De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 18

Chapter 183,627 wordsPublic domain

De eerste moeilijkheid was de algemeene werkstaking van de spoorwegmannen, die in het begin van het jaar 1903 oproerige gebeurtenissen veroorzaakte. Deze geweldige beroering had haar oorsprong in het feit, dat de werklieden van verscheidene expeditievereenigingen te Amsterdam hun werk in de maand Januari verlieten, onder het voorgeven dat deze vereenigingen geen leden van het machtige verbond van transportarbeiders in hun dienst wilden hebben. Uit solidariteit verbreidde zich de beweging tot het personeel van de spoorwegmaatschappijen. Op bekwame wijze voorbereid brak de werkstaking den 31en Januari in dezen tak van vervoer uit, zoo plotseling, dat zij de geheele wereld verraste. De regeering ontbrak elk middel om te handelen tengevolge van de minimum-vermindering van het staande leger; de maatschappijen hadden niet het minste vermoeden van deze gebeurtenis; de leden der christelijke werkliedenvereenigingen waren behendig medegesleept door de socialistische leiders. In deze omstandigheden niet machtig genoeg, om de orde te handhaven, en te kunnen tusschenbeiden komen, onthield zich de regeering daarvan, en de maatschappijen gaven dadelijk op het gezicht van de algemeene wanorde, die hun tegenstand in den handel en de nijverheid des lands zou veroorzaakt hebben, toe.

Maar het ministerie, hoewel een oogenblik ontsteld, nam maatregelen om te verhinderen, dat gebeurtenissen van dezen aard, die Nederland aan een algeheele en langdurige verwarring konden prijsgeven, weder voorkwamen. Het diende onverwijld wetsontwerpen in tot krachtige bescherming van de vrijheid van arbeid tegen het geweld der werkstakers; tot militaire bewaking van de spoorwegen, opdat het onmogelijk zou zijn in de toekomst, dat beambten bij dezen openbaren dienst het werk zouden neerleggen; en tot instelling eener commissie van enquête om den toestand van de spoorwegbeambten te onderzoeken en de grieven, die rechtvaardig bleken, zooveel mogelijk weg te nemen.

Op de aankondiging van de regeeringsontwerpen, die, zeiden zij, de arbeidsklassen moesten overweldigen, worgen en muilbanden, roerden zich de socialistische werklieden organisaties en bereiden zich voor op de grootste krachtsaanwending, die ooit is geschied. Den 19en Februari vereenigden zich te Utrecht 40 werklieden-organisaties om een Comité van verweer op te richten, waarin de S. D. A. P. en de Anarchistische socialisten hand aan hand gingen.

In 't openbaar waarschuwde dit Comité, dat, indien de Kamers niet onmiddellijk de aangeboden wetsontwerpen verwierpen, zij tot de uiterste maatregelen zouden overgaan; maar zijn geschreeuw en zijne bedreigingen konden het ministerie niet afschrikken en de bespreking ging bijna zonder onderbreking door. Ziende dat van deze zijde de gedane waarschuwing niets uitwerkte, besloot het Comité van verweer den 2den April te Amsterdam op voorstel van Troelstra tot een algemeene werkstaking in de middelen van vervoer. Vier dagen daarna brak zij uit, namelijk in den nacht van 6 April, vier en twintig uren eerder dan men ze verwachtte.

Dr. Kuyper echter had dit alles voorzien. In overleg met generaal Bergansius had hij krachtige maatregelen genomen om deze politieke werkstaking tegen te gaan; de miliciëns werden onder de wapenen geroepen, een plan van organisatie werd tot in de fijnste détails uitgewerkt, en op den morgen zelf na den beruchten nacht, toen het wachtwoord van werkstaking tot alle revolutionaire werklieden-vereenigingen was doorgedrongen, vonden de werkstakers alle stations bezet met troepen, de lijnen bewaakt, de belangrijkste bruggen bezet met oorlogsschepen en de bediening der treinen goed verzorgd door Christelijke werklieden, die met behulp van militairen, leerling-ingenieurs of leerling-machinisten hun werk hadden terhand genomen.

De groote krachtsinspanning, door de Socialisten van allerlei soort aangewend, stuitte af op de energie der regeering.

Om de nederlaag te verkleinen, breidde het comité van verweer de werkstaking tot andere vakken uit, maar het werd spoedig verplicht zich overwonnen te verklaren en aan de ongelukkige arbeiders, die aan de algemeene werkstaking meegedaan hadden, order te geven tot hervatting van den arbeid.

Zoo eindigde met de aanneming van de wetsontwerpen deze woeling, die Dr. Kuyper »misdadig« noemde, en wier verwoestende gevolgen hij gelukkig afwendde door zijn volhardende ijver en vastheid van hand.

* * * * *

Deze storm was nauwelijks bedaard, toen een andere van gansch anderen aard opstak. De aanneming van de beteugelende voorzorgsmaatregelen was verkregen en het gevaar der werkstaking geweken, toen de Staten-Generaal op reces ging. Bij den terugkeer kwamen de wetsvoorstellen in behandeling, die moesten dienen om het onderwijs meer vrij te maken; in 't bizonder het ontwerp van het Hooger Onderwijs. De Tweede Kamer nam het zonder ernstigen tegenstand aan, maar bij de Eerste Kamer gelukte het niet. De liberale meerderheid verhief zich met kracht tegen de artikelen van het ontwerp en in 't bizonder tegen artikel 5, dat aan vrije universiteiten het recht om graden te verleenen toekende. In het voorloopig verslag drukte zij haar voornemen uit om aan de regeering hare medewerking voor de beoogde hervorming te ontzeggen, maar men wist nog niet of dit een volstrekte verwerping beteekende. Het ministerie volhardde van zijn kant om zijn wil door te zetten. Het stootte toen op een vaste oppositie van de liberalen, die bij monde van een hunner, Van Boneval Faure, eischten dat het ontwerp zou teruggetrokken worden en het kabinet zich in de neutrale zône zou bewegen. Misschien hoopten zij zoodoende Dr. Kuyper te doen aftreden en door den drang der omstandigheden zelf de macht in handen te krijgen. De redevoeringen van de sprekers van links, de verklaring van de meerderheid, die onafgebroken in hare weigering volhardde om het hooger onderwijs volgens de inzichten der Tweede Kamer te organiseeren, de stemming, die volgde en die de voorspelling van de verwerping bevestigde, dat alles maakte een groot bezwaar uit.

De toestand van de regeering was werkelijk critiek. Ze kon noch wilde van haar hervormingswet van het hooger onderwijs afstand doen, want dat beteekende een der belangrijkste deelen van haar program op te offeren. Van toen af bleef haar niets anders over dan keuze tusschen twee uitersten: aftreden of de Eerste Kamer ontbinden.

Zeker de aftreding van het ministerie zou de crisis wegnemen, maar zij zou niet definitief het conflict tusschen de beide Kamers uit den weg ruimen. De eerste daad der Liberalen, wanneer zij de macht weder in handen zouden nemen naar de gewone parlementaire beginselen, moest de ontbinding van de Tweede Kamer zijn; en men wist niet hoe het volk op dezen maatregel zou antwoorden... Het kon gebeuren, dat het wederom een meerderheid van rechts naar de Tweede Kamer zond. Bovendien zelfs wanneer men op een tegenovergestelde gebeurlijkheid rekende, was de Eerste Kamer toch niet de uitdrukking der denkbeelden van de lichamen, die haar afvaardigden, namelijk de Provinciale Staten, en de liberale leer moest noodzakelijk binnen korten tijd er in de minderheid zijn. De verkiezingen van 1905 moesten de Eerste Kamer op het doode punt brengen van 25 tegen 25, die van 1908 er een meerderheid voor de Christelijke Coalitie in verzekeren. Op dit oogenblik kon men wel alles op het spel zetten en hetzelfde conflict zou toch weder in een anderen vorm en in omgekeerde orde tevoorschijn komen.

Ter anderer zijde zou de ontbinding der Eerste Kamer niet geschieden zonder ernstige tegenwerpingen zelfs van de flinkste voorstanders van het ministerie. Zou het niet voor de Eerste Kamer eene schending zijn van haar traditioneel karakter als regelend lichaam, dat de zaken verstandig overweegt, zooals zij naar den wensch der grondwet is ingesteld buiten den al te levendigen strijd der partijen en hartstochtelijke incidenten? Zou het niet beteekenen ondermijning van haar gezag, wegneming bijna van de reden van bestaan van deze instelling, die geroepen is om bestendigheid aan den wetgevenden arbeid en aan de staatsmachine te schenken, en haar voor de toekomst onderwerpen door dit precedent aan alle politieke avonturen en aan alle wisselvalligheden van de veranderlijke meerderheid?

In één woord, zou de Eerste Kamer, die sedert 1848 op een soort van voetstuk was gezeten, niet daarvan afgetrokken worden om zich in den strijd te mengen, waar zij noodzakelijk in achting verminderd, misschien ten doode gedoemd, zou uitkomen?

Deze overwegingen, waarbij nog bij sommigen de vrees kwam, dat deze daad van gezag slechts een bedroevend effect op het volk zou hebben, kon de regeering echter niet tegenhouden. Dr. Kuyper dacht, dat het ontzag voor een gekozen lichaam nooit meer verzwakt wordt, dan wanneer de zekerheid is verkregen, dat het zijn politiek fondament in zijne lastgevers heeft verloren, en hij nam het besluit tot ontbinding van de Eerste Kamer. De verwerping van het wetsontwerp had plaats gevonden op den 14 Juli 1904; terwijl het koninklijk besluit van ontbinding den 19en Juli verscheen, en den 3en Augustus 1904 gaven de verkiezingen aan het kabinet een meerderheid van 31 tegen 19 stemmen.

Dezen keer nog had de geestkracht van den eersten minister den tegenstand verbroken. Het plan der Liberalen had gansch en al schipbreuk geleden en hun tegenstand had slechts gediend om de overwinning van hun geduchten vijand vollediger en gemakkelijker te maken. Maar deze staatsgreep, zooals zij deze eenige episode in de parlementaire geschiedenis van Nederland noemen, vermeerderde hunne vijandschap tegenover den man, die de teugels van het bewind hield.

De nadering van de verkiezingen maakte hen nog onverzoenlijker. De oppositie bereidde er zich lang en scherp op voor, zette alles op haren en snaren, en gaf aan den strijd een gewelddadig karakter, totnutoe ongekend in de Nederlandsche verkiezingen.

Temidden van de hitte van den strijd en van deze voorbereidingen voor de wraakneming, vertoonde zich het ministerie voor de kiezers met de handen vol van den wetgevenden oogst, die door den vierjarigen regeeringsarbeid was behaald, en met opgehoopte goede verwachtingen voor de toekomst. Het had de tenuitvoerbrenging van verschillende wetten verzekerd, die hoewel onder het voorgaand kabinet aangenomen, nog niet in toepassing waren gebracht; in 't bizonder: de ongevallenwet, de legerwet en de wet op de landweer, alsmede die op de volksgezondheid. Het had verschillende belangrijke wetsontwerpen beëindigd, zooals de vaststelling van het militaire strafrecht en de wettelijke regeling van de discipline in het leger, de beteugeling van werkstakingsmisdrijven, gedeeltelijke wijziging van het onderwijsregime, de procedure van het hooger beroep op gebied van ongevallenverzekering, de herziening van de gemeentelijke en van de provinciale wet, de decentralisatie van de regeering van Nederlandsch Indië en de hervorming van de comptabiliteitswet, de wetgeving tegen het alcoholisme, enz... Het kon bijgevolg zijn werk onderwerpen aan het oordeel van het kiezerscorps zonder de systematische verdachtmaking van zijne tegenstanders te vreezen.

II.

_De verkiezingen van 1905.--De overwinning van de linkerzijde._

De kiezerscampagne werd geopend met de openbaarmaking van het gemeenschappelijk program van actie, vastgesteld door de Liberale Unie en den Vrijzinnig-Democratischen Bond. Hunne verdeeldheden van af het begin van 1901 hadden op bizondere wijze de zaak van hunne tegenstanders gediend. Dezen keer namen zij zich bijtijds voor, alle mogelijke geschillen te onderdrukken en van den 21en Januari 1903 af gingen zij eene Unie aan op zoo wijd terrein, dat zij hoopten te zien, dat zich aan hunne zijde de andere fracties van links zouden opstellen, van af de Oud-liberalen tot aan de Sociaal-democraten.

Hun zeer kort en zeer handig program had dezen voornaamsten inhoud: ontwikkeling van de openbare school, sociale hervormingen, reorganisatie van het leger en een volksleger, besparing van financiën, instelling van een redelijker systeem van directe belastingen en vooral herziening van de grondwet. Op dit laatste punt, het belangrijkste, hadden de leiders, de heeren Goeman Borgesius en Marchant al de hulpmiddelen van hun vruchtbaren geest in werking gebracht om niemands neigingen te kwetsen. Wat zij wilden, dat was niet de totale herziening van de grondwet, maar alleen die van artikel 80, dat het kiesrecht binnen grenzen opsloot, die de wetgever niet kon overkomen.

Om dit doel te bereiken moest men met overleg handelen, want de linkerzijde had verre van eenzelfde opinie over den zin van deze gedeeltelijke herziening. De Oud-liberalen vonden de grenzen te wijd getrokken; de Liberale Unie had zich kortelings verdeeld ten aanzien van de kwestie, of het wel de tijd voor deze hervorming was; en men wist het, dat de Sociaal-democraten voor allen en tegen allen in het algemeen kiesrecht eischten.

In deze omstandigheden een oplossing te vinden, die allen kon bevredigen, was bizonder moeilijk. Zich te verklaren vóór het algemeen kiesrecht, dat was den rechtervleugel van de liberale troepen van zich te vervreemden; zich voor het beperkte kiesrecht te verklaren, dat was den mogelijken steun van de uiterste linkerzijde zich te ontzeggen. Men had alle krachten en aller medewerking, waar zij ook vandaan kwamen, noodig om te overwinnen.

In dit dilemma vonden de heeren Goeman Borgesius en Marchant op vernuftige wijze een schoone oplossing: Men zou herziening aanvragen, maar men zou zich wel voor uitlegging wachten. Men zou dan uitsluitend bedoelen om uit artikel 80 de bestaande beperking door te streepen en men zou aan de Tweede Kamer volle vrijheid laten om het kiesrecht naar haar zin te regelen. Op zulk eene wijze zou de grondwet zelve aan den gewonen wetgever een blanco pagina verschaffen, waarop hij vervolgens kon schrijven, wat hij wilde. Men hoopte, dat iedere partij zich bevlijtigen zou dit blanco artikel te eischen, in de hoop hare eigen begrippen er op te doen schrijven. De Vrijzinnig-democraten verheelden niet, dat in navolging van de Socialisten zij er het algemeene kiesrecht begeerden te zien, maar niets verhinderde, naar men geloofde, de Oud-liberalen te eischen dat er iets anders op geschreven zou worden.

Niettemin bracht deze oplossing, die tot niets besloot, niet al de resultaten teweeg, die men er van verwachtte. Zij voldeed de Vrijzinnig-democraten niet. Zij vermocht niet het wantrouwen en de halsstarrigheid van de Oud-liberalen weg te nemen, van hen, die over 't geheel zeer begeerig waren om de wapenen, zooveel gebruikt als zij waren, in het grondwettig arsenaal te laten om er richtingen, die hen buiten zinnen brachten, mede te bestrijden.

Overigens waren zij in dit voorstel niet geraadpleegd en hun voorzichtig conservatisme maakte er zich ongerust over. Hierdoor wordt verklaard, waarom in hun manifest aan de liberale kiezers, in de Nieuwe Rotterdammer Courant op den 18en Februari 1905 gepubliceerd, zij verklaarden, dat het niet wenschelijk was, dat eene herziening van de kieswet op den voorgrond werd gesteld, met de bedoeling om een voorloopige en noodzakelijke hervorming van de grondwet tot stand te brengen. Evenwel spraken zij zich in een andere passage uit ten gunste voor een geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht in overeenstemming met de toeneming van de verstandelijke ontwikkeling en van de stoffelijke onafhankelijkheid van de burgers. Het geheele manifest proclameerde de noodzakelijkheid om front te maken tegen het christelijke gouvernement, en hun verlangen zich ten behoeve der gemeenschappelijke actie met de groepen van den meer of minder liberalen stam te verstaan. Maar zij wilden met hun eigen program tot den vijand gaan en konden in dit oogenblik tenminste het niet verlaten, om de hand naar de uiterste linkerzijde uit te strekken, naar de Socialisten, waarvoor zij vreesden als voor de nachtmerrie.

Zij waren gereeder van gedachten, dit beslissende gebaar niet te zullen maken, want men gevoelde reeds, zooals een van hen, de heer Van Houten, later erkende, dat voor hen het beste was de Roomsche Kerk en hare bondgenooten te bestrijden. »Men moest vóór alles«, zoo trachtte de heer De Louter te bewijzen, »zich vrijmaken van de clericale heerschappij, die werkelijkheid was, terwijl de socialistische heerschappij slechts een hersenschim is«. Voor het oogenblik bepaalden zij zich er toe hun eventueelen steun aan de Unie-liberalen en zelfs aan de Vrijzinnig-democraten toe te zeggen.

Zonder volkomen voldaan te zijn over deze vorderingen, die zij stelliger en onbepaalder hadden gewenscht, maakten deze laatsten er staat op voor een vollediger liberale concentratie. Intusschen hadden de Liberale Unie en de Vrijzinnig-democratische Bond, na de districten onder hunne candidaten verdeeld te hebben en zoo de kans van slagen het grootst te hebben gemaakt, aan hunne comité's hetzelfde wachtwoord gegeven, hoewel met eenige verscheidenheid. »Geen candidaten stellen«, zoo was het eerste »tegenover oud-liberale afgevaardigden, die in 't bezit van een zetel zijn.

»Zich er van te onthouden om candidaten er tegenover te stellen«, zoo luidde het tweede, »zoodra zal blijken, dat de zetel ernstig gevaar zou loopen in de handen van de confessioneele partijen te geraken.«

* * * * *

Tegenover de liberale concentratie, die zich langzamerhand nauwer aaneensloot, had de Christelijke coalitie zijne stellingen ingenomen.

In een schoone rede had de heer Kolkman, die Dr. Schaepman was opgevolgd aan het hoofd van de Roomsch Katholieke Kamerclub, de noodzakelijkheid doen uitkomen van nauwe vereeniging met de Antirevolutionairen, om de zege van de Christelijke ideeën te voltooien, om de ramp van een staat zonder God te vermijden. En de algemeene vergadering van de Roomsche kiesvereenigingen had besloten om hare candidaten met dit eenvoudig program voor te dragen: Handhaving van de Christelijke regeeringsmeerderheid en trouwe medewerking tot vollediger uitvoering van het regeeringsprogram, zooals dat in de Troonrede van 1901 is vervat geweest.

Aan den anderen kant stelde zich de Deputatenvergadering van de Antirevolutionaire partij op hetzelfde standpunt, en Dr. Bavinck, aan wien Dr. Kuyper de leiding der partij had overgedragen, drukte in zijne uitnoodiging van de kiezers tot den heiligen strijd zijn vertrouwen uit op de overwinning.

Waarlijk, alle kansen schenen aan de zijde van de rechter-coalitie te liggen. Nooit was de verstandhouding tusschen de verbondenen beter geweest. Evenals in 1901 hadden zij de districten onder elkander verdeeld, om boosaardigen wedijver en versplintering der krachten te vermijden. Deze politieke verdeeling had men ook toegepast op de nieuwe Christelijk-historische partij van de heer De Savornin Lohman en Dr. De Visser en op de Friesch-Christelijke-historischen. Ds. Bronsveld bleef wel is waar in zijne vijandschap tegenover het »monsterverbond« volharden, maar zijn gezag was zeer verzwakt door de breuk met Dr. de Visser; en zelfs degenen, die eertijds aan zijne zijde Dr. Kuyper bestreden hadden, zooals Ds. Buitendijk, verlieten hem om zich wederom in 't openbaar met de Christelijke politiek van de rechterzijde te vereenigen.

Er was wel van de Antirevolutionairen onder de leiding van den heer Staalman, afgevaardigde van den Helder, een nieuw deel afgegaan, dat zich Christelijk-democratisch noemde, maar zij waren zeer klein in getal en er was naar men geloofde geen reden, om zich met hen te bemoeien, dewijl hun politiek en hun overdreven eischen hun ondergang voorspelden.

De toestand was dus bizonder gunstig. De rechtsche meerderheid bezat 58 zetels, waarvan slechts weinige ernstig bedreigd werden. Er was alle grond om dadelijk bij de eerste stemming op een gemakkelijke overwinning te hopen. Op zijn slechtst genomen, kon de rechterzijde zeven zetels verliezen, zonder dat de macht in andere handen zou overgaan, en verloor zij meer, dan was het absoluut zeker, dat de liberale concentratie nooit genoeg zou winnen, om tot de samenstelling van een ministerie te geraken zonder verplicht te zijn den steun van de Sociaal-democraten te zoeken en zonder de Kamer dicht bij het doode punt te brengen, dat haar reeds eenmaal als een gek om zijn spil had doen draaien.

* * * * *

De strijd was hard en ging met eene ruwheid gepaard, zooals geen enkele vorige verkiezing had doen zien. De taktiek der Liberalen bestond daarin om al de grieven te vergaderen en ze opnieuw op te wekken. Terzelfder tijd dat zij zich stelden tegen het clericalisme en tegen de godsdienst-oorlogspolitiek, die naar zij zeiden gepredikt was door het gouvernement, legden zij er zich op toe om de oude strijd tusschen Protestanten en Roomschen aan te wakkeren. Terwijl sommigen een rechtstreeksche charge uitvoerden onder leiding van den heer Van Houten tegen de Roomschen, die zij ervan beschuldigden, dat zij met hulp van hun eigen secten de Hervormde Kerk wilden verwoesten, deden de anderen op zeer handige wijze een zijdelingschen aanval op hen, door hun de beleedigingen te herinneren, die zij tevoren van de kant der Antirevolutionairen hadden moeten ondergaan. En allen tegelijk vielen Dr. Kuyper met woede aan, dien zij »een ramp voor het land« noemden. Alle critiek, alle wrok, die zij bijeen hadden vergaderd tegen dezen man, die in hunne oogen een politiek van onverzettelijkheid en krachtige actie voerde, werd den vrijen loop gegeven en rumoerige dagen braken voor het land aan. Tot dezen stormloop vereenigden zich al de ontevredenen, al degenen die maar eenigermate en te eeniger tijd zich over Dr. Kuyper hadden te beklagen gehad, hetzij tegenover hem als kerkhervormer, als journalist, als staatsman of als minister-president.

Zoo werd het 16 Juni 1905. De resultaten van dezen dag, waarop in geheel Nederland de verkiezingskoorts woedde, maakten alle voorspellingen ijdel. Naar de berekeningen, die op dat tijdstip waren gemaakt, hadden zich van de 617.760 kiezers, die deelgenomen hadden aan de stemming, 332,763 uitgesproken voor de regeeringspolitiek en 283.907 tegen haar.

Toch bereikte de rechtsche partij het gedachte succes niet, want 44 van hare candidaten slechts kwamen als overwinnaars uit de stembus tevoorschijn, terwijl zij minstens 48 hadden verwacht, en van dezen waren er slechts 13 Antirevolutionairen tegen 23 Roomschen, 7 Christelijk-Historischen en 1 Friesch-christelijk historische vertegenwoordiger. De heer Staalman had zijn eigen candidatuur in vele districten gesteld, met de bedoeling herstemmingen te veroorzaken, waaruit hij met goed fatsoen zou tevoorschijn komen, maar hij zag zich met zijn weinige aanhangers gansch bedrogen uitkomen. Inplaats van een voldoend stemmencijfer voor de Christelijk-democratische partij te halen, werd hij nog in zijn eigen district, den Helder, verslagen door de radicaal Gerritsen. Zijne nederlaag, hoe verdiend ze ook was, beteekende niettemin het verlies van een zetel voor rechts. Een ander, dat voor haar nog gevoeliger was, werd haar toegebracht in het district Gorkum, waar de opvolger van den Antirevolutionair Seret werd geslagen door den oud-minister Pierson.

De linkerzijde van haar kant verloor de Unie-liberaal Lieftink, die er voor doorging in den oosthoek van Holland geliefd te zijn, wiens grootredenaar hij geweest was, of nog was. Desniettemin verkreeg zij bij de eerste ontmoeting 16 zetels meer dan 14 Juni 1901. Het was niet genoeg om victorie te roepen of zich te vleien, dat men de ministerieele meerderheid krachtig zou doen verdwijnen. Alle reden was er voor, om daarentegen te denken dat de rechterzijde voor de tweede keer minstens een voldoende meerderheid zou erlangen om de macht te behouden. Twee districten waren reeds zeker voor haar behouden, die van Grave en Zevenbergen, waar alleen Roomschen met elkander in herstemming kwamen.