De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 2
Hij was priester-dichter, in de wapenrusting van een ridder. Zijn devies was: »Ik geloof, ik strijd," en dat bracht hij in toepassing in geheel zijn leven. Hij was geboren voor den strijd, en hij wierp er zich geheel en al in, maar zonder ooit de beteekenis der werkelijkheid uit het oog te verliezen. Hij heeft de Katholieke partij gemaakt wat zij is; hij heeft haar nieuwe gezichtseinders getoond; haar door heilzame wegen geleid, die evenwel een weinig ongebaand en steil waren voor die wijze lieden, die gewoon waren, zich bedachtzaam voort te bewegen op de breede zijwegen. Bij zijn dood--te Rome den 21en Januari 1903,--was de rouw dan ook groot in zijn partij, en de tegenstanders, wier ideeën hij op de scherpste wijze had bestreden, maar die erkenden de eerlijkheid van zijn karakter en zijn spreekwoordelijke goedigheid, betoonden hun eerbied voor de groote en breede figuur van dezen reus.
De Roomschen in Nederland vergeten niet, dat zij hem alles verplicht zijn, en zijn geest beheerscht nog den politieken arbeid, dien zij trachten te volmaken.
Op het oogenblik, dat Dr. Schaepman de Tweede Kamer der Staten Generaal binnentrad was hun positie niet zeer gunstig. Hij zag het, en stelde dadelijk de middelen tot verbetering in het werk. Vóór alles vermeerderde hij de pogingen, om hun samenbinding te versterken. Hechte partijorganisatie was het doel dat hij niet uit het oog verloor, maar het was niet gemakkelijk die te bereiken. Zijn ideeën waren verre van een gunstig onthaal te vinden bij heel de wereld, en oude staatslieden, die er door opgeschrikt werden, veroordeelden streng zijn vermetelheid.
Hij begon met zijn partij dagbladen te geven; noodzakelijke middelen voor de moderne propaganda; en voor redacteuren en lezers te zorgen. Sedert eenige jaren had hij zelf de pen ter hand genomen, en stond hij in het groote Roomsche dagblad »De Tijd" Mgr. Smits ter zijde, die, eigenlijk gezegd, de stichter werd van de hedendaagsche Roomsche pers. Maar hij oordeelde terecht, dat één orgaan niet kon voldoen; hij riep nieuwe bladen in het leven en aan verscheidene onder die zeide hij zijn medewerking toe. Hij verleende deze in die mate, dat de Roomsche pers, die in 1855 maar telde één dagblad: »de Tijd", bij zijn dood bezat: dertien dagbladen, negen en twintig bladen die twee of drie maal per week verschenen, zeven en zestig weekbladen en drie en veertig periodieken.
III.
Tegelijkertijd hield hij niet op in zijn geschriften en met heel zijn invloed aan te bevelen de toenadering tot de Antirevolutionairen. Alleen door eigen krachten konden inderdaad de Roomschen, die nauwelijks een vijfde van de volksvertegenwoordiging vormden, niet hopen ooit te komen tot de vrijmaking van het onderwijs, daar zij den steun van een desbetreffend wetsartikel misten. Welnu, Dr. Schaepman had bemerkt, dat op het terrein van den schoolstrijd, van den aanvang af de strijd aangebonden was door de geloovige en vurige Calvinisten. Op veel punten waren de eischen van de beide op zichzelf staande groepen dezelfde, en geen van beide kon hopen ze ingewilligd te zien, door eigen middelen alleen. Dr. Schaepman zag in, dat de strijd niet ging tusschen twee godsdiensten, dat het geschil niet meer ging tusschen twee families aan denzelfden stam ontsproten, maar dat de tegenstelling dieper ging, en dat de slag geleverd werd tusschen het Godloochenend materialisme en de geestelijke wereldbeschouwing, die haar eenigen grondslag vindt in het Christendom. En daarom arbeidde hij aan een toenadering, voor een gemeenschappelijk besteden van de krachten, die tot nu toe gescheiden waren gebruikt.
Deze taak bracht groote moeilijkheden mee; de poging scheen vermetel, en, om haar te doen slagen moest men een zóó meesterlijke leiding geven, zóó ingewortelde vooroordeelen uit den weg ruimen, dat ook de minst-zwaar-tillenden haar mislukking voorzagen. Velen zelfs ergerden zich aan deze verzoening, die hun toescheen een vergeten van het verledene te zijn.
Gelukkig, hij trof aan het hoofd van de Antirevolutionairen aan een man van genie, Dr. Kuyper, die hem ter zijde stond met al zijn kracht en hem hielp in het tot stand brengen van deze coalitie der christelijke partijen, welke door de tegenstanders betiteld werd met den naam: »monster-verbond."
Deze verbinding kwam niet in één dag tot stand!
Eerst stil en in 't geheim kwam zij eindelijk in 't volle licht uit, toen zij na tien jaren haar pogingen bekroond zag met het ontnemen aan de linkerzijde van de stellingen, die zij gedurende veertig jaren ingenomen had.
De samenstelling van het ministerie Mackay in 1889, waarin twee Roomschen zitting namen, was het resultaat van deze goede verstandhouding; met de wet van pacificatie, die de gelijkheid in beginsel tusschen de neutrale officieele scholen en de vrije lagere scholen herstelde.
De krijgsbeweging had goede gevolgen gehad, en de Roomsche minderheid was niet meer een hoop die niet meetelde onder het volk. Men moest voortaan rekening met haar houden. Om een werkelijke politieke partij te vormen, restte haar een voortdurende organisatie en een belijnd program te verkrijgen. Dr. Schaepman had het reeds getracht, en sinds 1881 had hij in het maandelijksch overzicht van »Onze Wachter", een proeve van een program voor de Roomsche groepen geformuleerd. Helaas, de onderlinge verdeeldheid verijdelde zijn pogingen.
De breuk kwam voor den dag, openbaar, hevig, dadelijk na de overwinning van de Christelijke partijen. Zij bestond in 't geheim sedert enkele jaren. Zij was begonnen aan 't licht te treden tegen 1884 ten tijde van de grondwetsherziening, en zij was niets minder dan de democratische stroom, die in de partijen gelijk als in de instellingen jonger leven wilde brengen, dat zijn kracht putte uit wat onder het volk leefde, worstelende met den dam van het conservatisme.
Op een afstand gezien gelijkt zulk een crisis op sommige kinderziekten, die na haar verdwijning een steviger gezondheid achterlaten. Niettemin zij bracht groote oneenigheid in de Katholieke partij, voor jaren. Door meer tact en verzoeningsgezindheid aan te wenden, had Dr. Schaepman misschien er het kwaadaardig karakter van indien niet kunnen voorkomen, dan tenminste kunnen verzachten; maar hij was een man geheel uit één stuk, sterk gehecht aan zijn denkbeelden, en met strijdlustig karakter. Wat zijn tegenstanders betreft, zij waren bezield van uitnemende bedoelingen, maar zij verdiepten zich te uitsluitend in de herinneringen aan het verleden, terwijl zij voorbijzagen de eischen van het tegenwoordige, en zich allerlei voorspiegelingen maakten van de toekomst. Onder hen werden in de eerste rij aangetroffen zij die in hun jeugd tot den aanhang van den grooten liberalen minister Thorbecke hadden behoord, de »Papo-Thorbeckianen" zooals men zeide, en die zich met een fierheid, gemengd met spijt, dezen heldhaftigen tijd herinnerden, waarin de vrijheid in gouden dageraad opkomende, de Roomschen met haar eerste stralen verwarmd had. Zij vormden de conservatieve fractie, die vereenigd om den heer Bahlmann, afgevaardigde van Tilburg, zich had afgescheiden van de democratische fractie, welke getrouw gebleven was aan Dr. Schaepman. Wat deze twee fractie's verdeelde, waren punten van tactiek en vereenigingskwesties: de eerste wilde volkomen aan de verstandhouding met de antirevolutionairen een einde gemaakt zien, terwijl de tweede er op stond haar te doen voortduren, en een overeenkomst wilde tot stand brengen in de punten die in geschil waren. Maar 't was ook de Sociale richting, die elk van haar zocht vast te stellen naar eigen voorkeur.
De twist werd heet en droevig: de Roomsche bladen verdeelden zich in twee kampen: ter eener zijde de »Tijd" en de »Maasbode" die partij kozen voor conservatieven, ter anderer zijde antwoordde Dr. Schaepman in »het Centrum".
Het resultaat was dat de handelwijze van de afgescheiden fractie bij de verkiezingen van 1891 de herkiezing van hun ouden leider in Wijk bij Duurstede verhinderden; maar dank zij de edelmoedigheid van een zijner partijgenooten, deed hij enkele maanden later zijn intrede in het parlement als vertegenwoordiger van het district Almelo.
De fractie Bahlmann zegevierde; zij vormde de meerderheid van de Roomsche afgevaardigden in de Eerste en Tweede Kamer, die na afloop van de verkiezingen zich vereenigden in een nieuwe partij. Naar het voorbeeld van het Duitsche Centrum, tooiden zij zich met den naam »Centrumsclub" en zij aanvaardden als program de volstrekte zelfstandigheid van de Katholieke partij, en de practische inwerkingstelling van wat zij noemden »de politiek van de vrije hand". Zulk een program kon de goedkeuring niet wegdragen van de minderheid, die onder leiding van Dr. Schaepman weigerde, met het »Centrum" samen te gaan. De eenige band die sedert dien bestond tusschen de vijandige groepen, was het besluit, genomen den 2 December 1891 in de algemeene vergadering van de Roomsche volksvertegenwoordigers, dat van tijd tot tijd »de leden van de Eerste en Tweede Kamer bijeen zouden komen, om te spreken over Katholieke belangen, die zich zouden kunnen voordoen in hun sfeer van werkzaamheid«.
Dat maakte de splitsing bijna volkomen. De kwestie van de kiesrechtwijziging, die toen opkwam, vermeerderde nog de verwarring en riep nieuwe misstanden in 't leven. Zoolang zij niet beslist was, dat is gedurende zes jaren, bewogen zich de verdeelde Roomschen, het spoor bijster, als in den blinde temidden van een zonderlinge parlementairen strijd, waarin meerderheden al naar 't voorkwam, dikwijls bij toeval, beschikten over ministeries en wetsvoorstellen. Dr. Schaepman streed er zonder ophouden voor wat hij geloofde overeenkomstig de waarheid en het waarachtig belang van zijn land te zijn, en, toen deze troebele periode voorbij was, hernam hij allengs zijn plaats aan het hoofd van de herstelde »Katholieke partij«.
IV.
Dadelijk kwam hij terug op zijn doel om haar een program te geven. Het tijdstip was gunstig. Nu men den broederstrijd over de Kieswet teboven was, gevoelde ieder de noodzakelijkheid van een beschreven regeling, waarin zich de herstelde eenheid zou openbaren en de eischen der Roomschen kort samengevat zouden worden. De 25 Roomsche volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer kwamen bijeen, en in de samenkomst van 20 October 1896 te Utrecht stelden zij definitief hun program vast. De invloed van Dr. Schaepman was overwegend geweest, en was te herkennen bijna bij elk artikel, in deze vaststelling van de voornaamste vraagpunten, waarop de vlijtige aandacht van alle Roomschen des lands zich moest vestigen.
In den aanhef sprak het program uit: volkomen gehoorzaamheid aan de groote Encyclieken van Pius IX en Leo XIII; onveranderlijke gehechtheid aan het Huis van Oranje-Nassau; en oprechte trouw aan de grondwet.
Dan kwamen in de eerste rij de sociale kwesties. Zoo had het Dr. Schaepman gewild, om te bewijzen, dat de politiek van de Nederlandsche Roomsch-Katholieken vóór alles sociaal was. Op dit punt was de Encycliek »Rerum Novarum« de fundamenteele wet. Daarmede verwierpen zij het socialisme als valsch, onrechtvaardig, leidende tot vernietiging van alle recht, van alle orde en alle vrijheid, en stemden toe dat de sociale kwesties in de eerste plaats van zedelijke orde waren, en dat zij dientengevolge niet goed opgelost konden worden dan in den geest van het Christendom. De Godsdienst, het huisgezin, de eigendom, voegden zij eraan toe, zijn volgens goddelijken wil de grondslagen der samenleving, en op het terrein van de sociale vragen moet de Staat altijd handelen, vooral in de nooden van den tegenwoordigen tijd, met voortdurende eerbiediging van de natuurlijke rechten van den menschelijken persoon en van het huisgezin.
Dadelijk deze beginselen in toepassing brengende, ijverden de Roomsche afgevaardigden voor Zondagsrust; zedelijke en stoffelijke verbetering van het lot der arbeiders; het verbod van overmatigen arbeid zelfs voor de volwassenen; de herziening van de armenwet op dezen grondslag, dat de ondersteuning van de armen hoofdzakelijk blijft toevertrouwd aan godsdienstige instellingen en vereenigingen van weldadigheid; de verzekering tegen ziekte, ongevallen, invaliditeit en ouderdom. Hier hadden zij met opzet nagelaten aan het woord »verzekering" toe te voegen »verplichte", want zij wilden niet vooruitloopen op de wijze van organisatie. Ondertusschen wezen zij op de roeping van den Staat, om aan deze hervorming mede te werken, en het lot van den invaliden werkman niet over te laten aan de gunst van de openbare of particuliere barmhartigheid.
Op het gebied van het onderwijs stelden zij weer het beginsel op den voorgrond, dat hen altijd geleid had in den schoolstrijd. Het onderwijs, herhaalden zij, is een wezenlijk deel van de opvoeding, en in dit opzicht een recht en een plicht der ouders. Als uitvloeisel daarvan gaven zij het verlangen te kennen dat de vrije school, de eenige die de volkomen vrijheid van de huisvaders verzekerde, zooveel mogelijk regel werd, en dat de gelijkheid voor de wet, erkend en gewettigd in zekere mate door de wet van pacificatie van 1889, werd uitgestrekt tot al de graden van het onderwijs, evenzeer tot het Middelbaar en het Hooger, als tot het Lager onderwijs. Van de leerplicht spraken zij niet, want zij wisten dat deze teere kwestie niet nalaten zou de geschillen weer te doen opleven.
Wat de militaire aangelegenheden betreft, waren zij tegenstanders van alle verzwaring van persoonlijke en geldelijke lasten, voorstanders van een billijke schadeloosstelling aan de miliciens-kostwinners, en hun wenschen openbarende voor de verheffing van het zedelijk leven in de kazernes. Zij kenden op het terrein van de rechtspraak aan het overheidsgezag, dat van God komt, noodzakelijk het recht toe van de doodstraf, en stelden eenige maatregelen voor, als de vereenvoudiging van de formaliteiten, vereischt voor de voltrekking van het burgerlijke huwelijk; de vergunning van een schadeloosstelling, wettig voorzien en geregeld, aan hen, die in voorloopige hechtenis gevangen gezet, zouden erkend worden onschuldig te zijn, zonder aan de rechterlijke uitspraak te zijn overgegeven; en vooral, de overgave van jeugdige misdadigers aan liefdadige instellingen, gesticht door erkende godsdienstige gezindten, onder toezicht van den Staat.
Voor 't overige verwierpen zij in beginsel alle verzwaring van belasting, verlangden de opheffing van de successiebelasting in de rechte lijn, en wenschten dat de hulpbronnen van den Staat, indien de nood zich deed gevoelen, zouden worden gevoed door indirecte heffingen, bijv. met behulp van een belasting op de Beursondernemingen.
In een andere reeks van denkbeelden openbaarden zij hun protectionistische gevoelens. Voor het meerendeel vertegenwoordigers van de wezenlijk-landbouwende districten van Limburg en Noord-Braband, legden zij nadruk op de noodzakelijkheid om den nationalen landbouw en de nijverheid te begunstigen; herziening van het tarief van invoerrechten; herstelling van de octrooien; wijziging van de grondbelasting; vermindering van de belasting die den landbouw trof, door de opheffing van de binnenlandsche tollen; vermindering van de registreerrechten voor de pachtbrieven, meerdere vergemakkelijking van den afkoop van de tienden, enz. Tegelijkertijd vroegen zij aan den Staat, zijn zorg te toonen ten gunste van den nationalen arbeid, en zich voor de uitvoering van publieke werken niet dan force majeure te wenden tot vreemde arbeidskracht.
Zij vroegen nog, voor de Koloniën een meer daadwerkelijke bescherming voor de zendelingen; krachtdadiger steun voor de inlandsche Christenen tegen de aanslagen van hun Mohammedaansche heerschers; wettelijke autorisatie voor de kerken om zich met het inlandsch onderwijs bezig te houden; en de herziening van de regelingen die betrekking hebben op de toelating van de priesters, catechiseermeesters en zendelingen in Nederlandsch-Indië.
Eindelijk spraken zij hun leedwezen uit over de opheffing van het Nederlandsch gezantschap bij den Heiligen Stoel, en verzekerden niets te zullen nalaten om het te herstellen in het belang en voor de eer van het land, zoodra zij hoop konden hebben erin te zullen slagen.
Zooals men ziet was het program rijk voorzien, van wijden omvang, en lenig. Het bedoelde niet te vragen de eenheid maar de vereeniging. Dat is de ware en juiste weg. Voor een politieke partij, die tegelijk een partij van traditie is, is er geen andere weg.
Zoo oordeelde Dr. Schaepman, die er alles had doen uitlaten, wat had kunnen verdeelen. Daarom spreekt zich het program niet uit over de belangrijke, maar bijkomende kwestie van richting en strekking; het verklaart zich niet uitdrukkelijk conservatief noch vooruitstrevend; het was eenvoudig de grondregeling van de Nederlandsche Roomschen, die verlangden een wettig aandeel te nemen in de regeering van hun land.
Zooals het hierboven luidt, werd het door de algemeene vergadering van de Katholieke kiesvereenigingen plechtig goedgekeurd, eenige dagen vóór de verkiezingen den 5den Mei 1897 te Utrecht. Het werd dientengevolge het officieele program van de partij, die zich aan tucht gewend, ter strijde toegerust en georganiseerd had.
Want terzelfder tijd van een program, had Dr. Schaepman een organisatie voorbereid. Hij had begrepen dat alle pogingen ijdel zouden zijn, indien zij niet steunden op vereenigingen, die overal opgericht, in de districten en in de steden, omvatten de Roomsche krachten van het land in zijn geheel. Sedert lang had hij zich aan dien arbeid gezet. Hij had beoordeelingen, wantrouwen, belemmeringen ontmoet, maar zijn taaie wilskracht was ze teboven gekomen. Allengs waren er op verschillende punten van het land kiesvereenigingen ontstaan. Zij hadden hun voordeel gedaan met de comite's die reeds bestonden in het bizonder voor het onderhoud van de vrije scholen, en nu de periode van de aanvangs-moeilijkheden voorbij was, vermenigvuldigden zij zich snel. Voor de eerste maal waren hare afgevaardigden vereenigd bij het ophanden-zijn van de verkiezingen van 1897, en haar eerste daad was geweest de goedkeuring van het program.
De gedachten van den leider waren er op gericht, deze aanvankelijke organisatie te volmaken door dictricts-comite's, provinciale comite's, en eindelijk een centraal comité, dat het beheer had over de andere en de eenheid van leiding verzekerde.
Hij heeft, helaas, niet zoolang geleefd, dat hij de kroon mocht zien op dit werk, waarvoor hij zooveel had gearbeid.
De organisatie was op het oogenblik dat de dood hem overviel, slechts plaatselijk en provinciaal, maar hij kon voorzien dat zijn wenschen niet op hare vervulling zouden laten wachten, en nauwelijks was zijn lichaam aan het graf toevertrouwd, of »de Algemeene Bond van Roomsch-Katholieke Kiesvereenigingen in Holland" werd gevormd.
Reeds vóór zijn dood was het hem daarentegen gegeven geweest, de volkomen triomf van zijn politiek te zien. De Roomschen hadden, vereenigd met de Antirevolutionairen, bij de verkiezingen van 1901 den triomf verworven. Dr. Kuyper had met krachtige hand de teugels van het bewind genomen; de Katholieke partij zag er zich naar goede trouw deelgenoote in gemaakt; drie van haar leden verkregen belangrijke portefeuilles, en het ministerie in zijn geheel in nauwe gemeenschap met de rechtsche meerderheid zocht krachtig voldoening te geven aan de gemeenschappelijke eischen.
V.
Op 't oogenblik is de Katholieke partij in Nederland definitief en sterk samengesteld. Zij heeft politieke vereenigingen, die aanhoudend werkzaam zijn in bijna alle gemeenten, waar de Roomschen eenigen invloed kunnen doen gelden. In elk kiesdistrict heeft zij een districtsvereeniging, welker bestuur zich verzekert van de medewerking van mannen van toewijding en een lid afvaardigt, ter vorming van een provinciaal comité, dat zich bezighoudt met de verkiezingen voor de Provinciale Staten, en bij de zelfstandige districts-vereenigingen niet tusschenbeide komt dan om advies te geven of in twijfelachtige gevallen te beslissen. Eindelijk als de kroon op de organisatie, en haar gevende de eenheid van gedachte, ten opzichte van de noodzakelijke leiding, bestuurt een centrale raad, samengesteld uit afgevaardigden van elke provincie, de Algemeene Bond van Roomsch Katholieke Kiesvereenigingen in Nederland.
Voorzitter van dit centraal comité is de heer Koolen, afgevaardigde van Grave. Deze uitgebreide organisatie werkt niet altijd zonder horten en stooten; vooral is dit het geval in de provincies Limburg en Noord-Braband, waar de kiezers weinig gelegenheid hebben om van hun kiesrecht gebruik te maken, en minder de noodzakelijkheid van de vereeniging gevoelen. Hierin is geen verandering te brengen, even moeilijk als het is, van het eerste begin af, elke persoonlijken strijd en inbreuk op de discipline te onderdrukken.
In alle geval moet erkend worden, dat zelfs bij den tegenwoordigen stand van zaken de Nederlandsche Roomschen op dit punt verder gevorderd zijn dan hun geloofsgenooten in andere landen van Europa, en dat een organisatie als hun »Algemeene Bond" aan hun actie de grootste kracht verleent.
In de Kamer bezit de Katholieke partij 25 afgevaardigden, een vierde gedeelte van de nationale vertegenwoordiging. Deze afgevaardigden vormen de »Roomsch-Katholieke Kamerclub," die een nauwe betrekking onderhoudt met den Algemeenen Bond van Kiesvereenigingen, en waarvan de voorzitter tevens de eigenlijke leider van de partij is. Na Mgr. Schaepman was het de heer Kolkman, een van zijn trouwe strijdgenooten, erfgenaam van zijn politieke hoedanigheden en zijn welsprekendheid, die deze plaats vervulde tot het begin van 1908, toen hij haar vaarwel moest zeggen om in het ministerie Heemskerk de portefeuille van Financiën te aanvaarden. Hij is vervangen geworden door den heer Loeff, een rechtsgeleerde van veel talent, wiens werkzaamheid aan het Departement van Justitie onder het ministerie Kuyper duidelijk aan het licht getreden is.
Wat de Roomsche afgevaardigden betreft: in de eerste plaats onderscheiden zich Mgr. Nolens, de eenige priester die op 't oogenblik in de Kamer zitting heeft, waar hij het district Venlo vertegenwoordigt, de landstreek zijner geboorte; de heer Van Nispen tot Sevenaer, afgevaardigde van Nijmegen, een man van oud geslacht, met kennis van zijn tijd en nauwgezette en degelijke bestudeering van de vraagstukken; de heer Aalberse, opvolger van Mgr. Schaepman in Almelo, die geheel zijn eerbied-afdwingend talent, zoowel om te spreken als om te schrijven, ten dienste stelt van het Centraal Bureau van Katholieke Sociale actie, waarvan hij secretaris is; de heer Passtoors, de stichter en voorzitter van de groote »Nederlandsche Roomsch-Katholieken Volksbond"; de heer Ruys de Beerenbrouck, president van den Geheelonthouders-bond »Sobrietas", die 62000 leden telt, enz.
De ministerieele crisis van 1907 heeft haar oplossing niet anders kunnen verkrijgen dan doordat drie Roomschen, de heeren Kolkman, Nelissen en Bevers, in het ministerie Heemskerk zitting namen, waarin de traditie van de ministeries Mackay en Kuyper voortgezet wordt.
Zoodanig is de plaats, die de partij in het land en in het Parlement inneemt, dat zij eerbied afdwingt aan allen, vriend en vijand, en dat zij de werkzame, dikwijls beslissende zaakbezorger is van den wetgevenden arbeid.
Haar aanhoudende sociale actie heeft daar niet weinig toe bijgedragen. Na eenige tegenstribbeling in het begin, heeft zij haar leider Dr. Schaepman gevolgd, die tegen het einde van zijn loopbaan zeide: »Er is voor mij geen grooter troost in mijn strijd en mijn arbeid, dan te werken voor het volk. Ik kan het woord van Mgr. Ketteler herhalen: voor de kerk en voor het volk". Onder zijn aandrijving heeft zij de sociale instellingen van allerlei aard doen toenemen, en alzoo heeft zij verhinderd dat de Roomsche arbeiders in handen kwamen van de socialistische volksleiders.
VI.