De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 15
Toen de minister zijn voornemen aankondigde om over te gaan tot de herziening en eene Staatscommissie benoemde om ze voor te bereiden, behoorde de meerderheid in de Kamers aan de Liberalen. Op hun steun dan ook rekende hij om de groote voorgestelde hervorming tot stand te brengen. Evenwel had ternauwernood de bijzondere commissie van onderzoek haar taak voleindigd, of de meerderheid verplaatste zich en de Kamer ging om.
Den 28en October 1884 hadden de algemeene verkiezingen voor de Tweede Kamer plaats gehad. De anti-liberalen, Roomschen en Antirevolutionairen, hadden door een gemeenschappelijken aanval en een gezamenlijke actie, waaraan de schoolkwestie ten grondslag lag, de overwinning behaald. Bevreesd voor het streven van zekere Liberalen, hadden zich de Conservatieven bij hen gevoegd. De krachtige samenwerking van deze verdubbelde groepen, gevoegd bij de zwakheid van de Liberale partij, had den triomf aan de Christelijke Coalitie geschonken. Den eersten keer had zij verscheidene zetels veroverd en bij de herstemming van 11 November was hare overwinning voltooid.
Bijgevolg bevatte de linker, de liberale, zijde in de Tweede Kamer niet meer dan 42 leden, terwijl men rechts 44 telde, en wel 23 Antirevolutionairen, 18 Roomschen en 3 Conservatieven. Voor het eerst verkregen de confessioneele partijen de meerderheid, maar om deze te handhaven was de steun der Conservatieven noodig.
Daarentegen bleven zij in groote minderheid in de Eerste Kamer. Acht Roomschen stonden daartegenover 26 Liberalen en de Antirevolutionairen hadden er niet in kunnen slagen een van hunne vertegenwoordigers er binnen te brengen.
Hoewel overwinnaars konden de verbondenen toch alle voordeelen niet plukken van hunne overwinning, zooals zij wel zouden willen. De Eerste Kamer stelde tegenover hunne pogingen een formeel veto, in de veronderstelling dat deze buiten de perken van de Tweede Kamer gingen. Bijgevolg was het onmogelijk voor hen om met succes een positieve politiek te voeren; zij moesten dus zich bij de verdediging houden en trachten de samenbinding hunner tegenstanders te verhinderen. De omstandigheden kwamen weldra zelfs de kracht van deze houding verstoren.
Bij de bespreking van de financiënwet van 1885, werd een van de leden van de rechterzijde ziek en kon bij de zittingen van de Kamer niet tegenwoordig zijn. Hierdoor werd de oogenblikkelijke sterkte der partijen van 43 op 42; en bovendien bevond zich onder de Conservatieven, die aan de meerderheid een noodzakelijken steun aanbrachten, een van die eigenaardige mannen, die geen discipline kunnen verdragen en toch op hun eigen wonderlijke wijze de zaken wenschen te ontwikkelen. Wintgens, zoo is zijn naam, was dus de man van het evenwicht, waarop het aankwam in dezen toestand: hij vermocht door vóór of tegen de ontwerpen of de amendementen te stemmen, deze te laten aannemen of verwerpen. Zijne meening, die in andere omstandigheden onopgemerkt zou voorbijgegaan zijn, had evenveel gewicht, zoo niet meer, dan die van al zijne collega's tezamen en gelijk een souverein zijne macht kent, maakte hij er een ruim gebruik van en somwijlen onvoorziens.
Natuurlijk werd daardoor de zaak van zijne vrienden van rechts niet altijd gebaat, die hem zijn onregelmatigheid en grillen verweten. Als protest tegen deze verwijten, die volstrekt niet bedoelden om zijne vrijheid van beweging aan banden te leggen, en om terzelfdertijd aan de bestraffingen te ontkomen, deed hij afstand van zijne macht en verliet de Tweede Kamer.
In zijne plaats werd een Liberaal gekozen en daardoor werd de minderheid met één vermeerderd en werd bijgevolg gelijk aan de meerderheid: 43 tegenover 43. De Kamer was op het doode punt gekomen.
Toen begon een tijd van eenige maanden, beroemd gebleven in de parlementaire jaarboeken van Nederland. Alle beslissingen hingen af van het noodlot. Als een lid van de partijen ziek werd of tijdelijk verhinderd was, hèlde dadelijk de evenaar naar de tegenpartij over. En wanneer men aan beide zijden voltallig was, was men niet instaat iets uit te werken of een meerderheid te verkrijgen.
In dezen toestand werd de strijd geleverd, waarvan de inleg was de grondwetsherziening. Als gevolg van het verslag van de Staatscommissie had minister Heemskerk elf wetsontwerpen voorgesteld, die dienen moesten tot het in overweging nemen van de voorstellen voor grondwetsherziening. Den 17en Maart 1886 begon hij met de bespreking er van in de Tweede Kamer.
Getrouw aan hunne taktiek weigerden de anti-liberalen zich tot elke herziening te leenen, voordat men voldoening had ontvangen op hoofdstuk X van de grondwet, dát het onderwijs behandelde en het voornaamste artikel voor deze kwestie bevatte, n.l. artikel 194. Door den vrij-onverwachten steun van Mr. Van Houten, die op dat tijdstip onder de geavanceerd liberalen had plaats genomen, besloten 44 tegen 40 leden de wenschen van de rechterzijde in te willigen, zoodat de bespreking van Hfdst. X geopend werd.
Na lange dagen van beraadslaging; na een kruisvuur van amendementen, waarvan verscheidene werden verworpen door staking van stemmen; na debatten, zoo afgerond dat men zou meenen dat de zaak uitgeput was; werd eindelijk een besluit genomen op het hoofdstuk van onderwijs, maar geheel en al negatief.
Het voorstel van de rechterzijde was verworpen met 43 tegen 42 omdat Mr. Keuchenius zich onthouden had, daar hij weigerde tot de coalitie van Roomschen en Antirevolutionairen toe te treden; de twee moties van de linkerzijde met 64 tegen 22 en met 68 tegen 18; de redactie van de regeering leed de nederlaag met 56 tegen 30 stemmen.
Er bleef niets meer over. Als een gek op den schoorsteen draaide de Kamer al te zeer in evenwicht, in een voortdurende cirkelloop om zijn as, zonder tot een vast besluit te komen.
* * * * *
De toestand was voor het ministerie Heemskerk onhoudbaar geworden; het trad den 13en April af.
Dadelijk werd baron Mackay door den koning geroepen, een van de uitnemendste mannen van de Antirevolutionaire partij; maar deze wees de dringende aanbiedingen van de regeering af om deze besliste reden, dat het onmogelijk voor het oogenblik was om de schoolkwestie weer aan de orde te stellen en dat daarom de rechterzijde de verantwoordelijkheid van de regeering weigerde.
Temidden van de onzekerheid van de ministerieele crisis, op het oogenblik dat allen uitzagen naar den «minister bij uitnemendheid», die er in slagen zou een ministerie te vormen, bij wijze van verrassing, trok het ministerie Heemskerk zijn ontslagaanvrage in, hernam het bestuur der zaken en ontbond de Kamer (11 Mei 1886).
Den 15en Juni volgden de algemeene verkiezingen; zij brachten den Liberalen de zege. Hunne tegenstanders verloren vier zetels en zagen hunne krachten afnemen tot 39 stemmen inplaats van 43, waarover zij tevoren beschikten.
Uit vrees evenwel om het werk van de grondwetsherziening te verhinderen dat het ministerie wederom beloofde op te nemen, zochten de Liberalen niet de regeering weer in handen te krijgen en schikten zich voor het oogenblik in neutrale regeering.
Heemskerk ging derhalve voort het roer van staat in handen te houden en nam tot eenige taak de grondwetsherziening tot een goed einde te brengen.
De verworpen wetsontwerpen werden nu wederom aan de orde gesteld, de besprekingen werden heropend op den 8en Februari 1887, vaak «bruisend en woelend», zooals de verslagen het noemden.
Eindelijk begon men met het onderzoek der wetsontwerpen zelve. Zij werden ten slotte aangenomen alsmede ook eenige amendementen over artikel 194, dat nu artikel 192 was geworden, maar deze amendementen werden niet van kracht tengevolge van de halsstarrigheid der Eerste Kamer.
Bij het begin van November 1887 was alles beëindigd; den 6en van die maand verscheen de herziene grondwet in het Staatsblad, en den 30en bij den laatsten slag van 12 uur des middags van de klokken, werd zij plechtig afgekondigd op het voorplein van de groote gerechtshoven, en bij de deuren van alle Nederlandsche gemeentehuizen.
De bewerkte herziening was lang niet zoo uitgebreid als men had gehoopt. Vele artikelen, waar wijziging noodzakelijk was, bleven onveranderd. Niettemin waren de aangebrachte veranderingen wel van belang, want zij brachten verscheidene punten in nauwe betrekking met het openbare nationale leven.
Het kiesrecht ontving een breederen grondslag en bevond zich nu tusschen beter uit te zetten grenzen. Artikel 80 hief de uitdrukkelijke voorwaarde op van een betrekkelijk-hoogen aanslag in de belasting, zooals dat door het oude artikel 76 geëischt was van iederen Nederlander van 23 jaren om als kiezer te worden toegelaten door de wet.
Het aantal leden van de te verkiezen lichamen was voor de Tweede Kamer op 100 onveranderlijk vastgesteld en op 50 voor de Eerste Kamer (art. 8 en 82). De verplichte parlementaire eed werd afgeschaft (art. 87).
Voor de Eerste Kamer werden verkiesbaar gesteld niet alleen de hoogst-aangeslagenen in de directe belastingen, maar ook zij die het eene of andere hooge ambt bekleedden, of bekleed hadden; in de wet opgenoemd (art. 90).
De dienaren in de verschillende eerediensten waren in beginsel niet meer uitgesloten van de Generale Staten (art. 96).
Deze uitsluiting was sedert 1880 niet meer gehandhaafd, maar geestelijken waren verplicht bij hun zitting-nemen in de Kamer hun ambt neder te leggen. Die bepaling werd afgeschaft.
Het recht van enquête werd verleend aan elk van de beide afzonderlijke Kamers en zelfs aan de Vereenigde zitting, en het recht van amendement van de Tweede Kamer was uitgebreid tot de vereenigde zitting der Staten Generaal zonder aan de Eerste Kamer afzonderlijk toebedeeld te zijn. (art. 112 en 95)
Verkiesbaar voor de gemeenteraden en voor de provinciale Staten waren dezelfden als voor de Tweede Kamer. (art. 127 en 143)
De gewone wetgever ontving grootere vrijheid om nuttige maatregelen te nemen voor de nationale defensie. (art. 181)
Zoo waren de voornaamste herzieningen in de nieuwe grondwet, die door middel van elf wetten voor herziening daarin gekomen waren den 6en November 1887. Additioneele artikelen bepaalden de kiesdistricten, waarvan 79 enkelvoudig en 5 meervoudig waren. Zij stelden tevens een overgangsbepaling van het kiesrecht vast, vooreerst nog een census aangevende, maar met een verlaging tot op de helft.
Zoodoende werd het aantal kiezers verdubbeld. Op een bevolking van vier en een half millioen inwoners werd dit van 138.000 op 290.000 gebracht. Het politieke leven schoot wortel in den minderen stand, waartoe een voornaam deel der bevolking behoorde. Dat was het onmiddellijk gewichtige resultaat van de grondwetsherziening. Toch was het nog verre van het algemeen kiesrecht, dat de radicalen, de Socialisten en de leden van den «Nederlandschen Bond van Algemeen Kies- en Stemrecht» eischen.
II.
_De eerste triomf van de Christelijke Coalitie.--Het ministerie Mackay.--De Pacificatie-wet._
Dadelijk begonnen de partijen zich te weren voor de algemeene verkiezingen van het volgende jaar. Het kwam er nu maar op aan om het grootst-mogelijk aantal nieuwe kiezers zoo spoedig mogelijk voor zich te veroveren, ten einde zoo de macht in handen te krijgen. Dat was het doel van de politieke vereenigingen.
Reeds na de nederlaag van 1884 hadden de Liberalen begrepen, dat hun inwendige verdeeldheid een begin van zwakheid, onmacht en ondergang voor hen zou zijn. Zij hadden bemerkt, dat hun partij op weg naar de ontbinding was; en om daar een eind aan te maken hadden zij een Liberale Unie in 't leven geroepen teneinde, zoo zij zeiden, den politieken invloed van de confessioneele partijen tegen te gaan, en de toepassing der liberale beginselen te verzekeren. De Liberale Unie had voor het oogenblik de verspreide troepen vereenigd en had krachtig gewerkt om tot de grondwetsherziening te geraken.
De Liberalen waren op het gebied van vereeniging reeds voorgegaan door de Antirevolutionaire partij, die in 1879 uit de handen van haar leider, Dr. Kuyper, een volledige organisatie en een nauwkeurig-belijnd program had ontvangen.
Alleen deze twee partijen waren goed georganiseerd, en het oogenblik was dus gekomen tot een proef van hunne kracht.
Bovendien was Dr. Kuyper meer en meer de Roomschen genaderd. Doch hunne samenwerking bij de verkiezingen was niet zonder horten en stooten.
De Roomschen beklaagden zich menigmaal over de strakheid van de orthodoxe Calvinisten, die zonder ophouden spraken alsof het land hun onvervreemdbaar goed was en die hunne medewerkers beschouwden met een wantrouwend en minachtend oog. Vooroordeelen, onbillijkheden, handelingen van een twijfelachtig wederkeerig vertrouwen kwamen bij oogenblikken op en al de welwillendheid van de leiders was noodig om deze verdrietelijkheden weg te nemen, zoo goed en zoo kwaad als het ging.
Niettemin waren de verbonden partijen in de Tweede Kamer eensgezind genoeg om een sterke oppositie te vormen. Zij waren er zelfs toe gekomen om alle nieuwe credieten aan de regeering te weigeren, indien hun op het stuk van onderwijs geen voldoening werd gegeven. «Geen herstel van grieven, dan ook geen nieuw crediet», zoo was hun onveranderlijke leus.
Bij de nadering der verkiezingen achtten de verbonden partijen den tijd nog niet gekomen om de geheime overeenkomst, die bij hunne actie vooropstond, openbaar te maken. Het volk was naar hun meening nog niet rijp voor zulk een mededeeling en niets was gemakkelijker dan een krachtige samenwerking zonder openbaar verbond. Het was voldoende voor iedere partij om eigen candidaten te stellen en in geval van herstemming hare stemmen op den bevrienden candidaat, die den meesten kans van slagen had, uit te brengen.
Zoo gewapend tot den strijd wachtte men de verkiezingen af. Roomschen en Antirevolutionairen werkten ieder afzonderlijk, maar zij hadden afgesproken, dat men bij herstemming de krachten zou samentrekken. Het punt van uitgang, door hen gekozen, was de schoolkwestie, die sedert dertig jaar het eerste artikel in hun beider program uitmaakte.
Op dezen grondslag begon de verkiezingsstrijd met kracht. Hij eindigde met de overwinning der verbondenen, in zekere streken begunstigd door Radicalen en op enkele plaatsen door de Socialisten.
In de nieuwe Kamer telde de Liberale partij 45 zetels, het »monsterverbond" verkreeg 53, waarvan de Antirevolutionairen 27 en de Roomschen 26 zetels. Een Conservatief, graaf Schimmelpenninck, vertegenwoordigde er de onveranderlijke traditie, en het Socialisme verscheen er voor het eerst in den persoon van Domela Nieuwenhuis, afgevaardigde van Schoterland.
Het was een schoon succes, een resultaat van dertig jaren harden strijd. Voor het eerst genoten de aan het Liberalisme tegenovergestelde beginselen de gunst van het volk. De lange bijna nooit onderbroken tijd van de Liberale ministeries of van een zakenkabinet in Liberalen geest was geëindigd. Een Christelijke politiek deed hare intrede in Nederland.
De gebeurtenis was van het grootste gewicht en ieder wachtte met groote nieuwsgierigheid en eenige vrees af, wat de gevolgen voor het land zouden zijn van een politiek, lijnrecht tegenovergesteld aan die, welke men sedert veertig jaren gevolgd had.
De algemeene verwachting werd niet beschaamd. Daags na de verkiezingen ontving baron Mackay de opdracht een ministerie samen te stellen. Als man van groot aanzien en onbetwiste waarde, had hij door zijne gematigdheid en hoffelijkheid de sympathie zelfs van zijne tegenstanders weten te winnen. Hij omringde zich met medewerkers, wie bekwaamheid bekend was. Het meerendeel behoorde tot de Antirevolutionaire partij, twee Roomschen ontvingen er belangrijke portefeuilles in, namelijk de heer Ruys van Beerenbrouck die van Justitie, en generaal Bergansius die van Oorlog.
Daar het nieuwe ministerie door de schoolkwestie op het kussen was gekomen, deed het ook zooveel mogelijk om haar ten einde te brengen. In het regeeringsprogram, hetwelk talrijke hervormingen aankondigde, verklaarde het zich over dat punt op duidelijke wijze: »Het resultaat der verkiezingen", zeide het, »doet ons het vurig verlangen des lands kennen naar hetgeen volgens de regeling van het onderwijs is voorgeschreven, dat er rekening gehouden wordt met de Christelijke overtuigingen des volks. Daarom zal de regeering, het openbare onderwijs als het voorwerp van haar bizondere zorg beschouwend, met inachtneming van de grenzen door de grondwet gesteld, zooveel mogelijk de beletselen opruimen, die totnutoe de ontwikkeling van het bijzonder onderwijs tegenstaan".
Om de bedoeling van deze verklaring te begrijpen, moet men zich de wanhopige pogingen herinneren, die de Christelijke partijen hadden gedaan bij de behandeling van de grondwetsherziening om een wijziging van artikel 194 te verkrijgen, dat men als hinderpaal beschouwde voor elke begunstiging en hulp van den Staat voor het bizonder onderwijs. Hun pogingen mislukten: artikel 194 bleef als artikel 192 in de nieuwe grondwet onveranderd. In den loop van de bespreking hadden echter de Liberalen zich laten ontglippen, dat aan dit wetsartikel tot dusver een verkeerde uitlegging was gegeven en dat, wanneer men het letterlijk opvatte, het niet verbood, dat de staat zich met het vrije onderwijs bezighield, ja zelfs dat dit onderwijs een godsdienstigen tint aannam. Professor Buys had deze nieuwe verklaring der wet ondersteund en zijn boek; »Toelichting en kritiek van de Grondwet", gaf hieraan eenig gezag.
Daarom sprak baron Mackay niet meer van wijziging van het grondwetsartikel, maar van de hervorming van onderwijs, totstand te brengen binnen de vastgestelde perken van de grondwet.
Dadelijk begaf hij zich aan den arbeid en stelde weldra een ontwerp voor ter herziening van de wet van 17 Augustus 1878. Het was een gematigd ontwerp, en vele Liberalen erkenden, dat het in den grond der zaak niet meer dan billijk was.
Deze beide hoedanigheden, gematigdheid en billijkheid, waren buitendien noodzakelijk om te kunnen slagen. Want de Eerste Kamer behield een enorme meerderheid van Liberalen, die er 36 zetels hadden tegen 10 van de Roomschen, 2 Antirevolutionairen en 2 Conservatieven, en deze oppositie kon dus altijd de wet nog doen mislukken. Elk conflict zou haar noodlottig geweest zijn. Maar de Liberalen gevoelden, dat het volk naar bevrediging verlangde, in de oplossing van de schoolkwestie bestaande, en men maakte er geen gebruik van behalve in kleine bizondere punten.
Na lange levendige bespreking werd het ontwerp-Mackay aangenomen in de Tweede Kamer op den 2en September 1889 met 71 tegen 27 stemmen. Bij de stemmen van rechts hadden zich 17 Liberalen gevoegd.
Men zou een oogenblik hebben kunnen vreezen, dat de Eerste Kamer niet denzelfden weg zou volgen en dat destemeer, omdat vele petities van zekere groepen en bonden door haar waren ontvangen, die haar aanraadden het ontwerp te verwerpen. IJdele vrees echter, want de wind van bevrediging, die er nu eenmaal woei, nam de laatste bezwaren weg van de Liberale meerderheid en den 5en December 1889 werd het ontwerp ook daar aangenomen met 31 tegen 18 stemmen. Alleen de onverzettelijken hadden niet gewild.
Den 8en December d.a.v. werd de wet afgekondigd en zij ontving in de geschiedenis den naam van de wet van pacificatie, die zij tegelijk draagt met die van de wet-Mackay.
Zij schonk eindelijk dan voldoening aan de wenschen van Roomschen en Antirevolutionaren; want zij bezegelde het beginsel van gelijkheid van openbaar en bizonder onderwijs voor de wet. De openbare scholen bleven neutraal, maar de staat ontving bovendien de vrijheid vrije scholen te ondersteunen, zonder dat deze neutraal behoefden te zijn.
De rechten der ouders werden beter geëerbiedigd. In het voorschrift van den bouw der bizondere scholen werd wat toegegeven; het beginsel van schoolgeldheffing werd ook op de openbare scholen toegepast, de omslag van de noodzakelijke kosten voor het onderwijs werd gewijzigd.
In den grond der zaak bracht de wet belangrijke verandering in de onderwijswetgeving aan, zij maakte een einde aan het monopolie, dat vooral sedert 1878 het openbare onderwijs begunstigde. Een nieuw en volstrekt tegenovergesteld beginsel kwam in de wetgeving; het recht namelijk van de huisvaders tegenover het recht van den Staat, welk laatste streng en buitensporig was in de meeste moderne wetgevingen.
* * * * *
Terzelfder tijd, dat de hervorming van het onderwijs, het groote werk van het ministerie Mackay, bekrachtigd werd, deed zich een gebeurtenis voor, die gedurende eenige maanden Nederland in angstige spanning bracht, namelijk de ziekte en de dood van Willem III. Sedert langen tijd door een chronische ziekte aangetast, werd zijn toestand zoo verergerd, dat het bij zijn leven zelfs noodig was een regentschap in te stellen en dit aan koningin Emma, zijn tweede echtgenoote, op te dragen. Eenige dagen later, op den 23en November 1890, stierf hij in den ouderdom van drie en zeventig jaren, na een regeering van een en veertig jaren opgevolgd door zijn tienjarige dochter Wilhelmina onder regentschap der koningin-weduwe.
III.
_De crisis van de Christelijke Coalitie.--Hervorming van het kiesrecht._
Dadelijk na de aanneming van de pacificatiewet, waren de moeilijkheden voor het kabinet-Mackay begonnen. Het voornaamste punt van zijn regeeringsprogram was uitgevoerd, maar over de verdere zaken wisten de verbonden partijen elkander niet meer te verstaan. Nadat het kabinet aan het land de eerste sociale hervorming gegeven had, namelijk matiging van den te zwaren arbeid van vrouwen en kinderen, had het een wijziging van de militaire wet voorgesteld. Opheffing van het remplaçantenstelsel, persoonlijke dienstplicht, langere diensttijd en een grooter jaarlijksch contingent, dat waren de voornaamste lijnen van het wetsvoorstel van generaal Bergansius. De Roomschen waren tegen den aangroei der militaire sterkte en persoonlijken dienstplicht, hetgeen daarentegen de Antirevolutionairen vroegen.
De overeenstemming was verbroken. Elke poging om het gevaar weg te nemen, ten minste tot na de verkiezingen van 1891, mislukte en de verdeeldheid der bondgenooten werd in den loop van de langdurige bespreking van dit ontwerp gezien, dewelke nog niet was geëindigd toen de tijd van een nieuwe verkiezings-campagne begon.
* * * * *
De overwinning was voor de Christelijke partijen noodlottig geweest. Zij was wel dienstig geweest voor de verwezenlijking van het voornaamste doel, waarvoor de vereeniging was tot stand gebracht, maar momenteel niettemin bleef er, toen de schoolkwestie aanvankelijk geregeld was, geen ander artikel meer over op het gezamenlijk program. De oppositie van de Roomschen tegen het legerwetsontwerp, de slagen die men elkander bij deze gelegenheid had toegebracht, de vijandschap van sommigen, de weerzin van anderen, dat alles openbaarde zich spoedig in een heftige campagne tegen het »monsterverbond", zijne leiders en hunne volgelingen. Men begon te spreken over de noodzakelijkheid van echtscheiding door de onverdraaglijkheid van humeur, en, zooals het in een twistzieke huishouding gaat, werden de krenkingen en het misverstand talrijker, zoodat men noodzakelijk wel tot scheiding moest komen. Zoowel aan deze als aan gene zijde, schreef Dr. Schaepman, bij de Antirevolutionaren als bij de Roomschen, hier minder, daar meer, alles werd gedaan en niets werd nagelaten wat noodig was om de samenwerking weg te nemen en eene scheiding en definitieve splitsing te veroorzaken.
Zeker, de Antirevolutionairen waren Antiliberaal, maar in de gegeven omstandigheden herinnerden zij zich, wat de schoolstrijd hen uit het oog had doen verliezen, dat zij vóór alles protestantsche Calvinisten waren en bijgevolg antiroomsch. Het antipapisme werd opgewekt en de oude vijandschap aangewakkerd door het vuur der discussies in het hart van deze afstammelingen der Geuzen.
Tevergeefs trachtte Dr. Kuyper, die verder zag, de woede te kalmeeren en voor het minst te vermijden dat de breuk onherstelbaar werd; zijne volgelingen gaven hierin geen gehoor.