De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 16
De Roomschen van hun kant vonden, dat hun Antiliberalisme hun anticalvinisme tijdelijk had doen vergeten en ook zij keerden tot hun historische lijn terug.
Niet allen dachten zoo, maar op het punt van beginsel zoowel als op het punt van politieke leiding in den bestaanden toestand, heerschte de grootste verdeeldheid in de partij. Men moet er het gevolg van uiteenloopende denkbeelden en neigingen inzien, die van eenige jaren her dateerden. Zij waren opgekomen bij de nadering van de grondwetsherziening, toen er sprake was van uitbreiding van kiesrecht, en deze waren niets minder te achten dan de democratische strooming, die op het einde van de negentiende eeuw in alle landen en in alle partijen doorbrak en de conservatieve richting bestreed.
Ds. Schaepman, met Dr. Kuyper de vader van de Christelijke coalitie, welke tot dien tijd was gehouden voor het hoofd van de Katholieke partij, stond nu aan het hoofd van een groep, die men de democratische noemde, terwijl de heer Bahlmann, afgevaardigde van Tilburg, om zich heen de »dissidenten" vereenigden, die het talrijkst waren. Tusschen de fractie-Schaepman en de fractie-Bahlmann heerschte misverstand op alle punten; op het punt van militaire wet, waar de eerste een overeenkomst met de rechtsche Protestanten zocht en de onveranderlijke houding van de andere afkeurde; op het punt van een verbond met de Antirevolutionairen, hetwelk de dissidenten wilden vervangen door de politiek van de vrije hand en in zekere streken door een hereeniging met de Liberalen; op het punt van sociale wetgeving enz....
Inderdaad waren de wanorde en de verwarring verschrikkelijk bij de bondgenooten van gisteren, die hunne wapenen tegen elkander keerden en elkander hevige slagen toebrachten.
Temidden van deze verdeeldheid en aanvallen had de verkiezingscampagne plaats. Roomschen en Antirevolutionairen waren meer gezind om elkander te bestrijden dan om front te maken tegen hunne tegenstanders van links.
Niet alleen streed elk bij de stembus afzonderlijk, maar men had ook nog te rekenen met den afval en de vijandigheid van een minder of meer groot deel der troepen. De mannen van Utrecht maakten gemeene zaak met de Liberalen volgens het principe van Ds. Bronsveld; men kan orthodox zijn op godsdienstig en liberaal op politiek gebied. De fractie Bahlmann bestreed de volgelingen van Dr. Schaepman met verwoedheid en om hun de nederlaag te bezorgen, aarzelde zij niet de liberale candidaten in bepaalde districten te ondersteunen.
Het resultaat van de verkiezingen was ongelukkig; de slag, die onder zulke omstandigheden werd begonnen, was vooruit verspeeld. Zoo behaalden de Liberalen gemakkelijk de meerderheid in de Tweede Kamer en zij wonnen tien zetels. De linker zijde bevatte nu 55 leden, waarbij één radikaal, gekozen in de plaats van Domela Nieuwenhuis, die zich met zijne partij uit den politieken strijd had teruggetrokken.
De rechtsche partij behield 45 van de 55 zetels. De Roomschen verloren slechts één, maar het was juist dien van Dr. Schaepman, die in Wijk bij Duurstede verslagen werd tengevolge van de houding der fractie-Bahlmann. Het meest geteisterd waren de Antirevolutionairen, die van 28 tot 20 zetels in de Tweede Kamer waren teruggedrongen. De nederlaag was volkomen.
* * * * *
De ramp, die op de Christenpartijen neerkwam en die slechts het gevolg van hunne tweedracht was, had hen niet zoo verstandig gemaakt, dat zij de vereeniging terug verlangden. Integendeel, hunne twisten gingen door; zij sloegen zelfs over tot de Liberale partij en men trad toen een periode van verwarring en beroering in, waarin de verschillende fracties elkander stootten en hinderden, zonder dat men eigenlijk wist tot welke partij zij behoorden.
Het ministerie-Mackay had plaats gemaakt voor het ministerie Van Tienhoven-Tak van Poortvliet, waar voornamelijk Tak, een zeer radikaal liberaal, den boventoon voerde. Het kwam aan de regeering met een program, waarvan het eerste punt de kiesrechthervorming was, »die hoeksteen van het staatsgebouw, die noodzakelijke voorwaarde tot eene duurzame verbetering", zooals hij zeide.
Als gevolg van de grondwetsherziening van 1887 was een provisioneel reglement op het kiesrecht van kracht geworden. Dat had vier jaren geduurd en zag in dien tijd twee generale verkiezingen gehouden. De heer Tak achtte het oogenblik gekomen om een einde te maken aan dit provisioneel reglement en tot vaste bepalingen hierin te geraken. Hij stelde daarom ook een ontwerp voor, dat het kiesrecht zooveel mogelijk binnen de grenzen van de grondwet uitbreidde, het ontwerp-Tak; een soort van algemeen kiesrecht, gematigd door de uitsluiting van analphabeten en degenen, die ondersteuning hadden ontvangen.
De vermenging der partijen werd door dit ontwerp bevorderd, dat van zijn auteur twee achtereenvolgende redacties ontving en dat een ware regen van amendementen en tegenvoorstellen tengevolge had. Het vraagstuk, dat zich hier voordeed, was van groot gewicht. Zou men bij een meer of minder beperkt kiesrecht blijven staan, of zou men tot een zoo goed als algemeen kiesrecht overgaan? In den grond der zaak ging het hier om de question brûlante, die gedurende de laatste helft van de negentiende eeuw bijna al de staten van Europa in beroering bracht: Moet men de volksmassa's tot het politieke leven inroepen en tengevolge van hun aantal in hunne handen het lot der natie stellen?
Twee stroomingen vormden zich tegenover elkander; de eene conservatief, achtende dat de tijd voor de hervorming nog niet gekomen was, weigerde indien het niet mogelijk was om den toestand te laten zooals hij was, de onverstandige en al te milde verleening van het kiesrecht; de andere, democratisch, eenstemmig met minister Tak, wilde het kiesrecht uitbreiden zóó ver als de grondwet het toeliet. Deze beide stroomingen omvatten elk meer of minder belangrijke fracties van de partijen. Er was geen rechts meer of links, maar groepen van rechts bestreden onder éénzelfde banier als van links het voorstel-Tak, terwijl anderen zich naast de meest-geavanceerde liberalen onder de verdedigers bevonden. De democratische Antirevolutionairen van Dr. Kuyper en de Roomsche volgelingen van Schaepman, verstonden zich met de Radicalen en de vooruitstrevende Liberalen, terwijl de oppositie gevormd werd door de groote meerderheid der Roomschen, de groep aristocratische Antirevolutionairen onder Mr. De Savornin Lohman, en de Conservatieven, de volgelingen van de heeren Roëll, Van Houten en Van der Kaay.
Gedurende achttien maanden was de strijd hevig en hij eindigde in de ontbinding van de Kamer op den 17en Maart 1894. Een heftige beroering verspreidde zich toen over het gansche land. De verkiezings-campagne was langdurig en bitter. De candidaten werden niet meer naar hunne partijen en programmen onderscheiden, maar geheel door elkaar verward deelden zij zich in als voor- en tegenstanders van Tak, in Takkianen en anti-Takkianen. De tegenstanders behaalden bij de herstemming de overwinning en verkregen eene meerderheid van tien stemmen. Het doel der ontbinding werd niet bereikt, en Tak van Poortvliet trad af en werd vervangen door den heer Van Houten.
Door den heer Roëll uitgenoodigd om het ministerie van Binnenlandsche Zaken op zich te nemen, vormde de heer Van Houten met hem een conservatief-liberaal kabinet. Hij nam de zware taak op zich om de kiesrechtkwestie, die door zijn voorganger onbeslist was achtergelaten, tot een goed einde te brengen. Hij kwam aan het bewind op een oogenblik dat de verhouding der partijen zoo verward mogelijk was. Zij handelden blindelings, als in den mist verdeeld, gedesorganiseerd, slechts vage vormen afteekenende. Om de waarheid te zeggen, waren het groepen zonder bestand, en om een oude Hollandsche uitdrukking te gebruiken: »Een ieder stuurt zijns weegs en niemand weet waarheen....«
In de volksvertegenwoordiging kon men duidelijk bij de hervatting der werkzaamheden opmaken, dat het èn aan een vaste meerderheid èn aan eenstemmige en krachtige oppositie faalde. Bij elke trede werd men door nieuwe en toevallige meerderheden gehinderd, en niets wees meer op de verwarring der geesten dan deze besluiteloosheid in eene Kamer, waar gewoonlijk de opinies wèl belijnd en de partijen stevig waren en de gelegenheidspolitiek weinig in de gunst was. Het scheen, dat het volk, van de kiesrechthervorming doordrongen, in den cirkel rondliep zonder een uitweg te vinden.
Mr. van Houten beproefde dien toovercirkel te verbreken en met dit voornemen, waarin hij standvastig bleef, stelde hij zijn wetsontwerp voor en ondersteunde het met volharding. De debatten duurden een geheel jaar. In den loop der bespreking had het kabinet verklaard, dat zijn wet in haar geheel aangenomen of verworpen moest worden. Dat was een fier en klinkend woord, maar verbazingwekkend van de zijde van een staatsman, die geen vaste meerderheid achter zich had en die, om te slagen, moest rekenen op de hulp van zekere afgevaardigden van rechts. Doch hij wist wat hij wilde en dat, volgens de theorieën van zijn geliefden leermeester Schopenhauer, de wereld nergens anders uit bestaat dan uit vertooning en wilskracht, en dat de wilskracht de verwarde beelden der gebeurtenissen en omstandigheden beheerscht.
De kieswet Van Houten werd door de Tweede Kamer den 19en Juni 1896 met 56 tegen 43 stemmen aangenomen. Zij werd dadelijk in de Eerste Kamer behandeld en insgelijks aangenomen op den 5en September 1896 met 34 tegen 12 stemmen.
Onder de tegenstanders der wet bevonden zich tegelijk geavanceerden van links, die achtten dat zij niet ver genoeg ging en die haar armelijk, spaarzaam en willekeurig noemden, en de Conservatieven, die haar te wijd en te mild achtten. In werkelijkheid was het een wet van het juiste midden, die niemand voldeed. De Roomschen en de Antirevolutionairen hadden gehoopt in het verloop der behandeling amendementen aangenomen te zien, waardoor in 't bizonder het kiesrecht van den huisvader was vastgesteld, maar hunne hoop werd niet vervuld. Een groot deel van rechts was dus ontevreden. De uiterste linkerzijde was het niet minder, want het kiesrecht was verbonden gebleven aan den census, een stelsel, dat zij volkomen wilde afschaffen. Op zichzelf was de wet niet boven alle kritiek verheven. Haar eerste fout was zeer ingewikkeld te zijn en willekeurig de kiezers in talrijke klassen in te deelen, naar de kenmerken om kiezer te kunnen worden. Er waren:
1e _belastingkiezers_, waartoe al de Nederlanders van 25 jaren, die in een directe belasting vielen, behoorden;
2e _woningkiezers_, gevormd uit degenen, die geen belasting betalende op den 1en Februari sedert zes maanden hetzelfde huis hadden bewoond en die daardoor een wekelijksche huur betaalden, waarvan het minimum varieerde naar de plaatselijke gesteldheden van f --.80 tot f 2.--; of die een woonschip bezaten voor het minst van 24 kubieke meters grootte;
3e _loonkiezers_, waaronder gerekend werden zij, die niet behoorden tot de beide voorgaande klassen, en die gedurende tenminste drie maanden in hetzelfde huis hadden gediend, en een jaarlijksch loon ontvingen naar de verschillende plaatselijke gesteldheden varieerende van ten minste f 275-f 550 of van f 100-f 200 indien zij in dezelfde woning kost en huisvesting hadden;
4e _pensioenkiezers_, welke categorie allen omvat, die een jaarlijks pensioen trekken, gelijk aan het loon, dat de loonkiezers moeten ontvangen;
5e _spaarbankkiezers_, waaronder zich rangschikken degenen, die tenminste f 100 op het grootboek hebben of f 50 in de spaarbank.
6e _Examenkiezers_, een groep samengesteld uit zulken, die tengevolge van een examen, bij de wet vastgesteld, in bezit zijn van een diploma, waaruit geschiktheid tot een ambt blijkt of krachtens hetwelk de uitoefening van een beroep of de volvoering van een opdracht werd veroorloofd.
Dat waren de verschillende categorieën, waarin het kiezerscorps werd verdeeld. Eén afgevaardigde, de heer Heldt, sprak minachtend over deze »wanorde, waarop zich ten langen leste de werklieden vermoeien, ingedeeld als zij zijn en gescheiden op zeer willekeurige wijze.«
Overigens berustte het stelsel geheel op den census, nog van kracht. Wanneer de wetgever er iets in zou gaan veranderen, dan werd de kieswet daardoor dadelijk verdraaid, en het was een verwijt te meer, dat men hem deed, dat nu een herziening van de kiezerslijst bij iedere wijziging der belastingen noodzakelijk was gemaakt.
Niettemin werd met een soort van verlichting de kieswet ontvangen; voorloopig tenminste was de nachtmerrie, die sedert vijf jaren het volk had gedrukt, weg; was het onweder, dat de partijen omver had geworpen, bedaard en voordat een nieuwe hervormingswind van het kiesrecht zou waaien, konden verscheidene jaren voorbijgegaan zijn, die gebruikt konden worden om een weldadige politiek te oefenen naar de wenschen van de 300.000 nieuwe kiezers, die in het verbreede kiezerscorps deel zouden nemen aan de regeering des lands.
IV.
_De herstelling van de Christelijke Coalitie.--De verkiezingen van 1897.--Het ministerie Pierson._
Ternauwernood was de kieswet aangenomen, of Mr. Van Houten liet zich van de hoogte van de regeeringstafel dit totnutoe in Nederland ongehoorde woord uit den mond vallen: »Alle liberalen in het gelid tegen het clericalisme«. Deze oorlogskreet, uitgeroepen door een minister die pas de kiesrechthervorming had afgedaan, weerklonk langen tijd in het land. Door zijn magisch woord verdwenen de wolken, die het licht hadden beneveld, en de schikkingen kwamen nauwkeurig met verwonderlijke helderheid tevoorschijn; de opgezweepte wateren hernamen hun gewonen aanblik, en de partijen, die zich als in ontbinding bevonden, voegden zich weer tot hun ouden vorm en in dezelfde combinaties.
Toch waren de partijen in deze periode van zes jaren, dewelke door de geschillen over de legerwet en de broedertwisten over de kiesrechthervorming zoo verward was, veranderd.
Rechts bleven de Roomschen bijna dezelfden, behalve dat zij de eenheid terugvonden, die sedert langen tijd was verbroken.
Daarentegen waren de Antirevolutionairen in vele afdeelingen verdeeld en de scheuring was te groot dan dat ze geheeld kon worden. Het grootste getal bleef wel is waar onder de machtige leiding van Dr. Kuyper, maar van het oorspronkelijke bloc waren twee deelen afgegaan. Ter eener zijde hadden de vrije Antirevolutionairen het machtige gezag van den leider geschokt. Bijna allen waren het mannen van groot aanzien als De Savornin Lohman en de oud-minister Mackay; en zij onderscheidden zich van de Kuyperianen door aristocratische geaardheid, minder geneigd tot sociale hervormingen. Evenwel was de breuk niet voltooid, want zij waren één op het terrein van de Calvinistische beginselen, en over de klove, die temidden der kiesrechtgeschillen was gevormd, was een brug gelegd, die hen voortdurend verbond. Aan de andere zijde hadden de Christelijk-historischen zich geheel van de partij afgescheiden. De orthodoxe predikanten, die achter den driftigen Dr. Bronsveld aanliepen, hadden de laatste gemeenschap afgesneden en gingen gemeene zaak maken met de Liberalen.
Ter linkerzijde was de groote Liberale partij in verschillende stukken uitééngevallen, waarvan het uiterste aan het Socialisme paalde. Het voornaamste deel had zijn vaandel geplant op gelijken afstand van het midden en van de uiterste linkerzijde. Het bestond uit de progressisten van de »Liberale Unie", die democratische maatregelen vroegen; de Unionisten in de richting van de Sociaal-democraten, voorafgegaan door de rumoerige groep, weinig in aantal, van Radicalen, en achter haar lieten zij de achterblijvers, de »oud-liberalen", die trachtten naar vergeving voor hunne vadsigheid op sociaal gebied door hun vuur tegen het clericalisme.
Zoo was de politieke toestand op het oogenblik dat de kieswet Van Houten voor het eerst zou toegepast worden. In Juni 1897 moest de belangrijke vernieuwing van de Staten Generaal plaatshebben. Van alle kanten bereidden zich de partijen voor tot den strijd. De verschillende programmen werden den volke voor oogen gesteld en men zocht de verbonden weer op.
De Antirevolutionairen van beide schakeeringen maakten openlijk gemeene zaak met de Roomschen. Voor het eerst stelde zich de Christelijke coalitie in het volle licht en zij werd bevestigd door een krachtige campagne. Hare hoofden, Dr. Kuyper en Dr. Schaepman, hoopten, dat deze hereeniging van twee groote machten, die zonder hun eigen gezag en karakter te verliezen zich verbonden voor een gemeenschappelijk doel, de massa kiezers mede zou voeren, om zoo de meerderheid aan de Christelijke partij van de natie te geven.
Ondertusschen had deze openlijke vereeniging tot onmiddellijk resultaat dat de Christelijk-historischen geheel in het zog van de Liberalen kwamen uit haat tegen de Roomschen en Dr. Kuyper. Dr. Bronsveld en Dr. Vos brachten den Christelijk-historischen Kiezersbond tot stand, die door hen gebruikt werd om de Liberalen te helpen. Vóór alles wilden zij den triomf van het »monsterverbond« verhinderen.
De Liberalen ontvingen hen met vreugde, want zij gevoelden zich niet zeker van de overwinning en zij hadden er belang bij, zich zooveel mogelijk hulp te verschaffen. Om die reden is het, dat zij de vereeniging van allen, die den wijdschen naam van Vrijzinnigen droegen, zich ten doel hadden gesteld, hoe verkleurd en ontaard hun Liberalisme ook mocht wezen: Radicalen, Unionisten, Oud-liberalen, allen bevonden zich momenteel voor den strijd vereenigd en zij voedden de geheime hoop, dat in geval van groot gevaar, de S. D. A. P., die de revolutionaire Socialisten van Domela Nieuwenhuis achter zich latende, van verlangen brandde weer op het politieke erf op te treden, hun onder meer of minder doorzichtigen sluier een werkdadige welwillendheid zouden aanbrengen.
Ter eener zijde dus de Christelijke Coalitie, aan welke Dr. Kuyper de strijdleuze gaf: »Vóór God en het Evangelie«; aan de andere zijde de liberale concentratie, krachtig ondersteund door de Christelijk-historischen en waarschijnlijk ook door de Vrijzinnig-democraten.
De eerste slag viel geheel in het voordeel van de Christelijke partijen uit: 22 Roomschen en 13 Antirevolutionairen kwamen als overwinnaars uit de stembus tegen 14 Liberalen en 1 Radicaal. Er bleven nog vijftig herstemmingen over en van dien uitslag hing de eindelijke overwinning af; maar alles deed voorzien, dat het succes van 15 Juni 1897 den 25 Juni d. a. v. zou bevestigd worden.
Dat ziende, speelden de Liberalen hun laatsten troef uit. Zij verdubbelden hunnen ijver en verspreidden in het land van die verkiezingsargumenten, altijd dezelfde, die men overal terugvindt, samengetrokken in formules, die er op gericht zijn om indruk op de groote massa kiezers te maken.
Deze wanhopige poging wierp alle voorspellingen van de eerste stembus omver; 9 Antirevolutionairen werden nog gekozen en geen enkel Roomsche. »Met Friesland," zeide Dr. Kuyper, »was het geheele Noorden voor ons verloren en onze eerste zege veranderde in een smartelijke nederlaag. Op zichzelf was de mislukking voor ons niet pijnlijk, maar wel de zekerheid, dat belijders van het Evangelie met de mannen van de Revolutie gemeene zaak hadden gemaakt.«
De liberale concentratie was overwinnares. De meerderheid bestond uit 12 Oud-liberalen, 34 Unie-liberalen, 6 Radicalen, waarbij men 1 Christelijk-historische en 3 Sociaal-democraten moet voegen.
De Roomschen verloren drie zetels, de Antirevolutionairen wonnen er acht, de Vrij-antirevolutionairen verloren er een. Totaal telde de rechterzijde 44 tegen 56 stemmen. Maar die 56 stemmen van links waren ver van eenstemmig en standvastig. De verschillende tinten van het Liberalisme bezaten er wel de meerderheid, maar om te regeeren was hun de hulp van de Radicalen absoluut onmisbaar en zij hadden daarenboven in bizondere omstandigheden rekening te houden met de Socialisten, die na een afwezigheid van zes jaren talrijker op het tooneel van de Tweede Kamer verschenen en er een rol verstonden te spelen.
* * * * *
Het resultaat van de verkiezingen was van dien aard, dat alleen een kabinet van links mogelijk was. Het ministerie Van Houten voldeed aan deze voorwaarde en had, indien het dit gewild had, aan de regeering kunnen blijven. Maar het beschouwde zijn taak als geëindigd met de kiesrechthervorming en het had aan de Koningin-regentes zijn voornemen aangekondigd om dadelijk na de verkiezingen af te treden. Toen deze dan ook hadden plaats gehad, deed het dit onverwijld. Het liet een belangrijken wetgevenden arbeid achter zich en men moet erkennen, dat het parlementaire tijdperk, waarbij dit ministerie had voorgezeten, onder de vruchtbaarste perioden behoorde. De omstandigheden waren hem wel eenigszins gunstig, maar vooral de ijver, betoond sedert 1894 door Van Houten, minister van Binnenlandsche Zaken, en Sprenger van Eyck, minister van Financiën, waren er de oorzaak van.
Om minister Van Houten te vervangen, had men een talentvol man noodig, die de zegevierende liberale partij verpersoonlijkte en die haar in haar eigen ministerie kon vertegenwoordigen, vooruitstrevend genoeg om te worden ondersteund door de Liberale Unie en die de Radicalen niet te zeer afschrikte, en die genoeg gehecht was aan de oude leer om niet afkeerig te zijn van de gunst van Oud-liberalen. Men dacht dadelijk aan den heer Pierson, welonderlegd landbouwkundige en ervaren financier, die tevoren in het ministerie Tak van Poortvliet de portefeuille van Financiën had gehad. Men wist dat hij in de oogen der Haagsche Liberalen voor radikaal doorging, terwijl de Radikalen van Amsterdam hem voor conservatief hielden, en men achtte dat de waarheid tusschen beide uitersten in lag.
Wat er ook van aan was, de heer Pierson werd er mede belast een ministerie samen te stellen en hij deed het op oordeelkundige wijze. De liberale concentratie trad er geheel in op; de Liberale Unie met haar leider, Mr. Goeman Borgesius voor Binnenlandsche Zaken, Mr. Cort van der Linden voor Justitie, de heer Cremer voor Koloniën, de heer Lely voor Waterstaat; de Oud-liberalen werden er vertegenwoordigd door den heer de Beaufort voor Buitenlandsche Zaken, en boven hen zweefde de verzoenende en beschermende glimlach van den minister van Financiën, den heer Pierson. In alles was er voor gezorgd om schokken en kneuzingen te voorkomen tusschen mannen, die allen van den eersten rang waren en onbetwistbare kennis op politiek gebied bezaten. De heer de Beaufort kon met zijne portefeuille met onverschillig oog de democratische strooming gadeslaan, die zijne collega's van de uiterste linkerzijde der Liberalen tot sociale hervormingen drong, en zonder eenigen strijd had de heer Pierson alle vrijheid het fiscale werk, dat hij voorheen was begonnen, voort te zetten.
En toch, dit samenstel van eminente mannen was in den grond niets anders dan het voorbijgaand resultaat van behendige vergelijken; het rustte op een onstandvastige meerderheid, wier ongelijksoortige beginselen bijna geen enkel program-artikel gemeen hadden. Ook kon het kabinet niet regeeren, dan met behulp van eindelooze beloften, temidden van voortdurende moeilijkheden.