De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 20

Chapter 203,649 wordsPublic domain

Toen de begrooting van oorlog zoo werd ingediend bij de Tweede Kamer, ontmoette ze groote moeilijkheden. Men was er zich inderdaad van bewust, dat al de legerautoriteiten het ontwerp van generaal Staal geheel afkeurden, hetwelk zij tenminste slecht voorbereid achtten; en bovendien had men een ongunstigen indruk gekregen door de handeling van den minister, die was begonnen een deel der soldaten van het blijvende gedeelte naar huis te sturen, zonder de Tweede Kamer er in te kennen. Evenwel behield hij het vertrouwen van de Kamer, vergaderd op 21 December 1906, door de belofte, die door middel van den leider der Oud-liberalen aan de regeering ontrukt werd, dat de toepassing van eenige militaire maatregelen tot 1 April verdaagd zou worden.

Maar zoo was het niet in de Eerste Kamer, die het oogenblik niet gunstig achtte voor de vermindering van het blijvend gedeelte en bijgevolg de oorlogsbegrooting verwierp.

Zich solidair met generaal Staal verklarende, trad het kabinet in zijn geheel af, waardoor wel wat lichtvaardig een moeilijke crisis geopend werd. Zij duurde twee maanden en tegenover de weigering van de rechterzijde om de regeering te aanvaarden, kon zij niet anders opgelost worden dan door de terugkomst van het kabinet De Meester voorloopig zonder generaal Staal, dien op het genoemde tijdstip de Provinciale Staten van Noord-Holland naar de Eerste Kamer zonden, denkelijk om daar hen van naderbij te leeren kennen, die zulk een ongelukkig einde aan zijn ministerieele fortuinlijkheid gemaakt hadden.

* * * * *

Op dat oogenblik was in de politieke kringen aller aandacht gericht op de provinciale verkiezingen. Deze waren van te meer belang, derwijl de Provinciale Staten de leden der Eerste Kamer verkiezen en men terecht of te onrecht de liberalen er een weinig van verdacht, het vraagstuk van de vermindering van het blijvend gedeelte te hebben opgeschort om voor zich daardoor bij deze verkiezingen een voordeelige reclame te maken.

Het belang van den strijd lag grootendeels in Zuid-Holland. In de overige provincies scheen inderdaad de meerderheid te sterk hetzij van rechts of van links, om aan verandering te kunnen denken, of het mogelijke resultaat zou te gering zijn invloed op de houding van de Eerste Kamer kunnen oefenen.

Maar in Zuid-Holland was het anders. Tot 1901 had deze provincie een liberaal bewind gehad; nu nog waren er 36 liberalen in tegenover 46 rechtschen. Onder de 31 leden, die in Juni 1901 hun mandaat geëindigd zagen, bevonden zich 17 van links en 24 van rechts. Derhalve zou een verplaatsing van 5 of 6 stemmen voor de linker concentratie genoeg zijn om de meerderheid te behalen en tegelijk 10 zetels in de Eerste Kamer te heroveren en om wellicht door deze nieuwe Eerste Kamer tot een vernieuwing van het liberalisme in het land te komen.

Om dit te bereiken, spaarde het linker bloc geen enkel middel, waardoor de christelijke coalitie uit hare stellingen kon worden verjaagd. Het was bij deze gelegenheid meer saamverbonden dan ooit tevoren. Een vereenigingsverdrag verbond al degenen nauw met elkander, die den weidschen naam van liberaal droegen, namelijk: Oud-liberaal, Unie-liberaal en Vrijzinnig-democraat. Bovendien werd het in bijzondere districten bij de herstemming gesteund door de Sociaal-democraten. Het driemanschap Tijdeman-Borgesius-Marchant, dat bij deze entente aan het hoofd stond, had nauwkeurig den veldtocht bepaald. Men hield niet verborgen, dat nu de overwinning van 1905 moest voltooid worden; dat de overwinning van dat jaar slechts halverwege was geweest zoolang de confessioneele meerderheid, die sedert de staatsgreep van 1904 in de Eerste Kamer heerschte, bleef bestaan en dat het van belang was aan de liberale regeering een Eerste Kamer te bezorgen, gewijd aan de liberale denkbeelden, opdat de regeering hare beloften zou kunnen vervullen en hare hervormingen tot een goed einde zou kunnen brengen.

Zoo namen de verkiezingen in de provincie Zuid-Holland een politieken tint aan tegen de ontbinding van de Eerste Kamer in 1904. Het was als een beslissende strijd tegen het monsterverbond en zijne deelhebbers, de mannen van de antithese. In één woord: het was een indirecte verkiezing voor de Eerste Kamer, vrijwel gelijk aan de verkiezingen voor een president van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.

Onder de leiding van zijne chefs gaf de concentratie blijk van een ongelooflijk drukke werkzaamheid, die echter voor de Liberalen het ongelukkigste resultaat had, dat ooit door hen was ondervonden. Bij de eerste stemming op 11 Juni verloren zij, inplaats van te winnen, vele zetels. Meer nog dreigde de christelijke coalitie, die door hare eenheid en organisatie den woedenden aanval vermocht terug te slaan, bij de herstemming de meeste districten van Rotterdam, waaraan zij hare bizondere zorgen had gewijd, te veroveren. De linkerzijde verkreeg slechts twee zetels, terwijl men rechts 23 bij de eerste stemming verwierf.

Dat was meer dan een nederlaag, dat was verval.

Nog erger werd het daarna, toen de verkiezingen in Overijsel de meerderheid aan de christelijke partijen bezorgden, en in hun handen de Gedeputeerde Staten vielen, die tot dien tijd voortdurend liberaal waren geweest.

De herstemming bracht geen verzoeting van de bitterheid der eerste stemming teweeg. In Zuid-Holland overmeesterde de christelijke coalitie voor een deel de groote stad Rotterdam. In het derde district behaalde de heer Kolkman, leider van de Roomsch-Katholieke Kamerclub de zege over den Liberaal, den heer Van Dam, en in district 5 versloeg een Christelijk-historische, de heer Van Asch van Wijk, den heer Zimmerman, den jongen en vurigen burgemeester van Rotterdam.

In Friesland daarentegen was het resultaat, dat de meerderheid der Provinciale Staten, die bijna door de orthodoxen was verkregen, aan de Liberalen onttrokken werd, terwijl ze toch aan de linkerzijde bleef. De Provinciale vertegenwoordiging bevatte tengevolge der stemmingen, waarin de Socialisten 5 zetels wonnen: 22 Liberalen, 20 coalitiemannen en 8 Sociaal-democraten. Deze laatsten werden bijgevolg de scheidsrechters van den politieken toestand. Maar de rechterzijde had geen reden zich er over te verheugen, want het was te voorzien dat de Socialisten ervan zouden profiteeren, om spoedig of minder spoedig storm te loopen op de deuren van de Eerste Kamer en van de Liberalen ter vergoeding voor hunne medewerking te eischen, dat Friesland een of meer van de vier Eerste Kamerleden uit de Socialisten zou zenden. Desniettegenstaande liet dit feit den achteruitgang der liberale denkbeelden zien, overal behalve in Amsterdam.

* * * * *

De grootste inspanning van het Liberalisme, om in de Eerste Kamer het verloren terrein terug te winnen, was geheel mislukt en deze nederlaag schraagde zeker het wankelende ministerie niet, maar het zag zich het vertrouwen van het kiezerscorps ontzegd.

Begreep minister De Meester wel, dat de liberale regeering in zeer slechte verhouding kwam te staan en wilde hij wellicht voordat de toekomst hem ontging tenminste het vraagstuk van de herziening van de kieswet, het voornaamste van zijn program, aan de orde te stellen? Of wel, wilde hij daarmede de onmacht der wetgeving, waartegen hij zich met alle macht verzette, verbloemen? Hoe het zij, bij de opening van de Staten-Generaal op den 17en September 1907, bracht hij onverhoeds de kieswetherziening in bespreking.

Doch wat hij aankondigde, was niet meer een generale herziening, zooals het verslag der Staatscommissie behelsde, hetwelk eenige maanden tevoren was medegedeeld, maar een gedeeltelijke herziening, die de grenzen door artikel 80 gesteld slechts overschreed om eenige wijzigingen aan te brengen in de samenstelling en de rechten der Eerste Kamer. De verwondering was algemeen en van alle kanten, zelfs in het liberale kamp, vond men, dat een staatscommissie te benoemen om de lijst van de punten der herziening wat te verbreeden en deze vervolgens bijna bij het punt van uitgang te laten, zonder zich meer om de conclusies van deze commissie te bekommeren, alsof zij niet bestond, een vreemd schouwspel was en wel een weinig met den samenhang spotten.

Ondanks de haast, die hij aan den dag legde om met de zoo beperkte hervorming te beginnen, had het ministerie niet den tijd om met het onderzoek een aanvang te maken. De aangekondigde ontwerpen waren nauwelijks ingediend, toen het zonder genade en zonder glorie onder de bespreking van de begrooting viel.

Sedert de aftreding van generaal Staal was de kwestie van het blijvend gedeelte opgeschort en de voorwaarde door den heer De Meester tot de hervatting van het bewind, van het indienen een nieuw ontwerp, scheen een doode letter gebleven te zijn. Wat nog meer inhad: de nieuwe minister van oorlog, de heer Van Rappard, had den 12en Juli een circulaire aan de korpscommandanten gezonden om den 1en December een deel van het blijvend gedeelte van de infanterie naar huis te zenden. Maar deze circulaire onderstelde, dat de kwestie door de Staten Generaal zou zijn afgewerkt vóór dien datum, en zij was het niet.

Ook werd deze ernstige kwestie door de bespreking der begrooting van 1908 wederom aan de orde gebracht in de Tweede Kamer, waaraan deze nog ernstiger kwestie werd toegevoegd, aangaande den toestand van het leger. Volgens algemeen oordeel was deze toestand ver van voldoende. Teekenen van ontmoediging en demoralisatie vertoonden zich overal. Om deze toestand van malaise, die er heerschte sedert het optreden van het ministerie De Meester, te doen ophouden, moest aan het hoofd een man komen te staan van groote militaire kennis, die de reorganisatie van het leger geleidelijk doorzette, noodzakelijk om tot het gewilde resultaat te komen, en een kloekheid, die onmisbaar is om vertrouwen in te boezemen.

Welnu, generaal Van Rappard was zulk een man niet. Een goed generaal, maar een betreurenswaardig minister, die zich door den loop der gebeurtenissen liet besturen, en het leek wel, of hij geen vast doel in het oog had en geen diepe overtuiging bij zich droeg. Sedert het begin van zijn ministerschap, had hij wel eenige wettelijke beschikkingen genomen van minder belang, maar op alle voornaamste punten scheen hij geen bizondere meening te hebben. Deze besluiteloosheid van karakter evenwel, die hem raad deed inwinnen bij de Kamer inplaats van aan hare goedkeuring een wèl-overwogen plan te onderwerpen, was niet de eenige oorzaak van de middelmatige hoedanigheden, die in het bestuur van zijn ministerieel-departement uitkwamen. De heer Van Rappard was tevens bovenal het slachtoffer van de moeilijkheden, door de linker concentratie teweeggebracht. Bij de verkiezingen van 1905 was zij naar de stembus gegaan met de inschrijving van twee punten in haar program: besparing van militaire uitgaven en een volksleger. Daaruit was de meening ontstaan, dat wanneer zij maar eens de zege behaalde, zij spoedig een hervorming onder zee- en landsoldaten zou invoeren, en dat zij, terwijl de militaire lasten werden verlicht, de waarde van het leger zou verhoogen. Zulke verwachtingen had zij onder het volk gebracht; en zoo kwam het dan, dat menschen van goeden wil, vreemdelingen in de staatkundige wereld, op wie de overwinnaars de waarmaking van hunne beloften hadden overgedragen, den kiezers onvoldaanheid inboezemden. Van besparing was geen sprake meer, de begrooting van 1908 bracht eene verhooging van 1 millioen boven die van 1907 aan en men was ver van zeker, dat die van de volgende jaren daarbij bleven. Wat betreft het volksleger, dit scheen meer en meer een droombeeld te zijn.

Deze opeenvolgende toestanden van afwachten, onzekerheid en bedrog hadden een malaise onder het volk teweeggebracht en een wezenlijke crisis in het leger.

Verscheidene sprekers constateerden het bij de bespreking in de Tweede Kamer; van den heer Heemskerk, den Antirevolutionair, af tot den heer Troelstra, den Socialistischen leider toe; en generaal Van Vlijmen trok uit naam van de Liberalen de conclusie, dat de verkregen resultaten in het leger niet in verhouding waren met de geldelijke offers, die Nederland werden opgelegd. Het was duidelijk, dat de minister niet meer het vertrouwen van de Tweede Kamer bezat. De verwerping van de oorlogsbegrooting in de zitting van 21 December 1907 was er het noodzakelijk gevolg van.

Bij deze nieuwe nederlaag aan zijn militaire politiek toegebracht, kon het ministerie met de aftreding van den heer Van Rappard niet volstaan. In minder dan een jaar tijds waren twee ministers op het parlementaire slagveld gesneuveld; de eene verslagen door den tegenstand der Eerste, en de andere door de oppositie van de Tweede Kamer, zoodat op dien manier de volksvertegenwoordiging in haar geheel zijne houding aangaande legerhervorming had veroordeeld. Hier komt nog bij, dat de minister van Marine, de heer Cohen Stuart, eveneens gedrongen was geworden om in dien tusschentijd af te treden. Zoo is het dan gemakkelijk te begrijpen, dat de heer De Meester, ook al vond hij een opvolger voor de zware taak van den heer Van Rappard, en dat was twijfelachtig, niet meer genoegzaam zedelijk overwicht had om zijne positie te handhaven en nog minder om het met Kamerontbinding te wagen. Uitermate verzwakt als het liberale ministerie was geworden in de twee jaren zijner regeering, waar het bij elke ontmoeting een weinig van zijn kracht en prestige had verloren, stierf het, zooals het neutrale blad, »De Telegraaf" schreef, aan de gevolgen van de ziekte van stembusbeloften. Het werd gedwongen zijne onmacht om ze te verwezenlijken te erkennen en aan anderen het bestuur der nationale zaken over te laten. Zonder al te lang te dralen, deed het dit en den 26en December 1907 gaf het de gezamenlijke portefeuilles aan de koningin over.

IV.

_Het ministerie Heemskerk.--De algemeene verkiezingen van 1909.--De toekomst van de Christelijke Coalitie._

Ondanks de begeerte van de rechterzijde om de Liberalen nu eens te laten profiteeren van hunne overwinning van 1905, in den zin zooals zij dat verstonden, kon deze zich niet meer onttrekken aan de verantwoordelijkheid der regeering, zooals zij dat eenige maanden tevoren gedaan had, voornamelijk niet, toen de linker concentratie zich duidelijk genoeg onmachtig getoond had om een nieuw ministerie samen te stellen. Allen waren echter niet van die gedachte. Dr. Kuyper in 't bizonder meende, dat het de voorkeur verdiende om tot aan de algemeene verkiezingen de overwinnaars in hun moeilijke positie en onmacht te laten. Het volk zou, naar hij geloofde, zulk eene ontmoediging ondergaan, dat het voor goed de liberale principes veroordeelde, die door de feiten waren gelogenstraft, en de tijd, die er op volgde, zou des te vruchtbaarder en te voorspoediger zijn. Maar de rechterzijde in 't algemeen deelde niet het inzicht van Dr. Kuyper en achtte, dat het hoogste belang van den staat niet toeliet, dat men dit waagstuk beging. De heer Heemskerk, zoon van den conservatieven oud-minister en president van de Anti-revolutionaire kamerclub, ontving opdracht om een kabinet te formeeren. Hij was daartoe aangewezen geworden door zijn beslissende tusschenkomst in de bespreking van de Oorlogsbegrooting.

Spoedig vond de heer Heemskerk twee antirevolutionaire medewerkers; de eene Ds. Talma, een der bekendste aanhangers van Dr. Kuyper, aan wien hij het departement van Landbouw, Handel en Nijverheid toevertrouwde; en de andere, de heer Idenburg, die Koloniën weder opnam, hetgeen hij vóór de komst van het ministerie De Meester op uitnemende wijze had waargenomen.

Tevens richtte zich de heer Heemskerk tot den heer Kolkman, den leider der Roomsch-Katholieke Kamerclub, en gaf aan hem het departement van Financiën, aan den heer Nelissen dat van Justitie en aan den heer Bevers, allen Roomsch, dat van Waterstaat, terwijl hij voor Buitenlandsche Zaken den heer Marees van Swinderen, Nederlandsch gezant te Washington, benoemde, om in het kabinet de Christelijk-historische ideeën van den heer de Savornin Lohman te vertegenwoordigen.

De heer Heemskerk nam Binnenlandsche Zaken op zich en tevens den presidentshamer. Het baarde bizonder opzien, dat aan het hoofd van Oorlog en Marine twee militairen stonden zonder politieke kleur, van algemeen erkende bekwaamheid en in deskundige kringen zeer gezien. Generaal Sabron, chef van den generalen staf, nam de zware taak op zich om de legermacht te reorganiseeren en admiraal Wentholt, die den heer Cohen Stuart vervangen had, behield in het nieuwe ministerie zijne portefeuille.

Men was een oogenblik bevreesd dat de eerste daad van een zoo snel en op zulke wijze opgekomen ministerie de ontbinding van de Tweede Kamer zou zijn, dewijl een meerderheid van links, hoe zwak ook, de voltooiing van zijne wetsontwerpen en de uitvoering van zijn program kon verhinderen. Verstandige mannen waren van oordeel, dat het beter was dadelijk de Kamer te ontbinden, dan dit te doen na maanden van kleurloos en onvruchtbaar bestuur. Maar de heer Heemskerk was van andere gedachten. Hij had een vluchtigen blik op de ligging der Tweede Kamer geworpen; hij had rechts de christelijke partijen gezien, alle bereid om hem krachtig te ondersteunen, links een zeker aantal staatslieden, die overtuigd waren, dat noch zij noch hunne partij er profijt bij hadden om een onverzettelijke houding aan te nemen, waarvan eene ontbinding het noodzakelijk gevolg moest zijn. Daaruit had hij opgemaakt, dat hij geen stelselmatige oppositie te duchten had en bijgevolg het voor het belang van het land noodzakelijk was met de Kamer, zooals zij was, te regeeren, maar haar bij het eerste conflict te ontbinden.

Dat was de gedachte, die uit de ministerieele verklaring sprak, welke bij den terugkeer van de Kamer op den 10en Maart 1908 afgelegd werd. Met het kennelijke voornemen om alles te verwijderen, wat aan de Liberalen een directe uitdaging zou kunnen toeschijnen en hun tot voorwendsel zou kunnen dienen voor sterken tegenstand, vermeed de minister-president alle sterke kleuren, alle uitgebreide plannen, alle scherpe punten van tegenstelling. Wel nam hij het christelijk program weder op, dat in 1905 uit handen van Dr. Kuyper was gevallen, maar hij verklaarde dadelijk, dat het kabinet in verzoenenden geest en zoo ruim mogelijk zijne beginselen zou toepassen. Daartoe koos hij de minstbetwiste hervormingen, die in het program stonden, zooals de strafrechterlijke vervolging van de openbare onzedelijkheid en de wettelijke subsidieering van het bizondere middelbare onderwijs, een maatregel die den schoolarbeid van de ministers Mackay en Kuyper moest aanvullen en waarvan zelfs door zekere Liberalen, zooals Dr. Bos en minister Rink, de billijkheid was erkend. Daarbij voegde hij nog de herziening van wetten, wier leemten in de praktijk aan het licht waren gekomen, voornamelijk van de ongevallenwet en de gemeentewet.

Bovendien sprak het kabinet zich uit tegen vermindering van het blijvend gedeelte, in afwachting van een ophanden zijnde herziening van de wet op den militairen dienst om aan de ongemakken, hier verbonden, tegemoet te komen; erkende het de noodzakelijkheid van de versterking der kustverdediging; behield nog de kwestie van de droogmaking der Zuiderzee voor zich, om deze nauwkeuriger te onderzoeken; en trok eindelijk de ontwerpen door den heer De Meester aangaande grondwetsherziening in, daar ze naar zijn oordeel al te zeer tegen zijne beginselen ingingen en naar het zeide vijftien maanden te kort waren, om deze ernstige kwestie grondig te onderzoeken. Dat was te voorzien, want het was voor niemand een geheim, dat de voorliefde van de rechterzijde de sociale hervormingen bezaten, en dat het werk van grondwetsherziening niet onmisbaar geacht werd voor hunne totstandkoming; ja integendeel, dat het gevolg zou zijn, dat ze tot in 't oneindige zouden verdaagd worden; en dat het dus verkieslijker voorkwam zonder te dralen een deel tenminste van het sociale program van Dr. Kuyper in vervulling te brengen.

Van die gedachte bleek de heer Heemskerk te zijn, toen hij, zonder zich bij zekere ontwerpen op te houden, als verplichte verzekering tegen de gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom, die reeds van tevoren in minachting waren; zich er toe beperkte om uitbreiding van de arbeidsinspectie en ouderdomspensioen te beloven, als voorbereidende maatregelen voor algemeene pensioenregeling tegen invaliditeit.

Het is verstandig dat men zich weet te beperken; en het geheele ministerieele program, dat per slot van rekening slechts een program van afwachten was, getuigde in zijn geheel van deze practische wijsheid, die hetgeen onmiddellijk bereikbaar is verkiest boven prachtige en klinkende voorstellingen, die te groot en te vaag zijn om tot waardeerbare resultaten te komen. Dat erkenden bijna allen, ook ter linkerzijde, waar men, behalve eenige geavanceerden, de ministerieele voorstellen, den geest van opportuniteit en verzoening, de nauwkeurigheid der verklaringen, den wensch om op positieve manier in het welzijn des lands temidden van de moeilijke omstandigheden, waarin het ministerie de regeering aanvaard had, te arbeiden, gunstig opnam.

De moeilijkheden, waarmede het te worstelen had, kwamen niet alleen uit de vreemde politieke verhouding, waarin het ministerie De Meester het had overgedragen, maar ook uit de economische crisis, die over het land was gekomen tengevolge van de geweldige daling der Amerikaansche papieren. De gebeurtenissen in de Nieuwe Wereld hadden een geweldigen terugslag in dit land, dat met Amerika nauwe handelsbetrekkingen onderhoudt. Toen in de maand Augustus van 1907 de Amsterdamsche Beurs onder den invloed van nieuwstijdingen uit New-York begon te dalen, maakte zich groote ongerustheid van de gemoederen der financiers meester, die zich over nijverheid en handel verspreidde. Oude bankiershuizen, bekend om hunne soliditeit, werden geschokt, anderen sloegen bankroet, waardoor boven de tallooze verliezen er bijna volkomen beslag op de zaken werd gelegd. De diamantindustrie en diamanthandel, die van groot gewicht in Nederland zijn, moesten, dewijl er geen aftrek meer was onder de Amerikaansche milliardairs, hun produktie en uitvoer beperken. Bijgevolg werden duizenden diamantbewerkers werkeloos en dezen bij die van andere werken gevoegd, in 't bizonder van het bouwvak, vormden alleen voor de stad Amsterdam een leger van bijna 100.000 werklieden zonder werk en aan de ellende ten prooi. De particuliere weldadigheid mocht wel hare pogingen verdubbelen, de winter van 1907-1908 was bar en de toestand bleef langen tijd pijnlijk, verergerd door het feit, dat meer en meer de plattelandsbevolking zich in de groote kustplaatsen en vooral in de hoofdstad vestigde.

Tevens leden 's lands financiën, zooals onvermijdelijk was, onder de crisis, die de persoonlijke fortuinen teisterde. De nationale inkomsten verminderden op buitengewone wijze en de begrooting wees een tekort van 10 millioen aan. Om het financieel evenwicht te herstellen, mocht men geen nieuwe leening te hulp roepen, want in zulke omstandigheden was dit middel bezwaarlijk. Het beste was om het tekort zooveel mogelijk te dekken, door op de directe belasting een verhooging aan te brengen.

Daarom was het, dat de regeering na eenige maanden, waarin zij met vele andere wetgevende maatregelen de reorganisatie van de inspectie op den arbeid had beëindigd, in de Troonrede van 15 September 1908 mededeelde, dat de financieele toestand ver van gunstig was en men, zonder de uitvoering van de sociale hervormingen uit het oog te verliezen, noodzakelijk voor hare toepassing, tot elken prijs de middelen van 's rijks schatkist moest versterken.