Hanze" en tot 779 leden van den centralen R. K. Mijnwerkersbond.

In de andere diocesen doet zich hetzelfde verschijnsel voor en openbaart zich dezelfde werkzaamheid, door de edele en verstandige toewijding van de Nederlandsche Roomschen aan de zaak der arbeiders.

Onder de belangrijke maatschappelijke werken moeten in de eerste rij genoemd worden de boerenbonden. Ontstaan uit een reactie tegen de »Maatschappijen van Landbouw" waarin de liberale invloed de overheerschende was, hebben zij zich snel ontwikkeld vooral in Noord-Braband en Limburg. Zij hebben voortgebracht syndicaten van koop en verkoop, melkerij-coöperaties, onderlinge credietbanken, en gevestigd een volledige rij van instellingen, gedreven door de edele begeerte, om het stoffelijk en zedelijk welzijn alom onder de landbouwende bevolking te brengen, en doordrongen van dezen practischen geest, die den Nederlander kenmerkt. Deze plaatselijke vereenigingen, streng Roomsch, welker besturen alle ter zijde worden gestaan door een geestelijken adviseur, zijn aangesloten in provinciale vereenigingen, en deze weer in een nationale organisatie, genoemd »de Nederlandsche Christelijke Boerenbond" die ongeveer 50.000 leden heeft. Maar, op dezen hoogsten trap, vindt men niet meer uitsluitend vereenigingen van Roomschen, men ontmoet ook Protestantsche; deze zich vereenigende met gene in een machtigen Bond, op den grondslag van een algemeen Christendom.

Evenzoo zijn de Roomschen niet onverschillig gebleven in de beweging van de fabrieksarbeiders. Hierin hebben zij meer bizonder de socialistische concurrentie te verduren gehad, maar de voortgang van de revolutionaire ideeën heeft hen nòch verschrikt, nòch ontmoedigd. Hun arbeid dagteekent van 1888. In dit jaar stichtte de heer Passtoors, een oud-onderofficier, die naar de industrie was overgegaan, de eerste Katholieke arbeiders-vereeniging, die weldra toenam en zich ontwikkelen mocht; een vruchtbare levenskiem, waaruit is voortgekomen een machtig getakte boom: de Nederlandsche Roomsch-Katholieke Volksbond. Zijn eerste »adviseur" was Mgr. Eigenraam. De encycliek »Rerum Novarum", die bij de Katholieken van heel de wereld de sociale onaandoenlijkheid afschudde, en de sterke strooming die zich terzelfder tijd openbaarde in de richting van de arbeidersvraagstukken, zetten aan de organisatie een buitengewone geestdrift bij. In 1893 op het oogenblik, dat Mgr. Konings Mgr. Eigenraam als geestelijk adviseur verving, was de Volksbond van de Roomsch-Katholieken in Nederland reeds sterk; zij had zich ontwikkeld; zij had in Rotterdam een congres van twee dagen gehouden, een program van sociale eischen aangenomen, een adres aan de Koningin-Regentes geformuleerd, om haar bloot te leggen welke hervormingen gewenscht werden ten gunste van de arbeiders. Maar terzelfder tijd wijzigde zich haar karakter eenigszins: de Volksbond was in 't leven geroepen om in zijn rijen op te nemen arbeiders en kleine burgers, gesalarieerden en patroons, en de gemengde vereenigingen beantwoordden alzoo aan het ideaal van haar stichters. Het bleek dat daar een zeer goed begrip van maatschappelijke eensgezindheid had voorgezeten. Helaas, de practijk mocht er het succes niet van verzekeren. En langzamerhand kwamen in de plaats van de gemengde vereenigingen arbeidersafdeelingen voor den dag.

De Volksbond, die voortging onder zijn leden te tellen burgers en patroons, is meer en meer geworden de bond van Nederlandsche Roomsche arbeiders; een machtige vereeniging, die tot in deze laatste dagen zich splitste in even zooveel vereenigingen als er diocesen zijn, zonder dat er eenige officieele band tusschen bestaat. Er bestaat op 't oogenblik een centraal bestuur, aan welks hoofd de heer Passtoors staat, afgevaardigde van Beverwijk, die aanhoudend met bekwaamheid en bevoegdheid leiding gegeven heeft ter bereiking van het doel, dat de Bond zich voorstelt. De leden, ongelijk verdeeld over de vijf diocesen van Holland, gaan de 48.000 teboven; het onderscheiden initiatief, dat genomen werd, mocht vruchtbaar zijn; de congressen die georganiseerd werden hadden goed gevolg; de instellingen, die gesticht werden, bloeien: zooals het werk van het ambachtsonderwijs, sociale cursussen, spaarkassen, onderlinge verzekeringen, propagandaclubs, enz.; van het orgaan »de Volksbanier" worden meer dan 10.000 exemplaren gedrukt; de actie, die uitgegaan is op de openbare meening en bij de volksvertegenwoordiging, is gevestigd geworden door de nauwgezette bestudeering van de wetsonderwerpen, die in voorbereiding zijn en door een moedige propaganda.

»De Volksbond" vereenigt echter slechts een gedeelte van de Roomsche krachten. Tot den »Boerenbond" behoort een ander deel. De »Hanze" die de groote vereeniging is van de kleine burgerij, en waaraan een geestelijke, Ds. Nouwens, al zijn kracht wijdt, omvangt nog een ander deel. Boven deze komt sedert drie jaren een uitgebreider organisatie met ruime vooruitzichten en grootsche doeleinden: nl. de Katholieke Sociale actie. Dit is geen nieuwe vereeniging, en dat is het wat haar onderscheidt van de Duitsche Volksvereeniging, maar de verbinding van al de Roomsche vereenigingen, die in Nederland maatschappelijken invloed oefenen. Haar bewerktuiging is van eenvoudigen aard; in elke plaats benoemen de verschillende ambachten twee afgevaardigden om de plaatselijke afdeeling te vormen; de voorzitters en de secretarissen van de locale comite's vormen het diocesaan comité; de voorzitters en de secretarissen van de diocesaan comite's stellen den centralen raad saam, die een algemeen secretaris en meerdere assistenten voor de werkzaamheid van het centraal Bureau benoemt. De voorzitter van den centralen Raad is de heer Van Nispen tot Sevenaer, afgevaardigde voor Nijmegen; de algemeene Secretaris de heer Aalberse, afgevaardigde van Almelo; geestelijk adviseur de heer abt Angenent, professor aan het Seminarie te Warmond. Het Centraal Bureau is gevestigd in Leiden. Het biedt werkelijk een uitnemend arsenaal, bezit een schoone bibliotheek en vormt een belangrijke inlichtingendienst.

Aldus vinden we zijn zinspreuk werkelijkheid geworden: Centralisatie van bestuur, decentralisatie van actie.

Centralisatie van het bestuur; want de geheele beweging gaat vandaar uit; maatschappelijke enquêtes, de meest verschillende publicaties, de veldtocht van vergaderingen, de organisatie van de »sociale weken" enz. Een wekelijksch overzicht: de Katholiek, Sociaal Weekblad, dubbelblad van het dagblad »de Voorhoede", draagt tot alle hoeken van het land uit de ideeën en de wijze van werken van deze uitgestrekte organisatie, die reeds meer dan 70.000 leden telt.

Decentralisatie van werkzaamheid; want de vereenigingen blijven, hoe ook in de organisatie opgenomen, toch zelfstandig, gedragen zich naar haar eigen regelingen en overeenkomstig haar eigen doel, bijna zonder dat het centraal bestuur zich aanmatigt haar iets anders te geven dan raad, een steun en een parool in de ernstige omstandigheden, die de eenheid van alle krachten en van alle goede gezindheid eischen.

Zoodanig is in 't kort de sociale arbeid van de Nederlandsche Roomschen. Er moet nog aan toegevoegd worden, dat deze beweging zoo volledig, zoo vruchtbaar in resultaten, en zoo rijk in verwachting, in volmaakte harmonie zich ontwikkeld heeft, onder de goedkeuring en het bestuur der bisschoppen. Terwijl zij aan de vereenigingen groote vrijheid van beweging lieten, hebben zij de beginselen geregeld waarvan de actie had uit te gaan, en met hun herdersstaf hebben zij hun kudde geleid in de richting van de maatschappelijke werkzaamheden, aansporend of matigend, al naar het noodzakelijk was, en als zoodanig ware aanvoerders van het Roomsche leger, met getrouwheid gevolgd, en met goed gevolg begrepen. 't Is niet tevergeefs dat de vermaarde Dr. Schaepman van hen zeide: »Ons vertrouwen en onze hoop rusten op hun woord, op hun macht, op hun wijsheid, op hun leiding. Zij hebben gesproken, zij hebben gehandeld met voorzichtigen moed, en op deze wijze hebben zij tusschen de verschillende takken van arbeid en instellingen een uitnemende samenbinding tot stand gebracht, en ze een hooge vlucht doen nemen."

VII.

Een zoodanige bloei van organisaties en van toewijding op het terrein van het maatschappelijk leven verklaart den invloed der Katholieke partij. Zonder instellingen te zijn van politieken aard dragen deze vereenigingen er niettemin krachtig toe bij dat Roomsche ideeën in het openbare leven verbreid worden, en zij verzekeren aan hen, die ook op verstandige wijze de zedelijke en stoffelijke belangen van het volk behartigen, rechtmatigen invloed, die nog toeneemt door de beslist sociale gedragslijn van de Roomsche afgevaardigden in de Staten-Generaal.

Door zoo te doen geeft de Katholieke partij op schitterende wijze er bewijs van, dat zij de sociale kwestie, die op dit oogenblik zoo dringend de aandacht vraagt, zoo veel en zoo goed als mogelijk is, wil oplossen, en dat zij wil arbeiden aan de herstelling van de gemeenschap in christelijken geest. 't Is daarom, dat zij tot grondslag neemt de Katholieke leer, en dat zij zich vóór alles van haar moraal doordringt. Moet men hieruit besluiten dat zij een confessioneele partij is? Haar tegenstanders houden dit staande en versieren haar gaarne met dezen toenaam van »kerkelijk", maar 't is de vraag, hoe men dat verstaat. Indien men, zooals het juist schijnt, door dit woord wil karakteriseeren de partij, die zich uitsluitend met godsdienstige belangen bezighoudt, die als bestaansreden en tot doel niets heeft dan de verdediging van de rechten der kerk, dan is de Nederlandsche Katholieke partij geen confessioneele partij. Ongetwijfeld, de bescherming van de Roomsche belangen staat bovenaan op haar programma, en alleen Roomschen worden toegelaten tot haar organisaties; ongetwijfeld de beginselen van het Christendom beheerschen geheel haar politiek; ongetwijfeld, de geestelijkheid en bizonder de bisschoppen oefenen door hun adviezen een dikwijls belangrijken invloed; maar de leiding van de partij is in handen van leeken, zijn horizont strekt zich uit tot alles wat de welvaart van het land kan doen toenemen, en de verdediging van het recht, dat allen burgers gemeen is, is een van de grondregels van haar actie. Volgens het woord van Broere door Dr. Schaepman weergegeven in een motto aan het hoofd van zijn brochure: »Een Katholieke partij" vormen de Nederlandsche Roomschen een politiek lichaam dat vrijheid wil.

Het is overigens voor een partij de voorwaarde voor alle sterken invloed, om niet alleen werkzaam te zijn voor wat met eigen belangen in verband staat; zij kan zich aan deze noodzakelijkheid niet onttrekken zonder er in te moeten berusten slechts een fractie, dikwijls genoeg een factie te zijn.

Voor de Roomschen in Nederland was het bepaald noodig; want indien zij hadden aangenomen een uitsluitend godsdienstig program zouden zij gestuit zijn op de vereenigde krachten van de Protestanten, die zich verbonden zouden hebben om hen buiten het gemeen recht te plaatsen; zouden zij nooit hebben kunnen staan naar het verbond met de Antirevolutionaren, en zouden zij een onmachtige minderheid gebleven zijn, versmaad, zoo niet vervolgd. Om hun vrijheid, waardigheid en gezag te verzekeren, moesten zij hun voordeel doen met de rechten aan alle burgers toegekend in de grondwet, moesten zij een politiek voeren, die geëischt werd door de omstandigheden; moesten zij gebruik maken van de parlementaire tactiek als van alle eerlijke middelen, en geheel vast verbonden aan de Roomsche beginselen, moesten zij zich weten te schikken naar de eischen van het politieke leven van dezen tijd.

Dat is wellicht de grootste dienst, dien Dr. Schaepman aan de zaak der Roomschen bewezen heeft, dat hij deze richting nauwkeurig heeft aangegeven en zelfs de vermetelheden van zijn tactiek hebben meegewerkt aan de ontluiking van de politieke en sociale werkzaamheid van zijn geloofsgenooten, aan wie hij heeft gegeven het bewustzijn van wat zij moesten en van wat zij konden.

In alle geval, in dit drievoudig karakter van populair, sociaal en positief, dat hij haar heeft ingedrukt, is het geheim gelegen van de kracht der Nederlandsche Katholieke partij, wat haar ook veroorlooft te dingen naar de rol, die haar leider in de algemeene vergadering van 1897 aldus aanduidde: »Wij willen de leiders en de geleiders zijn" en daardoor is de onbetwistbare invloed, die door haar verkregen is in de raadscolleges van het Nederlandsche volk, gevestigd en versterkt.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Protestantsche Partijen.

Nederland is het klassieke land van theologischen strijd. De geschiedenis heeft de herinnering bewaard van die botsingen, die in de 16e en 17e eeuw het land in verwarring gebracht en zooveel bloed gekost hebben.

Op 't oogenblik zijn er de godsdienstige conflicten nog niet uit verdwenen, ze zijn alleen niet bloedig, en zij vertoonen zich nog onder de protestantsche partijen met een noodlottige levenstaaiheid, die langer blijkt te duren dan de tijd, waarin Arminianen en Gomaristen elkaar betwistten de macht in den Staat en tegelijkertijd het hoogst gezag in het godsdienstige.

Van zijn oorsprong af oefende het Calvinisme in Nederland invloed op het openbare leven. Meer dan het Evangelisch Christendom van Luther in Duitschland, ontwikkelde het zich naar buiten door de beschermende en op alles beslag leggende macht van den Staat, terwijl het al meer de hulp van de wereldlijke overheid in dienst nam, om de scheuringen te beheerschen en onder de nationale Kerk een meer of minder gemaakte eenheid te handhaven.

Ook toen de nauwe banden van slaafsche onderwerping tusschen Kerk en Staat waren losgemaakt, en een parlementaire constitutie het land ging regeeren, vond het in zijn vroegere belangrijke levensmomenten, in zijn geschiedenis en in zijn beginselen, genoegzame innerlijke kracht om te streven naar werkzaamheid op parlementair gebied.

Alleenlijk, dit was niet het werk of de houding van de oude nationale Kerk, de Nederlandsche Hervormde Kerk in haar geheel. De ontwrichting van de elementen, die haar samenstelden en die naar de gemeenzame uitdrukking van een harer predikanten, »met elkander verbonden waren als droog zand", was een belemmering, om zich als zoodanig om te zetten in een partij. Slechts een kleine groep, zich losmakende van de massa conservatieve Protestanten, ondernam het om op de calvinistische beginselen een politieke actie te stichten.

't Was de antirevolutionaire groep, die zich schaarde rondom Mr. Groen van Prinsterer, en die langzamerhand grooter werd, toen de strijd ontbrandde voor de volledige vrijheid van het Christelijk onderwijs.

Maar bij den dood van Groen van Prinsterer, toen Dr. Kuyper de troepen wilde leiden, organiseeren en aan tucht gewennen, die door den moedigen voorlooper van de antirevolutionaire idee bij elkander waren gebracht, begonnen er verdeeldheden aan den dag te treden, gevolg van de botsing van het theologisch onderwijs en van den strijd der politieke neigingen. Er is maar één schrede tusschen verschil in systeem en scheuring, vooral wanneer de leider een man van gezagshandhaving is, en hij met al zijn macht zich verzet tegen alles wat hij beschouwt als een bederf in de leer.

Op deze wijze vormden zich langzamerhand naast de antirevolutionaire partij, de Christelijk-Historische en de Vrij-antirevolutionaire partijen, gedeelten, op meer of minder gewelddadige wijze in moeilijke tijden van beslissing van het oorspronkelijk bloc afgegaan.

Intusschen het is een natuurwet, die geldt voor partijen zoowel als voor den enkelen persoon; wanneer zij zwak zijn, zoeken zij als vanzelf versterking van hun kracht, toenadering tot elkander, om den invloed te verkrijgen die hun ontbreekt. Er is wederkeerige aantrekking, die zich onvermijdelijk doet gelden, en die, dank zij de inschikkelijkheid door de openbare meening betoond, dikwijls uitloopt op onderlinge verstandhouding of ineensmelting. 't Is alzoo gegaan met de twee in verschil zijnde fracties; waarbij zich de Friesch-Christelijk-Historischen hebben gevoegd, die meer en meer de scherpte van hun geschillen in theorieën en tactiek verzacht hebben, om zich te vereenigen in ééne organisatie: de Christelijk Historische Unie. Het wonderlijkste van deze ontwikkeling is dat zij de vermindering, zoo niet de verzaking, meebracht van den traditioneelen haat van een groot getal Protestanten tegen het Roomsch Katholicisme, en dat zij in de christelijke politiek van de rechterzijde elementen vereenigt, die eertijds elkander vijandig waren.

Toch voor de meerdere duidelijkheid zullen wij vasthouden de verdeeling, die heden niet volstrekt juist meer is, van drie onderscheiden partijen, en wij zullen trachten aan te toonen in welke richting, vervolgens onder welke omstandigheden, en langs welk proces de ontwikkeling van deze laatste tijden plaatsgegrepen heeft.

_I. De Anti-revolutionaire partij._

Op het eerste gezicht schijnt de naam, door deze partij aangenomen, zonderling. Om er geheel de beteekenis van te weten, moet men zich houden aan de verklaringen die haar leider, Dr. Kuyper, daarvan gegeven heeft, voornamelijk in het korte overzicht, dat hij in 1898 schreef, in het encyclopedisch werk, dat de vreemdelingen, die in Nederland kwamen bij gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina, Nederland moest doen kennen: »Het doel van de Anti-revolutionaire partij is, aan de ideeën die ons hebben geleid in de dagen van onze nationale grootheid, den invloed te verzekeren waarop zij recht hebben." Dit feit volgt uit het eerste artikel van haar program van beginselen, dat saamgevat aldus luidt: »De Anti-revolutionaire of Christelijk-historische richting vertegenwoordigt voor zooveel ons land aangaat, den grondtoon van ons volkskarakter, zooals dat, door Oranje geleid, onder invloed der Hervorming omstreeks 1572 zijn stempel ontving."

Maar om dezen ouden nationalen en godsdienstigen geest te doen herleven, is het noodig, te niete te doen wat zich voor haar in de plaats heeft gesteld: het stelsel van de Revolutie van 1789. Ook vervolgt Dr. Kuyper: »Innerlijk vertoont zich de Anti-revolutionaire partij als een politieke partij, die zich aansluit aan de calvinistische beweging van 1572. Uitwendig vertoont zij zich aan ons als de tegenstandster van het grondbeginsel van de Fransche Revolutie; en dat is de eenige reden waarom zij zich antirevolutionair noemt." Met andere woorden: in den naam liggen twee gezichtspunten op hetzelfde doel: het eene meer positief, dat een terugkeer is naar de aloude nationale traditie's; het andere negatief, dat bestaat in het bestrijden van den geest der Revolutie.

Men moet hieruit niet besluiten dat de partij vijandig staat tegenover alle revolutie; dat zou een verkeerde conclusie doen maken. In den grond der zaak is het tegendeel veeleer waar. Want juist de gebeurtenis, waarop zij zich beroept, is een revolutionaire daad in de scherpste beteekenis van het woord: de vestiging van het Calvinisme in Nederland en de opstand van Nederland tegen de Spaansche overheersching. Overigens, historisch gesproken is het Protestantisme wezenlijk revolutionair in dezen zin, dat in alle landen, waar het zich geplant heeft, het heeft medegebracht een vaak hevige breuke met den bestaanden toestand en het een revolutie veroorzaakt heeft.

Zoo kan men dan zeggen, dat eigenlijk de partij, die »antirevolutionair" genoemd wordt, dit niet geheel is, tenminste niet in den volstrekten zin van het woord. Zij is alleen de onverzoenlijke tegenstandster van de beginselen der Fransche Revolutie en bestrijdt met haar uiterste kracht de formule van den neutralen of god-loozen staat: noch God, noch meester, die haar toeschijnt daarvan een gevolg te zijn.

Toch ontkent zij niet dat de Fransche Revolutie vele goede, wenschelijke hervormingen teweeggebracht heeft; integendeel zij erkent dat, en aanvaardt ze, maar doet ze niet voortkomen uit de beginselen die deze beweging geleid hebben, maar uit God en de eeuwige beginselen van het goddelijk woord, geopenbaard in de Heilige Schrift. Want de beteekenis van het Evangelie voor het maatschappelijk leven is de godsdienstige grondslag van het staatkundig stelsel, dat door de Antirevolutionairen is opgebouwd. Artikel 3 van hun program van beginselen verklaart het letterlijk: »Op staatkundig terrein belijdt de partij de eeuwige beginselen van het Woord Gods, zóó evenwel dat het staatsgezag noch rechtstreeks nòch door de uitspraak van eenige kerk, maar alleen in de conscientie der overheidspersonen aan de ordinantie Gods is gebonden."

En dat is niet een van de minst-belangrijke karaktertrekken van deze partij, dat zij voor haar oogen ziende de resultaten van een misleidende wetenschap en de droevige werking van een publiek recht dat met God niet rekent, terugkeerde naar de beginselen die het Christendom in de wereld ingebracht heeft, om daarop te gronden een herstelling van het maatschappelijk leven.