De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 21
Hiertoe had het Kabinet zich in herinnering gebracht, dat de heer De Meester vóór zijn val een wetsontwerp had ingediend om de beide belastingen op het vermogen en het bedrijf, zestien jaar geleden door minister Pierson ingesteld, tot ééne inkomstenbelasting te vereenigen; en hij vertrouwde dat deze samensmelting voldoende zou zijn om het financieel evenwicht te herstellen. Nu gaf het Kabinet het voornemen te kennen dit ontwerp weder op te vatten, nadat het van eenige beschikkingen, die slecht door het volk zouden worden opgenomen, zou zijn ontdaan. Intusschen vroeg het aan de Tweede Kamer ter afdoening van het allernoodzakelijkste 10 percent additioneele rechten op vermogens- en bedrijfsbelasting, die zonder discussie werden toegestaan en behield zich in het uiterste geval een hooger accijns op de jenever voor.
Zoo was het ministerie Heemskerk bezig toen de wetgevende periode ten einde liep. In 't buitenland had het ministerie zich voorzichtig en tevens krachtig vertoond in het Venezuelaansche conflict. Naar binnen had het een groot deel van het afwachtingsprogram, dat het zich bij zijn optreden had voorgesteld, werkelijkheid doen worden; het had tot algemeene voldoening in de kwestie van het blijvend gedeelte een besluit genomen, naar de verstandige plannen van generaal Sabron en tevens was de wet op het middelbaar onderwijs tot stand gekomen. Het had op bekwame wijze het bewind gevoerd, zonder in de Tweede Kamer een onverzettelijke oppositie te vinden, die anders noodzakelijk op ontbinding had moeten uitloopen. Zijne plannen, om in de toekomst de derde periode van militairen dienst voor de op te komen miliciens weg te nemen en de tweede voor de landweer, het jaarlijksche contingent van 17500 op 22000 soldaten te brengen, maar daarentegen de duur van den militairen dienst van vijftien op tien jaar terug te voeren, werden met zooveel te meer ingenomenheid begroet, daar de chefs van het leger deze wijzigingen volkomen vereenigbaar achtten met de eischen der militaire defensie. Anderzijds maakten de ontwerpen van minister Nelissen ter onderdrukking van de openbare zedeloosheid en in 't bizonder van de pornographie en der neomalthusiaansche propaganda een uitnemenden indruk. Het ontzag voor de rechterzijde was, zooals sommigen gevreesd hadden, er in de zestien maanden regeering niet op verminderd en de algemeene verkiezingen kwamen voor haar op een gunstigen tijd.
De verkiezing was even kalm als zij in 1905 druk en luidruchtig geweest was. De linkerzijde, die vier jaren tevoren een woedenden aanval gedaan had op het ministerie Kuyper, had geen enkelen grond om te hopen, dat zij dezen keer een beslissende zege zou behalen. De ervaring van het kabinet De Meester had haar hare onmacht om te regeeren getoond, en hare begeerte naar de overwinning werd getemperd door de zekerheid, dat zij er toch geen voordeel van zou kunnen trekken. Overigens had het ministerie Heemskerk het bewijs van zulk een verstandige handelwijze geleverd, dat een aantal liberalen gaarne wilden dat hij maar aan het bewind bleef, met deze voorwaarde natuurlijk, dat hij niet op een Christelijke meerderheid zou kunnen steunen en dat de linkerzijde ten minste haar 51 mandaten in de Tweede Kamer zou behouden. Men moet zich nu eenmaal kunnen schikken. Het ministerie Heemskerk deed zijn werk zoo goed. De kiezers moesten het niet omverwerpen, want de linkerzijde zou toch geen meerderheid er uit kunnen krijgen, maar de regeering mocht er niet meer door versterkt worden. Zoo was het beleid, dat in zekere liberale kringen besproken werd en waarvan de Nieuwe Courant slechts de weergalm was.
De heer Goeman Borgesius was evenwel niet van deze gedachte en daarom trachtte hij tegenover het clericalisme de linkerconcentratie te herstellen, die bij de vorige verkiezingen er in geslaagd was het gevreesde Kuyper-regime van de baan te schuiven, hetwelk hij het grootste ongeluk achtte dat ons treffen kan. Maar die taak ging met groote moeilijkheden gepaard. De algemeen-bekende vooruitschuiving van de »Liberale Unie" naar den kant van den Vrijzinnig-democratischen Bond was niet goed opgenomen en tusschen Vrij-liberalen en Vrijzinnig-democraten heerschte een kwalijk verscholen vijandschap. Om de gunst van de vrij talrijke leden van den Bond voor Algemeen Kiesrecht te behouden en die van de leden van den Algemeenen Bond voor Staatspensioneering te verwerven, had de heer Borgesius op vermetele wijze aan het socialistische program twee eischen ontleend: staatspensioneering en algemeen kiesrecht. Nu was het niet meer het schemerduister van het »blanco-artikel«, dat hij zocht, hij vroeg nu onomwonden grondwetsherziening om tot algemeen kiesrecht te komen; maar daarin kon hij de goedkeuring der Oud-liberalen niet wegdragen. Deze had hij ook niet meer in de kwestie van staatspensioneering, want men vond dat hij alleen werk maakte van kiesrechtuitbreiding. Zelfs de Vrijzinnig-democraten, die hij in sociale hervormingen trachtte te overtreffen, veroordeelden voor 't meerendeel deze manoeuvre. Hun aanvoerder, de heer Treub, bewees met cijfers de financieele onmogelijkheid om in Nederland staatspensioneering in te voeren, en hij voegde er aan toe, dat het voorspiegelen van gunstige maatregelen voor de armen, zonder te weten dat ze ook verwezenlijkt konden worden, geen democratie was maar volksverleiding, en dat de voorstanders van verzekering tegen invaliditeit en ouderdom uit staatskas waren naieve optimisten of staatkundigen van den kouden grond.
Men was het dus onder de Liberalen over het verkiezingsprogram niet eens en ook niet over de indeeling van de te veroveren zetels in de Tweede Kamer. De Oud-liberalen spraken openlijk hun voornemen uit om tegenover sommige Vrijzinnig-democraten hun eigen candidaten te stellen; en deze laatsten dreigden met weerwraak. De Socialisten, gedrongen als zij werden door de propaganda van de Marxisten, verscherpten hun klassestrijd in de verkiezingen tegen de burgerlijke partijen zelfs tegen de Liberalen.
Tegelijkertijd met die verdeeldheid heerschte een volstrekt gebrek aan vertrouwen en geestdrift onder de kiezers van de linker-concentratie. Hun geheele houding voorspelde een nederlaag voor de verkiezingen en hun onrustig verlangen beperkte zich tot de handhaving van den politieken toestand zooals hij was. Per slot van rekening deden zij alleen maar moeite om hunne posities te verdedigen, maar evenals in den oorlog is een defensieve houding een slechte taktiek ook in den politieken strijd. Tevergeefs trachtten eenige leiders den ouden Kuyperhaat weer aan te wakkeren en de heer Van Houten wierp hun het wachtwoord toe: Kuyper mag niet terugkomen!
Zoo verdeeld en onzeker als het linkerbloc was, zoo vast-aaneengesloten was de Christelijke coalitie. Men had een oogenblik gevreesd, dat het verschil van inzichten tusschen Dr. Kuyper en Mr. De Savornin Lohman, dat wederom in een levendige polemiek over de toekomstige rol van het ministerie Heemskerk was gebleken, een belemmering in de eenheid van actie zou zijn, maar bij de nadering der verkiezingen hadden deze twee eminente mannen hun verschil van gevoelen doodgezwegen en namen zij hun gemeenschappelijke overeenkomst met de Roomschen weder op. Zelfs de Christen-democraten, die door de ondervinding waren geleerd, maakten zich gereed om de candidaten van rechts te ondersteunen, mits men ter hunner belooning in het district Helder hun leider Staalman ondersteunde.
Dadelijk togen de verschillende organisaties aan het werk om een verkiezingsprogram op te stellen. Den 22en April werd te Utrecht de deputaten-vergadering der Antirevolutionaire partij gehouden, die tot de volgende hervormingen besloot: huismanskiesrecht, verplichte verzekering tegen invaliditeit en ouderdom, verhooging der invoerrechten om tot werklieden-pensionneering te kunnen komen, vollediger gelijkstelling van bizonder en openbaar onderwijs. Van zijne zijde besloot het Algemeen Verbond der Roomsch-Katholieke kiesvereenigingen tot dezelfde eischen, terwijl het evenwel nog bij het huismanskiesrecht evenredige vertegenwoordiging voegde. Beiden spraken buitendien hun vertrouwen in het ministerie Heemskerk uit, op dit punt door de Christelijk-historischen gevolgd, die niettemin weigerden om een lijst van hervormingen openbaar te maken, daar zij zeiden, dat de bepaling, welke kwesties urgent zijn, aan het ministerie toekwam en niet aan de kiezers.
Zoo begon de verkiezingstijd. Na eenige somwijlen ietwat moeilijke onderhandelingen en lichte schermutselingen vooral tusschen Christelijk-historischen en Antirevolutionairen, kwam de overeenkomst tusschen de verschillende partijen van rechts tot stand. De Roomschen hadden meer dan eens en nog pas bij een tusschentijdsche verkiezing voor de Provinciale Staten van Zeeland ondervonden, dat een zeker aantal Protestanten hardnekkig weigerde op een Roomschen candidaat te stemmen, en gaven maar zooveel mogelijk toe. Zij beperkten zich er toe om de 25 zetels te behouden en in vele districten waar zij een groote kans hadden, steunden zij liever den Antirevolutionairen candidaat. Zij offerden zelfs Enschede, dat hun voorheen had toebehoord, op, waar sedert 1897 ondanks een betrekkelijk zeer schoone meerderheid bij de eerste stemming voor hun eigen candidaat, de Socialist Van Kol, steeds bij herstemming de volstrekte meerderheid haalde. Want dit doende, achtten zij het niet het belangrijkst om de twee of drie zetels, die hun bij evenredige verkiezing toekwamen, te veroveren, maar om een schitterende overwinning aan de Christelijke coalitie te bezorgen.
Dank zij de wèl-voorbereide en goed-bestuurde gemeenschappelijke actie werd het dadelijk op den 11en Juni reeds eene overwinning. De 25 Roomschen kwamen allen met sterke meerderheid uit de stembus, zelfs de heer Passtoors in Beverwijk, die het meest bedreigd werd, met een meerderheid van 1000 stemmen boven de gezamenlijke drie candidaten, die tegenover hem stonden. De Antirevolutionairen, die den zwaarsten aanval des vijands hadden te doorstaan, hadden een winst van zes zetels, namelijk Enkhuizen, dien zij op den leider der Liberale Unie heroverden, Kampen, Enschede, Gorkum, Amsterdam VII en Amsterdam VIII. De Christelijk-historischen bleven op dezelfde hoogte. In één woord, de rechtsche partijen vorderden en behaalden onbetwistbaar een vaste meerderheid in de Tweede Kamer. De linkerzijde had slechts tien afgevaardigden verkozen gekregen en haar aanvoerder, de heer Goeman Borgesius, in twee districten verslagen, trachtte met moeite bij de herstemming voor Rotterdam I verkozen te worden.
De 36 herstemmingen waren niet instaat om den toestand te wijzigen. Haar resultaten konden òf de meerderheid versterken òf verhinderen dat de nederlaag van links in een verplettering veranderd werd. Ondanks het welslagen van de eerste stemming en het prestige op de kiezers als gevolg van hunne overwinning, verwachtte de rechterzijde weinig van de herstemming. Behalve één zetel, die zij te Ede veroverde, waar een onafhankelijke Christelijk-historische tegenover een Antirevolutionair stond, verwachtte zij niet meer dan twee of drie districten te winnen. De voorgaande verkiezingen hadden haar inderdaad geleerd dat over 't algemeen de herstemmingen in haar nadeel waren; op het beslissend oogenblik vereenigden dan de linkerpartijen hunne stemmen op den liberalen of socialistischen candidaat en behaalden er de overwinning. Deze keer echter ging het niet op dezelfde wijze. De Sociaal-democraten hadden van de eerste stemming af hun voornemen te kennen gegeven om in geen geval de Oud-liberalen te ondersteunen. Conservatieven van rechts of van links, »dat is hetzelfde«, zeiden zij. Bijgevolg bevalen zij onthouding aan waar een Oud-liberaal tegenover een van rechts stond. Als weerwraak namen de Vrij-liberalen eenzelfde houding aan tegenover de Socialisten, en niet tevreden er mede, om ten hunnen opzichte een wangunstige neutraliteit te bewaren, zeiden zij zelfs hunne partijgenooten aan om op den candidaat van rechts te stemmen, indien namelijk de tegenpartij van den Socialistischen candidaat een Christelijk-historische was, hetgeen zich in 't bizonder voordeed in Amsterdam II, waar de heer Snoeck Henkemans den president van het Socialistische Werkliedenverbond, den heer Oudegeest, bestuurder van de algemeene werkstaking van 1903, bestreed.
Tengevolge van deze verdeeldheid, die de kracht van de liberale concentratie aanmerkelijk verzwakte, behaalde de Christelijke den 28en Juni een nieuwe overwinning. Amsterdam II en Haarlem waren door de Christelijk-historischen veroverd, waardoor dezen 12 zetels zich verwierven. De Antirevolutionairen behaalden 23 zetels, en wonnen Rotterdam IV door de verkiezing van den heer Jacob Heemskerk, broeder van den minister van dien naam; Rotterdam V, waar de heer Van Raalte, oud-minister in het kabinet De Meester verslagen werd; en Utrecht II, op den heer Roëll, den geachten voorzitter der Tweede Kamer, veroverd. De meerderheid van rechts werd hierdoor op 60 stemmen in de Tweede Kamer gebracht. De Liberalen kwamen gedecimeerd uit den strijd, vooral de Oud-liberalen, die hun beste vertegenwoordigers van het staatkundig tooneel zagen verdwijnen en niet dan vier zetels behielden, het ongelukkig overblijfsel van vroegere grootheid. Alleen waren de Socialisten eenigszins vooruitgegaan, die zonder de handelwijze van Roomschen en Christelijk-historischen in verscheidene districten hun aantal afgevaardigden zouden hebben zien vermeerderd.
Alles tezamen genomen had de les der verkiezingen een dubbel karakter. Ter eener zijde was het de ongenade, waarin de gematigde-liberalen gekomen waren bij de kiezers, waardoor zij hen verlieten in hun onafgebroken evolutie in de richting van het Socialisme, om de vooruitstrevende elementen van de oude groote liberale partij te volgen. Aan de andere zijde was het groote tevoren nimmer voorgekomen succes der rechterzijde, dat een vertrouwen in de gematigde en kalme leiding van minister Heemskerk te kennen gaf en voor de Christelijke coalitie een schoone toekomst opende.
* * * * *
Tweemaal reeds in 1888 en 1901 waren de Christelijke partijen op één verkiezingsprogram vereenigd, aan de regeering gekomen, maar hunne overwinning was slechts, zij wisten het, momenteel en zij gevoelden dat de Liberalen slechts één oogenblik de macht in handen behoefden te krijgen, om met meer kracht hun overwicht in de verschillende staatslichamen te hernemen. Overigens zijn de laatste verkiezingen van groot gewicht. Wanneer men ze van naderbij beschouwt, geven zij den indruk, dat men zich op een keerpunt in de staatkundige geschiedenis bevindt. Tachtigduizend stemmen meerderheid in het land, twaalf in de Eerste Kamer, twintig in de Tweede Kamer, een ministerie samengesteld uit bekwame mannen; zoo is de gunstige toestand van de Christelijke Coalitie. Niets staat meer de uitvoering van hare plannen in den weg, niets meer de voltooiing der noodzakelijke hervormingen.
Maar deze toestand is, om zich sterk uit te drukken, niet onneembaar. De veroverde stellingen hebben versterking, bevestiging en bescherming noodig. De invloed van rechts in de Tweede Kamer is naar het getal te groot voor het aantal kiezers, die van deze begrippen doordrongen zijn. Deze onevenredigheid is daar, waar zij zich vertoont, een bedreiging voor hen, te wier voordeel zij bestaat. In Nederland is er dus bij de nadenkende staatkundigen een zekere vrees, die het ministerie Heemskerk kan doen verdwijnen. Groot is de verantwoordelijkheid, die op dit ministerie rust; van zijn ijver, wijsheid, en politieken zin hangt het vertrouwen der natie in de werkdadigheid der Christelijke politiek af. Indien het bij geval niet aan de verwachtingen, die men ervan heeft, voldeed, dan zouden de volgende algemeene verkiezingen in éénen dag het werk van dertig jaren worsteling vernietigen, zonder wellicht de mogelijkheid over te laten om een nieuw gebouw uit het puin te doen herrijzen.
Maar tevens, welk een schoon vergezicht van vruchtbaren wetgevenden arbeid opent zich niet voor ons; een tijd om, zonder onderdrukking der minderheden, op den grondslag van de grootst-mogelijke vrijheid en gelijkheid voor alle burgers, een goede sociale wetgeving op duurzame grondslagen op te bouwen. De hangende vraagstukken zijn ernstig en veelvoudig; arbeiderspensioneering op practische wijze verzekerd, en tevens hiermede in verband, de herziening der inkomende rechten; de Zondagsrust beter geregeld en beter beschermd; de openbare zedeloosheid op afdoende manier tegengegaan; het vrije onderwijs in al zijne vertakkingen en onderafdeelingen genietende van dezelfde voordeelen als het openbare. Bovendien binnen korter of langer tijd grondwetsherziening naar de Christelijke grondslagen, waardoor een organische regeling van het kiesrecht geoorloofd wordt. Ziedaar de opdracht, vol van beloften, die de krachten van de Christelijke Coalitie bezighoudt en waarvan de verwezenlijking de liefde van het volk, de dankbaarheid der historie zou doen verwerven.
De Nederlandsche Roomschen zijn niet alleen, maar met de hulp van hunne bondgenooten, op hetzelfde historische punt gekomen als de Belgische Roomschen in 1884. Hunne methode is anders geweest, de strijd was moeilijker, de weg langer. Zij hebben niet de overmaat van verontwaardiging gekend, waarmee hun zuidelijke buren zijn ontwaakt, maar een geleidelijke en voortdurende stijging, vrucht van sterke organisatie, van vasten wil en volhardende inspanning. Hun doel is eindelijk bereikt. Na een halve eeuw van liberale regeering is de Christelijke Coalitie onbetwistbaar meesteres van den toestand. En waar zij een langduriger opkomst kende, misschien zal zij daar nog langer dan in België de Roomsche partij haar beslissenden invloed op de toekomst van Nederland doen behouden.
Indien tenminste de verdeeldheid niet gaat heerschen en de verbonden partijen het eens-gegeven woord niet terugnemen om zich aan een eigen politiek te wijden. Maar dat is niet waarschijnlijk. Het verbond rust te sterk op de nauwkeurig-belijnde beginselen, dan dat het aan de genade van voorbijgaande invloeden zal overgeleverd zijn, die slechts kunnen schudden, maar niet omverwerpen. Het is langzamerhand gegroeid en naarmate van zijn vooruitgang, zijn de belemmeringen, die zich op zijn weg voordeden, uit den weg geruimd. Het zijn de Liberalen zelf, die deze weggenomen hebben. Door hunne zorgen zijn de kwesties van den persoonlijken dienstplicht en van den leerplicht uit den weg geruimd. En hunne pogingen om het »monsterverbond« uit elkander te rukken hebben nauwere aaneensluiting veroorzaakt. Zij kunnen haar niet meer in 't openbaar bekampen, en daarom trachten zij de eenheid der Coalitie teniet te doen en ze zoo te overwinnen. Doch onder de hedendaagsche omstandigheden heeft de linker-concentratie minder dan ooit kans om zich op duurzame wijze te herstellen.
Het is dus te hopen, dat de Christelijke Coalitie zal voortgaan met het totstandbrengen van wèl-overwogen hervormingen. Zoolang het Christelijk-Sociaal program niet is afgewerkt, zoolang de schoolkwestie haar volkomen oplossing niet heeft verkregen, zal zij haar reden van bestaan behouden. En dan alleen, wanneer de strijd het godsdienstig terrein zal verlaten hebben, wanneer de Nederlandsche moderne maatschappij zal ontloken zijn bij het licht van het Evangelie, wanneer de sociale wetgeving op de Christelijke grondslagen zal rusten, kunnen de partijen hare rangen verlaten, den citadel ontmantelen evenals de vesting Nijmegen, eertijds onneembaar, schier van hare versterkingen is ontdaan, toen zij geen oorlogen meer te vreezen had en men haar met breede boulevards en schoone parken mocht omringen.
NAAMLIJST VAN DE PERSONEN IN DIT WERK GENOEMD
Aalberse, 30, 35.
Alberda, 148.
Angenent, 35.
Asch van Wyck (M. Van), 242.
Asch van Wyck (T. Van), 210.
Bahlmann, 23, 191.
Bavinck, 56, 224.
Beaufort (De), 87, 202.
Benoist (Ch.), 47.
Bergansius, 186, 204, 210, 217.
Bevers, 30, 247.
Bilderdijk, 45.
Bismarck (Von), 113.
Boneval Faure (Van), 218.
Borret, 152.
Bos (Dr.), 232, 248.
Bosse (Van), 149.
Broere, 37.
Bronsveld, 53, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 192, 198, 199, 206, 225, 229.
Buijs, 162, 187.
Buytendijk, 70, 225.
Bylandt (Graaf Van), 61.
Ceton, 133.
Cohen (L.), 120.
Cohen Stuart, 234, 245, 247.
Cornelissen, 134, 140.
Cort van der Linden, 202.
Cremer, 202.
Da Costa, 45, 68.
Dam (Van), 242.
Domela Nieuwenhuys, 114, 115, 116, 117, 119, 121, 127, 130, 134, 135, 136, 139, 140, 185, 192, 199.
Donker Curtius, 148, 149.
Douwes, 76.
Drucker, 112.
Eigenraam (Mgr.), 33.
Elout van Soeterwoude, 68.
Emma (Koningin-regentes), 189.
Ferri, 134.
Fock (minister), 17, 155, 232, 234.
Fortuijn, 120, 130.
Fransen van de Putte, 82, 152.
Frans Hals, 18.
Gambetta, 87.
Gerhard (A.), 120.
Gerhard (H.), 114, 130.
Gerritsen (C. V.), 105, 227.
Gilse (Van), 208.
Gleichman, 175.
Goeman Borgesius, 103, 202, 221, 222, 233, 238, 241, 252, 253.
Goes (Van der), 119, 120, 128, 130, 131.
Gorter, 128, 130.
Groen van Prinsterer, 40, 45, 60, 66, 68, 152, 156, 204.
Hall (Van), 149.
Harte van Tecklenburg, 210.
Heemskerk (Mr. A.), 75, 103, 152, 159, 176, 180.
Heemskerk (J. F.), 257.
Heemskerk (Mr. Th.), 30, 58, 208, 245, 246, 247, 249, 251, 252, 254.
Heldt, 208.
Helsdingen (Van), 120, 127.
Hermans, 127.
Holwerda, 87.
Houten (Van), 61, 84, 87, 90, 93, 101, 102, 166, 169, 180, 194, 195, 197, 201, 223, 235, 254.
Idenburg, 231, 247.
Kaay (Van der), 81, 85, 87, 194.
Kappeyne van de Coppello, 159, 175.
Karnebeek (Van), 87, 93, 233.
Kerdijk, 84.
Ketelaar, 93.
Keuchenius, 181.
Ketteler (Mgr.), 31.
Kol (Van), 119, 120, 130, 255.
Kolkman, 30, 224, 242.
Konings (Mgr.), 33.
Koolen, 29.
Krans, 234.
Kruys, 210.
Kuykhoff (Van), 127.
Kuyper (Dr. A.), 21, 28, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 48, 49, 50, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 59, 62, 66, 69, 70, 72, 168, 184, 190, 191, 194, 198, 199, 200, 205, 206, 210, 212, 213, 214, 215, 217, 218, 220, 224, 226, 228, 229, 231, 232, 233, 237, 246, 248, 249, 252, 254.
Lely, 202, 208.
Lennep (Van), 61.
Leo XIII, 24.
Levy (Mr. J. A.), 94.
Liebknecht, 119.
Lieftink, 227.
Lodewijk XIV, 11.
Lodewijk Bonaparte, 44.
Loeff, 30, 210, 212, 231, 235, 237.
Loopuit, 130.
Lijnden (Van), 176.
Mackay, 21, 30, 61, 68, 181, 186, 187, 189, 198, 211, 248.
Marchant, 221, 222, 241.
Marees van Swinderen, 247.
Marez Oyens (De), 210.
Marx (Carl), 114, 117, 122, 123, 131, 134.
Meester (De), 59, 233, 234, 239, 242, 243, 244, 247, 248, 249, 251, 252.
Melvil van Lijnden, 210.
Mendels, 127, 130.
Meyer (H.), 128.
Mun (De), 79.
Myer, 152.
Nelissen, 30, 247, 252.
Nispen tot Sevenaar (Van), 30, 35.
Nolens (Mgr.), 30.
Nouwens, 34.
Nuyens, 76.
Ophemert (Van), 68.
Opzoomer, 82, 83.
Oudegeest, 256.
Pannekoek, 130.
Passtoors, 30, 33, 34.
Pennink, 140.
Pierson, 102, 201, 202, 203, 209, 227, 233, 251.
Pius IX, 24.
Polak (H.), 120, 141.
Quarles van Ufford, 61.
Raalte (Van), 234, 257.
Rappard (Van), 243, 244.
Ravesteyn (Van), 133.
Rees (Van), 176.
Rembrandt, 18.
Rink, 234, 248.
Roëll, 84, 87, 194, 257.
Roland Holst (Mevw.), 128, 130.
Ruijs de Beerenbrouck, 30, 186.
Sabron, 247, 251.
Savornin Lohman (De), 54, 59, 61, 63, 65, 72, 194, 198, 203, 211, 225, 247, 254.
Schaepman (Dr.), 15, 16, 18, 21, 22, 23, 24, 27, 28, 30, 31, 36, 37, 38, 46, 75, 147, 168, 190, 191, 192, 194, 199, 204, 206, 224.
Schaper, 120, 127, 130, 132, 202.
Schimmelpenninck (Graaf), 185.
Schimmelpenninck van der Oye, 61.
Schokking, 71, 72, 211.
Schopenhauer, 195.
Seret, 227.
Smits (Mgr.), 20.
Snoeck Henkemans, 256.
Spiekman, 120.
Sprenger van Eyk, 201.
Staal, 234, 239, 243.
Staalman, 57, 225, 254.
Storm, 148.
Strens, 149.
Stuers (De), 32.
Tak van Poortvliet, 47, 59, 101, 175, 176, 192, 193, 194, 201.
Talma, 58, 247.
Ter Laan, 130.
Tets van Goudriaan, 87, 234.
Thorbecke, 16, 22, 74, 76, 78, 81, 82, 148, 151, 152, 155, 157, 158, 233.
Tienhoven (Van), 192.
Treub, 90, 108, 112, 253.