De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 19

Chapter 193,624 wordsPublic domain

In vele andere, in Sliedrecht, Kampen, Sneek en Leiden, was het getal der rechtsche stemmen grooter dan dat van al de liberale stemmen. Meer nog in Enschede had een Roomsche grooten kans van slagen, en men kon op het succes der Antirevolutionairen in veel andere districten hopen. Maar hier hing alles af van de houding der Oud-liberalen en der Sociaal-democraten.

* * * * *

De strijd hernieuwde zich met des te grooter vuur, naarmate het beslissend oogenblik naderde. Hij werd gekenmerkt door een geheime overeenkomst, die met zorg was bedekt gehouden, tusschen de Oud-liberalen en de Sociaal-democraten. De eersten hadden wel verklaard, dat hunne politiek onvereenigbaar was met die der Sociaal-democraten, maar hunne commissie van advies, die van oordeel was dat men vóór alles een eind moest maken aan het Kuyper-regime, besloot even vóór de stemming, dat zij in de districten, waar een candidaat van rechts met een Sociaal-democraat in herstemming kwam, het aan de plaatselijke besturen zou overlaten, om de houding aan te nemen, die het hoogste belang des lands eischte. Met andere woorden: zij ried hun indirect aan de Socialisten te steunen. De besturen hadden aan een half woord genoeg, en zij faalden niet om den raad uit te voeren.

Anderzijds was het niet twijfelachtig of de S. D. A. P., die twee maanden tevoren het besluit had genomen om bij de tweede maal hare stemmen eenig en alleen aan die candidaten te geven, die zich hadden uitgesproken vóór de urgentie van het algemeen kiesrecht, was bereid eerder hare beginselen te verloochenen dan den »Kuyperhaat« af te leggen. Zoo kwam het uit en met een goed-bewaard wachtwoord gaf zij haar partijgenooten vrijheid om te stemmen zooals zij dat wilden, zelfs vóór de Oud-liberalen, de meest-burgerlijke en conservatieve partij.

Zoo vormde de geheele linkerzijde slechts één enkel bloc, zich richtende tegen het clericalisme en de Christelijke politiek, verpersoonlijkt door de regeering van Dr. Kuyper.

Deze wanhopige pogingen, gevoegd bij een wonderbaar verkiezingsenthousiasme, brachten de Christelijke coalitie de nederlaag toe. De Roomschen, die zich er niet mede hadden gevleid, dat zij een eigen voordeel uit den strijd zouden behalen, behielden hunne 25 mandaten; maar bij dat aantal kwamen slechts 15 Antirevolutionairen, 7 Christelijk-Historischen en een Friesch-Christelijk-Historische. De linkerzijde had 52 afgevaardigden voor de Tweede Kamer verkregen.

De liberale pers begroette deze overwinning met een vreugdekreet: Kuyper is gevallen, Kuyper is er uit. Dat was het refrein, hetwelk de liberale organen ten beste gaven, zooals de Nieuwe Rotterdammer Courant en het Handelsblad. Het Socialistische blad »Het Volk« eischte voor zijne partij de eer op van den reus verslagen te hebben.

Toen de eerste razernij over de zegepraal over was, vroeg het land, als uit den droom komende, zich af, hoe de Liberalen tot dit onverwachte resultaat hadden kunnen komen. Zonder twijfel had de samentrekking van alle partijen van links tot een anticlericaal bloc er krachtig toe medegewerkt. Maar ook zeker had de groote Kuyperhaat, die gedurende eenige maanden chronisch had geheerscht, niet alleen de Liberalen en Socialisten, maar ook vele orthodoxe Protestanten, aanhangers van Dr. Bronsveld, overmachtigd, alsmede de Christelijk-Democraten en ook eenige wantrouwige en weinig-ontwikkelde Roomschen. Misschien zouden al die redenen niet voldoende zijn om het resultaat der herstemming te verklaren, indien zij niet waren vergezeld geweest van een manoeuvre van een groep van rechts n.l. de Friesch-Christelijk-Historischen. Hetzij uit wrok over de verwerping van hunne eischen, hetzij uit bovenmatig vertrouwen op de onmogelijkheid van een samengaan tusschen de Oud-liberalen en de Sociaal-democraten en meer nog van de zege van links, richtten zij zich naar den raad van een hunner leiders, den heer Wagenaar, en weigerden aan de Antirevolutionairen in drie districten hun steun namelijk in Utrecht, Leiden en Kampen. Deze onverstandige houding, die van gebrek aan flinke organisatie getuigde, was zeer waarschijnlijk de oorzaak voor het verlies van deze drie zetels voor de rechterzijde en bijgevolg van de nederlaag der ministerieele politiek.

III.

_Het liberaal ministerie De Meester._

Kuyper was gevallen. Twee dagen na de herstemming, den 1en Juli 1905, trok hij zich terug. Het ging er nu om, de traditie van de liberale ministeries weder op te vatten en dat was niet gemakkelijk. De zegevierende concentratie was uit ongelijksoortige deelen samengesteld en het was dus moeilijk hieruit een ministerie tevoorschijn te brengen. De Liberalen van allerlei nuanceeringen van de Conservatieven tot de Vrijzinnig-democraten waren niet instaat een zuiver concentratie-ministerie samen te stellen. Het gewicht der gematigden bood wel het voordeel om dat van de geavanceerden in evenwicht te houden op de spil der Liberale Unie, maar hun gezamenlijke krachten omvatten slechts 45 afgevaardigden. De steun der Sociaal-democraten was onontbeerlijk om deze onregelmatig gevormde meerderheid vol te maken, bestaande uit 11 Oud-liberalen, 23 Unie-liberalen, 11 Vrijzinnig-democraten, 6 Sociaal-democraten en 1 onafhankelijke Socialist. »De Standaard" schreef ervan: »Wat ter wereld zou men dan met zulk eene meerderheid uitrichten?"

De beantwoording van deze vraag was des te moeilijker, dewijl men er zich totnutoe niet had over bekommerd. »Laat ons eerst maar den buit behalen, dan zullen wij verder zien.« De moeilijke tijd was aangebroken en in politieke kringen werden vele onderstellingen opgeworpen, combinaties opgesteld; kortstondige samenstellingen, die in elke periode van ministerieele crisis worden gemaakt om den volgenden dag te verdwijnen.

Het eenvoudigste scheen te zijn de linkerzijde te nemen zooals zij was en door de vereeniging van al hare elementen te regeeren, zelfs door er de Socialisten in op te nemen. Op die manier zou het ministerie nauwkeurig het »bloc", dat gezegevierd had, vertegenwoordigen. Maar deze oplossing, logisch als zij was, nam niettemin de voorname bedenkingen en zware moeilijkheden niet uit den weg. Het program der Oud-liberalen was al te zeer in tegenspraak met dat der Sociaal-democraten, om een vergelijk mogelijk te maken. Welke politiek zou daarom een combinatie van dit soort kunnen voeren? Slechts ééne, de anticlericale politiek, die bij de nadering der algemeene verkiezingen bij de linkerconcentratie had voorgezeten. Welnu, men wist dat in een land als Nederland een zoodanige politiek spoedig zou verworpen worden door de natie en dat overigens elke poging om dezen weg op te gaan op de houding van de Eerste Kamer zou stuiten, waar de meerderheid aan de Christelijke partijen bleef.

Anderzijds door de Socialisten ter zijde te laten en een liberaal ministerie samen te stellen, zonder zich om de uiterste linkerzijde te bekommeren, zou men zich genoodzaakt zien een wankelend staatsstelsel te aanvaarden, waar tegenover de rechterzijde de regeering zou steunen op de Socialisten en op hen zou rekenen om haar te bestrijden. Deze manier van handelen zou waarschijnlijk uitloopen op den meer of minder haastigen val van een kabinet, dat op zulke broze grondslagen was gebouwd, want dat is tegenover zulke goed-georganiseerde partijen niet zeer praktisch.

Meester zijnde van den toestand, zouden zich de Socialisten vertoornd over de weigering, die hun gedaan was, om aandeel aan de regeering te hebben, wreken met hun beslisten tegenstand op een gegeven oogenblik.

Op het zien van deze moeilijkheden opperden eenige leden van rechts zonder weerklank te vinden de bedenking, dat het ministerie Kuyper de macht in handen had kunnen houden. Bij de voorwaarde zich te moeten beperken binnen de grenzen der neutrale zone en vooral die van den premier te vervangen, paarde zich de zekerheid, dat deze wijze van oplossing van de crisis de stemmen der Liberalen, die nu in sterke mate verward waren, zou vereenigen. Maar deze samenvoeging had geen kans van slagen. Alle ministers zonder uitzondering vonden dat hun reden van bestaan lag in de uitoefening van een Christelijke politiek en zij hielden zich er bij Dr. Kuyper in zijn terugtrekken te volgen.

Onder de gematigden van de liberale concentratie, brak zich een andere richting baan, die van vóór de verkiezingen aangegeven was door »Het Handelsblad". Indien in de Tweede Kamer geen der partijen een vaste meerderheid bezit, een werkende meerderheid, wat zal men dan doen? Dan is er niets anders mogelijk dan eene vereeniging van de voornaamste vertegenwoordigers der verschillende richtingen b.v. dat dr. De Visser van de Protestanten, de heer Loeff van de Roomschen, minister Idenburg van de Anti-revolutionairen de hand gaf aan professor Van der Vlugt Oud-liberaal, aan Fock Unie-liberaal, en zelfs aan den Vrijzinnig-democraat Dr. Bos. Een verbinding van dat soort zal wanneer zij ontstaan is, zich op het standpunt van een verstandig conservatisme plaatsen en een kalme wetgevende periode gematigd en vruchtbaar openen. Toen nu de verkiezingen achter den rug waren en door het liberale orgaan de voorziene onderstelling was geopperd, nam de pers van het linker centrum dit thema weder op, waarop het geen slechte motieven borduurde. Per slot van rekening ging het om een losmaken van de schikking der partijen en een reconstructie van deze naar een nieuw kenmerk, namelijk de mate van hun sociale strekkingen. Rechts derhalve moesten uitmaken de conservatieve elementen, links de meer democratische mannen.

Door deze nieuwe klassificatie, die slechts tijdelijk zou zijn, maar die men vuriglijk wenschte definitief te maken, zou er geen kwestie zijn van een christelijk ministerie, van wetten tot vrijmaking van het onderwijs, van een regeering die het volk zou zoeken te hypnotiseeren door op het klavier van het volksgeweten te spelen. Na Dr. Kuyper zou men ook nog zijn werk verwoesten en de monstercoalitie zou deelen in de nederlaag van haren leider. Zoo was het levendige verlangen van de gematigden van links. Zelfs zekere Vrijzinnig-democraten deelden in dezen droom om namelijk de sociale kwestie de grondslag te doen worden voor nieuwe partijen en nieuwe verbonden. Alleen de christelijke partijen verstonden het niet. De Roomsche bondgenooten in 't bizonder, die voornamelijk bedoeld werden met de uitnoodigingen van de democratische fracties van links, achtten terecht dat een dergelijke schikking een groote fout zou zijn en dat, daar zij zich op het terrein der beginselen bevonden, zij dit niet konden verlaten om zich op den bewegelijken grondslag van een kwestie te vestigen, belangrijk zonder twijfel in meer of mindere mate maar niet op den voorgrond. Om die reden dan ook verwierp de rechterzijde in haar geheel den discreten voorslag die haar was gedaan, en zij antwoordde met »De Tijd": Het linker bloc heeft de overwinning behaald. Laat men nu elkander verstaan, zooals men zal willen, om de vruchten er van te plukken, en een ministerie samen te stellen volgens hun wensch.

* * * * *

De taak was inderdaad bezwaarlijk. De tijd verliep en geene der ontworpen combinaties werd verwezenlijkt. Eenige dagen na de aftreding van Dr. Kuyper, had koningin Wilhelmina op »Het Loo", na de heeren Van Karnebeek en Pierson, den voorzitter van de Liberale Unie, den heer Goeman Borgesius ontboden. Regelmatig zich aan het hoofd van de talrijkste groep van links bevindende, en in het centrum van de zegevierende concentratie, had hij de formeering van een kabinet in handen moeten nemen, maar zijn eigene persoonlijkheid was te scherp belijnd voor een Kamer, die juist aan scherpe lijnen gebrek had. Er kon geen sprake zijn van eenigen der staatslieden, die zich boven allen in den verkiezingsstrijd onderscheiden hadden, want alles deed vreezen, dat zij de onverzoenlijke oppositie van rechts niet zouden kunnen doorstaan. Eerst na menige bespreking, veel besluiteloosheid en onnutte onderhandelingen besloot de koningin personen van den tweeden rang te roepen en zij vertrouwde den heer Goeman Borgesius de samenstelling van een ministerie toe, waarvan hij zelf geen deel zou uitmaken. Het was de tweede maal, dat dergelijke manier van handelen in werking werd gesteld. Het precedent was van Thorbecke, maar de christelijke pers bleef onder deze omstandigheid niet in gebreke op te merken, dat een slecht precedent van geen waarde is, en dat bovendien de heer Borgesius niet Thorbecke was.

De chef van de liberale Unie vond spoedig als voorzitter den heer De Meester, die in Indië geweest was en er reputatie als financier had verkregen. Deze ambtenaar, vreemd aan de ijverzucht der partijen en in 1904 om gezondheidsredenen in het moederland gekomen, bereidde zich voor om naar Indië terug te keeren, toen hij geschikt bleek om een ministerie van Financiën waar te nemen. Het moeilijkste had de heer Goeman Borgesius voor zijn kabinet verkregen. Hij had een premier gevonden, die niet te veel afschrikte, omdat hij zonder politiek verleden was. Hij voegde er voor Binnenlandsche Zaken den heer Rink, afgevaardigde van Arnhem, lid van het bestuur van de Liberale Unie, aan toe, wiens rol totnutoe weinig belangrijk in de Tweede Kamer was geweest en die naar alle waarschijnlijkheid in zijn nieuwe omgeving niet zou schitteren.

Hij plaatste voor Koloniën een ander Unie-liberaal, den heer Fock, van betrekkelijk-gematigden zin. Voor Justitie deed hij beroep op den heer Van Raalte, als Vrijzinnig-democraat. Buitenlandsche Zaken werd toevertrouwd aan den heer Tets van Goudriaan, die grijs was geworden in het diplomatieke harnas en in het kabinet de Oud-liberale richting vertegenwoordigde. Het ministerie werd ten slotte voltallig door den zeekapitein Cohen Stuart voor Marine, generaal Staal voor oorlog en voor Waterstaat door den heer Kraus, beroemd ingenieur en professor en rector-magnificus aan de Technische School te Delft, die deze benoeming niet aanvaardde dan onder de voorwaarde om in Chili de belangrijke werken te mogen uitvoeren, welke de regeering van dat ver-verwijderd land hem had opgedragen. Goeman Borgesius beloofde alles, begeerig als hij was als hoofd om aan ministerie De Meester dezen man van groote bekwaamheid en wezenlijke kracht te verbinden. Om zijne taak te vergemakkelijken, maakte een koninklijk besluit van den 11en September 1905, het bestuur van Landbouw, Nijverhandel en Handel los van het departement Waterstaat om daarvoor een afzonderlijk ministerie te vormen, het welk de heer Veegens, oud-redacteur van het Vaderland, verkreeg, een Vrijzinnig-democraat, wiens richting grensde aan het Socialisme.

In zijn geheel was het een ministerie met doffe toonaarden, samengesteld uit staatslieden van den tweeden rang, en naar de gedachte van den samensteller, bestemd om zoo goed en kwaad als het ging, zonder groot gerucht en zonder groote hervorming de wetgeving weder op te vatten. De bladen der oppositie gaven het den bijnaam van »blanco artikel«. Het was niet een »zakenkabinet« in den eigenlijken zin des woords, daar het geheel tegen den wil van den heer Van Houten zich niet beperkte tot de neutrale zône en zijn voornemen aankondigde om naar sociale hervormingen te staan. Het was liberaal, zoo zeide het, en dat was verstaanbaar, maar daar het verplicht was om te laveeren, opdat het de hulp van geheel tegenovergestelde richtingen behield, was het onbekwaam om iets door middel van zichzelven, zijn eigen krachten en volgens zijn eigen beginselen tot stand te brengen; een machteloos ministerie, dat aan de voorwaarden eenige jaren tevoren door zijn samensteller opgenoemd, niet beantwoordde. Want immers het bezat in zichzelven niet de noodige kracht om aan het volk de groote hervormingen te geven, die de meerderheid zonder onderscheid van partij of richting sedert lang scheen te begeeren.

* * * * *

Dit alles kwam nauwkeurig uit in de Troonrede van 19 September 1905, die het program van het nieuwe kabinet mededeelde.

Met duistere geleerdheid en gewilde gematigdheid kondigde zij hervormingen aan, die het voorwerp zouden zijn van den wetgevenden arbeid. Daartoe behoorden: herziening van enkele gedeelten van het strafrecht en van het handelsrecht, van de armenwet; voltooiing van het wetboek van het militaire strafrecht, wijzigingen in den dienst van het reservekader enz., zonder duidelijk den zin aan te geven, op welke wijze het ministerie deze hervormingen wilde verwezenlijken. Het voegde er aan toe, dat noodzakelijk de middelen voor de staatsbegrooting moesten versterkt worden, maar er werd niet bij gezegd, hoe men dat wenschte te doen. Ondertusschen erkende het, dat voor de uitvoering van de beloofde sociale hervormingen geld noodig was en dat derhalve deze eerst konden verkregen worden, wanneer de middelen daartoe gevonden waren. Tevens deelde het zijn voornemen weder om voor zijn rekening te nemen de ontwerpen van den oud-minister Loeff, voor zoover ze betrekking hadden op het arbeidscontract en de administratieve rechtspraak. Eindelijk sprak het zich uit over de grondwetsherziening, artikel 80, het vermaarde blancoartikel. Dit laatste punt was van het meeste gewicht en met groot ongeduld verwacht. Men meende dat hierin ten minste de ministerieele verklaring duidelijk zou zijn, en dat zij het wachtwoord zou bevatten, dat in de liberale concentratie gedurende den verkiezingsveldtocht leefde: dringende en dadelijke afschaffing van de hinderpalen, die door artikel 80 van de grondwet den gewonen wetgever waren gesteld voor de wettelijke regeling van het kiesrecht. Maar inplaats van zich precies aan dit punt te houden verbreedde het de hervormingslijst en benoemde als voorloopigen maatregel eene commissie om te onderzoeken, welke andere wijzigingen in de grondwet aangebracht moeten worden, waardoor inplaats van een gedeeltelijke een algemeene grondwetsherziening werd gesteld.

Deze manier van handelen, die naar men zeide geïnspireerd was door den kundigen chef van de Liberale Unie, was zeer verstandig. Zoo won men tijd zonder dat het ministerie door scherpe debatten in opspraak werd gebracht. Terwijl de commissie van onderzoek zich met de uiterste nauwkeurigheid aan haar taak wijdde, met de verstandige traagheid, waarmede de Nederlanders bij de oplossing van een belangrijke kwestie steeds te werk gaan, ging het ministerie met zijn arbeid voort zonder eenige opzien te baren, en leidde de bespreking over eenige wetten van lageren wetgevenden arbeid, zonder dat de Staten-Generaal den tijd hadden gehad de herzieningen tot een goed einde te brengen en de volgende verkiezingen reeds van de nieuwe herziening konden profiteeren. Dat was de toekomst laten zorgen en zelf voor den tegenwoordigen tijd op te passen en zoo de vrees der Oud-liberalen te doen bedaren. Het is evenwel moeilijk om allen tevreden te stellen, en het ongeduld van Vrijzinnig-democraten en Socialisten kon zich niet goed vereenigen met hetgeen zij noemden een capitulatie op het belangrijkste punt van het ministerieele program.

De oppositie hoorde de Troonrede met een ongeloovigen glimlach aan. Zij verborg niet haar spijt over het terugtrekken van Dr. Kuyper's wetsontwerp tot regeling van den arbeidsduur en het nalaten van de verzorging der moreele belangen van Indië en moederland. Evenwel toonde zij een zekere voldoening over het feit, dat het nieuwe kabinet zich niet had laten beinvloeden door de liberale pers in hare eischen aangaande herziening van de wet op het onderwijs en van andere partijwetten, onder de voorgaande wetgeving aangenomen. Zij was dankbaar voor de woorden van bevrediging, door het ministerie uitgesproken en zij beloofde, zoo de regeering de voorgestelde maatregelen zou indienen, zoolang het te steunen, als zij kon zonder dat hare beginselen hieronder leden.

De rechterzijde nam dus geen stelselmatig-vijandige houding aan. Dat kwam wel uit toen in de Tweede Kamer de bespreking aan de orde kwam van het arbeidscontract, het eenige nog eenigszins belangrijke werk, dat het ministerie ten einde bracht. De oppositie heeft er trouw aan medegearbeid en hare hulp verzekerde den goeden uitslag ervan.

Maar ondanks deze medewerking aan een hun noodzakelijk-toeschijnende hervorming, die reeds door den oud-minister Loeff op het program was gebracht, hebben toch de Christelijke partijen voortdurend een oppositie-politiek gevoerd. De grenslijn tusschen rechter en linkerzijde bleef gehandhaafd en alle openlijke of heimelijke pogingen om dezen te doen verdwijnen, door de eenheid van handeling van de oude steunpilaren van het kabinet Kuyper te breken, bleven ijdel. Het monsterverbond overleefde de stembusnederlaag van zijn hoofd en men gevoelde het, dat het voor een gunstig oogenblik zijn kracht en werkdadigheid bewaarde. Het linkerbloc had zich in den loop van den parlementairen arbeid eenigszins verwrongen. De Socialisten hadden er zich van losgemaakt en aan zekere teekenen kon men zien, dat er meer breuken ophanden waren.

Naar de erkenning van de grootste optimisten was de toestand van het ministerie gansch niet gezond. Door de tusschentijdsche verkiezing te Leiden, waar de Christelijk-historische Dr. de Visser de plaats van den oud-liberaal Van der Vlugt innam, werd het er niet beter op.

* * * * *

Deze onzekere toestand had het ministerie zoo verstandig moeten maken om de baan van een zakenkabinet niet te verlaten. Maar het begreep het niet; door Borgesius, naar men zeide, gedrongen, die achter de coulissen het bestuurde, alsmede door de Vrijzinnig-democraten, had het de onvoorzichtigheid in de begrooting van 1907 met het doel het budget te verlagen, de hervorming van het leger op te nemen.

Men wete namelijk, dat in Nederland de miliciens, waaruit het leger bestaat, aan een vrij-eigenaardig stelsel onderworpen zijn. Sedert de wet van 1901 zijn de soldaten, die opgeroepen worden om het jaarlijksch contingent uit te maken, oorspronkelijk verplicht tot een dienst van acht en een halve maand. Gedurende het overige gedeelte van het jaar zouden de kazernes eigenlijk leeg moeten staan en zij zouden het werkelijk zijn indien niet de noodzakelijkheid van een altijd mogelijke mobilisatie, de eischen van kadervorming, en de vervulling van de hulpdiensten niet de handhaving oplegden van een deel der troepen, het blijvend gedeelte onder de wapenen gedurende vier maanden, dat een aantal van 7.500 mannen, in 30 garnizoenen verdeeld, niet mocht teboven gaan.

Sedert eenigen tijd hield een deel van links niet op, de opheffing van het blijvend gedeelte te vorderen, met de bedoeling om langzamerhand tot een volksleger te komen, dat niet meer als een afzonderlijk lichaam zou bestaan, van het overige deel der natie door militaristische denkbeelden, door een partijgeest, een kaste en een paradegeest uit vroegere eeuwen overgebleven, die geen reden van bestaan meer hadden, gescheiden. Het was de partij der Vrijzinnig-democraten, die openlijk naar één harmonisch en democratisch geheel streefde, dat de geheele natie zou omvatten, die eensgezind zou werken aan de handhaving van de onafhankelijkheid des lands en aan het respect voor zijn grondgebied.

Deze theorieën waren de voorwaarde van samenwerking met de Liberale Unie geweest. Zij kwamen voor op het gezamenlijke program van de liberale concentratie en men verdacht er de regeering sterk van, dat deze er zich van af wilde maken, door de middelen voor het blijvend gedeelte te verminderen en deze te gebruiken voor de verhooging van het jaarlijksche contingent. Immers de minister van oorlog, generaal Staal, had tegen de eerste beloften van den heer De Meester in verklaard, dat hij hier niet uit spaarzaamheid handelde, maar dat hij de verkregen gelden noodig had voor een ander hoofdstuk van zijne begrooting.