De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 17

Chapter 173,582 wordsPublic domain

Nauwelijks was het geformeerd of de Christelijk-historische afgevaardigde Dr. De Visser weigerde het zijn steun en voegde zich weder bij de rechterzijde. Terzelfder tijd brachten tusschentijdsche verkiezingen eenige lichte wijzigingen in de partijsterkten aan. De Sociaal-democraat Schaper werd gekozen te Veendam en twee Oud-liberalen namen de plaatsen van twee vooruitstrevenden in. De meerderheid, die in het geheel niet hecht was, werd het nog minder tengevolge van deze beweging en veranderingen. Bovendien stond het den heer Pierson tegen, bestendig op de Socialisten te steunen en hen een te grooten invloed in het bestuur der zaken te doen nemen. Zoo men echter een meerderheid van links wilde behouden, moest men wel rekening met hen houden. De minister kon daar niet toe komen, en in menige omstandigheid nam hij den steun der rechterzijde aan om zich te kunnen vrijmaken van woelige elementen van de uiterste linkerzijde; maar zijne politiek leidde hem er logisch toe slechts toevallige meerderheden te vereenigen, die zoodra men over beginselkwesties handelde, teloorging; en met dit resultaat, dat geen der partijen hem als de vertegenwoordiger van hare beginselen beschouwde.

In dien toestand had een sterke en geoefende oppositie het lot van het ministerie in handen; zij kon wanneer zij het wilde den val veroorzaken. Doch de verstandhouding was nog niet volkomen goed tusschen de Christelijke partijen. Er bestonden vooroordeelen, verschil van inzichten en taktiek, die op eenige bijkomstige punten somwijlen de onafgebroken krachtsaanwending en de eenvormigheid van actie benadeelde. Voorts leende de rechterzijde zich voor 't meerendeel niet tot dit spel van ministerieelen moord, dat in vele landen het vermaak was van de parlementaire oppositie, want wat zij zou hebben verwoest kon zij niet herstellen. De uitslag zou op niets dan op een onvruchtbare ministerieele crisis zijn uitgeloopen, in welk geval een Christelijke regeering niet anders had kunnen doen dan de Kamer onmiddellijk ontbinden. Zonder uit de rol eener sterke oppositie te treden, vergenoegde zij zich met toezicht op het ministerie te houden, en op zijne handelingen krachtige controle uit te oefenen. Deze houding raadde Mr. de Savornin Lohman voortdurend in zijn dagblad »de Nederlander« aan, en men moet erkennen dat het de verstandigste was.

* * * * *

Door dezen samenloop van omstandigheden en inzichten, vervolgde het ministerie Pierson zijn weg tusschen rechts en links door, en hield zich slechts door wonderen van bekwaamheid in evenwicht.

Het begon de uitvoering van zijn program met persoonlijken dienstplicht, die in 1890 troebelen en oneenigheid in de Christelijke Coalitie gebracht had. Het regeeringsontwerp, dat zich voordeed als een begin van een volkomen hervorming der militaire organisatie, ontmoette van de zijde der Roomschen denzelfden tegenstand als onder het ministerie Mackay het ontwerp Bergansius. Bij de andere partijen ontmoette het geen moeilijkheden. Ook kwam het er gemakkelijk den 2en Juli 1898 met 72 tegen 20 stemmen in de Tweede Kamer door. Alle Roomschen hadden tegengestemd behalve Dr. Schaepman, die, hoewel tegen persoonlijken dienstplicht, toegaf ten gunste van uitzonderingen, in de wet vervat in 't bizonder van die, welke in het eerste artikel was omschreven, namelijk van de onmisbare »kostwinners«. Deze aanneming door het hoofd, die zich zoodoende van zijne volgelingen onderscheidde, verwekte eenige verwondering en veel critiek in het Roomsche kamp; gelukkig strekte dit niet zoo ver, dat daardoor de zoo moeilijk verkregen eenheid der partij verbroken werd.

Daarna volgden elkander op de ongevallenwet, de gezondheidswet, de woningwet, die, gemaakt met de medewerking der rechterzijde, er het merk in verscheidene gedeelten van dragen. Maar het voornaamste werk van het ministerie was de leerplichtwet, reeds lang in het program der Liberalen opgenomen; op dit punt concentreerde zich de geheele strijd der partijen. Antirevolutionairen en Roomschen bestreden met kracht het regeeringsontwerp. Het scheen hun toe, dat het beginsel van leerplicht de vrijheid van den huisvader trof in de regeling van het onderwijs zijner kinderen, en deze vrijheid was de grondslag van hunne schooltheorie, zooals deze beschreven was geworden door Groen van Prinsterer; de bizondere school regel, de openbare school aanvulling. De bespreking duurde lang en de uitkomst van het ontwerp was langen tijd onzeker. Ten slotte werd het aangenomen met 50 tegen 49 stemmen, dank zij de afwezigheid van een Antirevolutionair afgevaardigde, den heer Schimmelpenninck, die van het paard was gevallen en daardoor ziek lag.

In den loop van deze »tragische wetgeving« zooals Dr. Kuyper haar noemde, waarbij het kabinet het Hollandsche patriottisme in erge mate misnoegd maakte, doordat het, ten aanzien der vredesconferentie, een wijkende houding aannam ten aanzien van Transvaal en Oranje-Vrijstaat, die toen gewapend stonden tegenover Engeland; waardoor het mede tengevolge van de scheuring der vrijzinnig-democraten gebeurde, dat het niet meer dan 40 stemmen ter linkerzijde bezat, deed zich eene gebeurtenis voor, waarbij de strijd der partijen en het gedruis der politiek wegstierf. De kleine koningin Wilhelmina had haar achttiende jaar bereikt. Het oogenblik was gekomen om den scepter van de voorvaderlijke stadhouders in haar zwakke hand als jonge vrouw te nemen en op haar hoofd de kroon van Oranje-Nassau. Den 30en Augustus 1898 legde de koningin-moeder haar regentschap, dat zij acht jaren met zeldzame bekwaamheid had uitgeoefend, neer. Den volgenden dag nam Wilhelmina de regeering op en den 6en September d. a. v. legde zij den eed op de grondwet af in de Nieuwe Kerk te Amsterdam.

De leerplichtwet was een van de laatste daden van het ministerie Pierson. Bij de nadering der verkiezingen verdubbelde het zijn ijver en bood het vele wetsontwerpen aan, waardoor het een handige reclame maakte in de hoop de volksgunst te verwerven. Deze ontwerpen regelden het hooger beroep tegen ongevallen-verzekeringen, hadden betrekking op den openbaren onderstand, op de reglementeering van het arbeidscontract, op werkliedenpensioen, en besloten met een grootsch plan van de droogmaking der Zuiderzee.

De oppositie liet zich niet tot dit terrein verlokken en Dr. Kuyper wees in zijne rede op de Algemeene Deputatenvergadering der Antirevolutionaire partij de stelling, die zij te kiezen had. »De strijd,« zoo verklaarde hij, »moet gestreden worden buiten het kabinet om, wij moeten strijden zonder ons aan het ministerie te storen alsof het niet bestond. De eenige vraag, die zich voor het land in de maand Juni zal voordoen is deze: Zal de meerderheid der Staten-Generaal tot het Christelijk deel der natie behooren of zal zij blijven aan onze medeburgers, die onophoudelijk in hun politieke beschouwing met den Christus Gods hebben gebroken?«

Van zijn kant opende Dr. Schaepman de campagne der Roomsche partij met een groote redevoering, waarin hij met alle kracht aanspoorde tot de »entente cordiale« met de Calvinistische partij, om zoo een einde te maken aan de liberale heerschappij.

De Christelijke coalitie had zich steviger en vollediger samengeknoopt dan tevoren. De nauwe verbintenis was bovendien bewonderenswaardig voorbereid door een reeks artikelen in de »Standaard« van de hand van Dr. Kuyper, aangaande de gemeenschappelijke beginselen bij alle geloovigen. Zij omvatte niet alleen de Roomschen en de Antirevolutionairen, maar ook nog de Vrij-antirevolutionairen, alsook vele Christelijk-historischen die Dr. Bronsveld niet getrouw bleven, en zij nam de verbondsleuze weder op, die zij bij de verkiezingen van 1897 had aangeheven: »Vóór God, vóór het Evangelie! tegen den leugengeest der Revolutie!«

Terzelfder tijd, om de poging van de verbonden partijen krachtdadiger te maken, beijverden Dr. Kuyper en Dr. Schaepman zich om de mededinging en verdeeldheid uit den weg te ruimen, waarvan de vijand te vaak profiteerde. Daartoe stelden zij een systeem van ruiling van stemmen in, dat hunne tegenstanders een systeem van koopmanschap noemden. Het was enkel een besluit van tucht en wijsheid, om verlies van macht te vermijden. Het bestond eigenlijk hierin, om de Liberale of Socialistische districten onder de verschillende Christelijke partijen in te deelen, ten einde ze toe te voegen aan degene, die den meesten kans had, door overal één candidaat te stellen, gesteund door alle »geloovigen«.

Er moest voor de rechtsche partijen een soort van evenredige volksvertegenwoordiging komen, waardoor zij in ruil voor de opoffering hunner afzonderlijke politiek en voor het aanbrengen van hunne stemmen in één district, het voorrecht ontvingen een candidaat elders te zien overwinnen, dank zij de stemmen der bondgenooten. Ofschoon het gezag der leiders niet sterk genoeg was om dit systeem in het geheele land te doen aannemen, en de te dien einde aangevangen onderhandelingen niet met volkomen succes werden bekroond, zij liepen niettemin er op uit, om van den eersten keer af--wat tot dien tijd toe nog niet gezien was--de stemmen van de Antirevolutionairen te verzekeren aan de Roomsche candidaten in de districten, waar de Calvinisten de overwinning op geenerlei manier konden behalen, bijvoorbeeld Beverwijk. In Friesland bracht het verdeeling der zetels aan tusschen de verschillende protestantsche fracties, waaronder de Friesche-Christelijk-historischen; en daar maakten zij een einde aan de ijverzucht, die de zaak der Liberalen zoo goed diende. De Christelijke Coalitie had zich dus, door nieuwe elementen bij haar linkervleugel in te lijven, uitgebreid; zij had zich aan tucht gewend en was een geduchte macht.

Ten aanzien van haar waren de Liberalen verdeeld. Het verschil van gevoelen tusschen de Oud-liberalen en de Unie-liberalen was niet weggenomen en bovendien was er tweedracht gekomen onder deze laatsten. De kwestie van urgentie van de grondwetsherziening, ten einde tot algemeen kiesrecht te komen, was er opgeworpen door het bestuur. Het had er zulk een onweder doen losbarsten, dat de banden, die de verschillende elementen verbonden, verbroken waren en dat de meest-geavanceerden zich hadden teruggetrokken achter de leden van het bestuur aan, om met de Radicalen de partij der Vrijzinnig-democraten te vormen. De »Liberale Unie« had zich zoo goed of kwaad als het ging gereformeerd, maar de verdeeldheid was niet verdwenen. In menige streek stelden de Vrijzinnig-democraten hun eigen candidaten tegen die der Unie-liberalen voor.

Ondanks die oorzaken van zwakheid werden de Liberalen niet ontmoedigd. Zij behielden heimelijk de hoop, dat de zaken zouden gaan als in 1897. De eerste keer zou men opnieuw een gedeeltelijke overwinning der Christelijken zien en later bij herstemming zou de linkerzijde, vereenigd door de bedreiging van »het clericale gevaar«, het verschil van gevoelen vergeten, front maken tegen den vijand en de eindelijke overwinning behalen of tenminste de rechterzijde zoodanig verslaan, dat het haar onmogelijk zou zijn te regeeren.

Maar deze keer was hunne verwachting ijdel. De resultaten bij de eerste stemming waren zoodanig, dat de zege aan de Christelijke partijen verzekerd was, hoe de herstemming ook liep. Bij den eersten keer hadden zij 47 zetels bemachtigd en van de 42 herstemmingen liepen er velen in hun voordeel uit.

Om hunne nederlaag minder gevoelig te doen worden, moesten de Liberalen hunne krachten vereenigen en hielpen zelfs de Socialisten in zekere districten; doch hun meest-pessimistische voorspellingen werden nog overtroffen en zij kwamen zeer verminderd in aantal en in aanzien uit den strijd.

De Socialisten inbegrepen telde de linkerzijde niet meer dan 42 vertegenwoordigers, waaronder 6 Oud-liberalen, 20 Unie-liberalen, 9 Vrijzinnig-democraten en 7 Sociaal-democraten. Alle liberale partijen waren min of meer verslagen, maar geene verloor meer uitmuntende mannen dan de scheuringspartij van de Liberale Unie, die den naam had aangenomen van Vrijzinnig-democratisch. De heer Van Gilse, een der leiders der beweging, door zijn eigen kiezers verloochend, had den moed gehad zich in Amsterdam IX candidaat te stellen tegen den Unie-liberaal Lely, minister van Waterstaat, en had er erbarmelijk schipbreuk geleden; een andere, de heer Veegens, werd te Hoogezand vervangen door een Socialist en de heer Heldt, voorzitter van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, werd om zijn Nieuw-Malthusianisme door de kiezers van Amsterdam VII verworpen, die Mr. Heemskerk, zoon van den conservatieven oud-minister en een der leiders van de Antirevolutionaire partij in de Tweede Kamer verkozen.

Wat de Socialisten betreft, al wonnen zij ook drie zetels, was toch hun aanvoerder Mr. Troelstra geslagen in de vijf districten, waar hij candidaat was gesteld, in 't bizonder in Tietjerksteradeel, welk district de predikant Dr. Talma na fellen strijd had veroverd.

De uitslag der algemeene verkiezingen van 14 en 27 Juni 1901 was dus ongunstig genoeg voor de liberalen. Het ministerie Pierson, dat het totaal der stemmen van links had opgemaakt, constateerde dat het onmogelijk was aan het bewind te blijven en legde zonder dralen zijn ambt neder.

VIERDE HOOFDSTUK.

De zege en de toekomst der Christelijke Coalitie.

I.

_Het ministerie Kuyper._

De nieuwe verkiezing had de richting der politiek veranderd. Dr. Kuyper kwam aan het bestuur. Het nieuwe kabinet, waarin hij minister van Binnenlandsche Zaken werd, bevatte vier Antirevolutionairen, drie Roomschen en den admiraal Kruys, die tot geen politieke partij behoorde.

De Antirevolutionairen, die aan de zijde van den premier stonden, waren Mr. Van Asch van Wijck, Koloniën, Mr. de Marez Oyens, Waterstaat, en Melvil van Lijnden, Buitenlandsche Zaken.

Door hunne waarde en door het gewicht der portefeuilles, die hun waren toebetrouwd, maakten de Roomsche leden van hun kant een goede figuur in het Christelijke Kabinet. Generaal Bergansius, wiens militaire bekwaamheid algemeen bekend was, die reeds zijne kracht had doen gevoelen in het ministerie-Mackay, nam Oorlog, de heer Harte van Tecklenburg, de leider der groep Protectionisten in de Kamer, ontving Financiën, en voor Justitie gaf zich een jong talentvol rechtsgeleerde, Mr. Loeff.

Het ministerie werd krachtig door eene meerderheid van rechts gesteund. In de Tweede Kamer beschikte het over 58 stemmen, waarvan 25 Roomschen en 23 Antirevolutionairen, die geheel te zijnen dienste waren. Bovendien schonken de acht Vrij-antirevolutionaren, die De Savornin Lohman en baron Mackay omringden, het kabinet een vertrouwen in beginsel, dat onvoorziene voorvallen alleen konden doen verdwijnen. Tot aan de Christelijk-historischen breidde zich dit niet uit, want de heeren De Visser en Schokking besloten niet het te steunen. De premier kon dus zonder vrees de politiek invoeren, waarvan hij de groote lijnen had afgeteekend toen hij leider der partij was.

De Eerste Kamer was echter in meerderheid liberaal gebleven en kon stelselmatig weigeren, haar stem te geven aan alle wetten, die haar toeschenen al te sterk tegen de beginselen, die tot dien tijd in de wetgeving des lands in eere waren, in te gaan. Maar deze hinderpaal bestond meer in schijn dan in werkelijkheid, want bij een eventueele ontbinding van de Eerste Kamer zou daar noodzakelijk de Liberale meerderheid in een onmachtige minderheid veranderen.

Inderdaad schonken reeds de eerste maanden van 1901 de Provinciale Staten, die de kiescolleges vormen voor de benoeming van leden der Eerste Kamer, eene meerderheid aan de Christelijke partijen.

Reeds lang waren vijf provincies hun getrouw, maar de zes andere bleven onder de liberale heerschappij.

Welnu in 1898 hadden de Roomschen, in vereeniging met de Antirevolutionairen in Zuid-Holland dertien zetels bemachtigd en de liberale meerderheid met tien stemmen verminderd. In 1901 waren zij zoo gelukkig om er de overwinning te voltooien en de Gedeputeerde Staten te veroveren.

Daardoor nu waren hun tien mandaten van de Eerste Kamer tebeurt gevallen en daarmee de zekere meerderheid in de Eerste Kamer. Maar naar den gewonen regel kwam deze omzetting niet dadelijk tot haar recht; daar de Eerste Kamer, zooals in Frankrijk, slechts bij een derde gedeelte tegelijk vernieuwd werd, moest men eenige jaren wachten om haar geheel vernieuwd te zien; doch zoo in dien tusschentijd eene ontbinding voorkwam, was de overgang vanzelf verkregen.

Ten slotte kon niets ernstiglijk het nieuwe ministerie in zijne handelingen tegenhouden.

In de troonrede van dat jaar werd het regeeringsprogram als volgt uiteengezet; zij stemde namelijk de noodzakelijkheid toe, den zedelijken en stoffelijken staat van het Nederlandsche volk te verbeteren, zich daartoe grondende op de Christelijke grondslagen van het nationale leven.

Daarna kwam de opsomming van voorgestelde verbeteringen, waaronder opgemerkt werden de grootere vrijmaking van onderwijs, de herziening van de wet op de Zondagsrust, de beteugeling der nationale zonden van spel en dronkenschap, de voltooiing van het ambachtsonderwijs en de reglementeering van den leertijd, de herziening van de wet op het arbeidscontract, de invoering van de verplichte verzekering tegen de gevolgen van ziekte, invaliditeit en ouderdom enz.....

Een buitengewoon-groot program. Tal van beloften van sociale verbeteringen. Zonder haar critiek te sparen, constateerde de liberale pers met voldoening, dat het program niet uitdrukkelijk een werk van reactie was tegen de aangenomen wetten van het voorgaande ministerie en oordeelde het de aandacht van het volk waardig. Het Handelsblad vroeg zich met zekere ongerustheid af, of het niet een nieuwe periode van de staatkundige geschiedenis van Nederland was, die begon; en de Nieuwe Rotterdammer Courant voegde er, zonder de waardij van deze eerste handeling van de ministerieele politiek te loochenen, met een sceptischen inval aan toe: »Het zijn niet de woorden, die van belang zijn, maar de daden!«

Het ministerie zette zich dadelijk met den ijver van een nieuweling aan het werk en de daden bleven niet uit om de woorden te staven. Bekwamelijk gesteund door zijne collega's en bijzonder door Mr. Loeff, minister van Justitie, werkte Dr. Kuyper een reeks wetsontwerpen uit en stelde ze voor, om zoo zijn program in werking te stellen. En het werk in de Tweede Kamer begon ernstig en waardig.

De werkzaamheid was zoo groot, dat drie jaren later 24 November 1904, zijn leider Dr. Kuyper hun, die klaagden over de schraalheid van den wetsoogst, kon antwoorden met de lijst van wetsontwerpen, die in zijn program waren neergelegd. Er waren er meer dan dertig; verscheidene waren reeds door de Staten-Generaal goedgekeurd, en vele, die nog in wording waren, zooals het wetsontwerp op het werklieden-pensioen, dat ter herziening van het tarief van invoerrechten, en dat hetwelk het onderwijs in zijn verschillende graden regelde, waren van bizonder belang.

* * * * *

Aan het Christelijke ministerie echter waren de kritiek en de moeilijkheden niet bespaard gebleven bij de vervulling van de groote taak, die het op zich had genomen.

Na in het begin zich tot een verstandige afwachtende houding te hebben beperkt, hadden de Liberalen niet lang gedraald, zich tegen het ministerie te stellen.

Ieder jaar bracht de financieele begrooting, die door eene bespreking over de algemeene politiek voorafgegaan wordt, hunne verwijten met zich mede en wel bijna altijd dezelfde:

»Gij maakt voor uwe politiek aanspraak op de titel van Christelijk,« zeiden zij tegen Dr. Kuyper, »maar wat speciaal Christelijks is er in de wetten, die gij voorstelt? Waarom hebt gij recht op dat monopolie?« Hetgeen de leider van het kabinet terstond beantwoordde met: »Om te beoordeelen of de aangeboden wetsontwerpen de Christelijke beginselen bekrachtigen of verwerpen, moet men zich niet beroepen op het denkbeeld, dat sommige leden zich schijnen te maken van specifiek-Christelijk, maar alleen op het begrip, dat de Christelijke partijen zelve er van hebben. Het is niet het mystieke element van het Christendom, dat hier in het spel is, maar alleen de verplichtingen, die voortvloeien uit den Christelijken godsdienst voor het burgerlijke leven en in 't bizonder voor het leven van den staat.«

En als zij er aan toe voegden: »Aan het einde van de hedendaagsche wetgevende periode zal er slechts een klein deel van de taak, aangewezen in het program van 1901, zijn verwezenlijkt, en dat, omdat het ministerie standvastigheid en vlugheid ontbreekt," antwoordde Dr. Kuyper niet zonder ironie: »Ik heb nooit voorgewend de uitvoering van het ministerieele program in vier jaren te zullen voltooien. Ik heb daarentegen altijd gezegd, dat er eene periode van acht jaar noodig was om het in vervulling te brengen. Zoo gij op algeheele uitvoering staat, dan is er een eenvoudig goed middel, n.l. bij de verkiezingen van 1905 de meerderheid voor de Christelijke partij te laten en het ministerie aan het bewind te houden tot 1909".

Natuurlijk verweet de linkerzijde het ministerie dat het een politiek van reactie, een politiek van godsdienstige verdeeldheid bleef volgen. Zij verweet het bits de natie vanéén te scheiden en tegenover de geloovigen de ongeloovigen, de atheisten, te stellen, terwijl in werkelijkheid deze verdeeling een onloochenbaar feit was, dat de regeering zich bepaalde te constateeren. Maar, waar de beschuldigingen het heftigste waren, dat was als er benoemingen voor openbare ambten en bizondere burgemeestersbenoemingen aan de orde waren. De Liberalen verweten het ministerie partijdig te zijn, door in het wilde voorstanders van zijn eigen politiek te benoemen en candidaten, verdacht van Liberalisme en vooral van Socialisme, van de voordracht te schrappen.

Dr. Kuyper had ook op dit punt geene moeite om zijn gedrag te rechtvaardigen. De vorige ministers, zeide hij, hebben bijna stelselmatig de leden der Christelijke partijen over 't hoofd gezien. Zij hebben dus een onrechtvaardigheid begaan, die ik zoek te herstellen, mij grondende op dit feit, dat voor de benoemingen van burgemeesters en nog anderen, men vóór alles moet nagaan of de aangeboden candidaten beantwoorden aan den staat van het algemeen gevoelen van de gemeente, die zij moeten besturen. Het kan in de gedachte van niemand opkomen, voegde hij er aan toe, om aan het hoofd van gemeentebesturen in Limburg Protestanten te willen plaatsen en in de provincie Groningen Roomschen. Zoo moet de regel zijn en zoo is de regel geweest, waarnaar door het ministerie gehandeld is. Bovendien, niemand kan ontkennen, dat verschillende leden van de oppositie tot hooge functies zijn benoemd. Dit dient om de aantijgingen, dat de voorstanders van de liberale leer stelselmatig terzijde zijn gelaten, te logenstraffen.

Op die manier vervolgde Dr. Kuyper, al strijdende tegen tegenstanders die hem trachtten af te matten, onvermoeid zijnen weg, front makende tegen zijne vijanden met een kracht, die geen oogenblik verminderde. Zijn altijd bekwame, somswijlen snijdende replieken volgden den aanval op den voet.

Men moet zeggen, dat in dezen onophoudelijken strijd de meerderheid het ministerie getrouw ondersteunde. Bewonderenswaardig was het, dat gedurende de vier jaren van het bewind nooit de rechterzijde verdeeld werd, nooit het christelijk verbond een oogenblik zelfs verslapte. Het vervolgde zijn weg met kracht, de oogen op het gemeenschappelijk, wèl-belijnd program en onder de leiding van den aanvoerder, gaf het bestendig blijk van de nauwst-verbonden vereeniging en van de verstandigste tucht.

* * * * *

Zonder dezen steun overigens was het onmogelijk voor het bewind geweest om de groote moeilijkheden, die het op zijn weg ontmoette, te overwinnen.