De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 14
Bijna overal hebben evenwel menschen van grooten geest, met uitnemende plannen bezield, gemeend dezen onvermijdelijken strijd binnen de grenzen te houden en hem door een rechtvaardige neutraliteit te kunnen beletten het politiek terrein binnen te dringen. Ze zijn van gedachte geweest de godsdienstkwestie uit de staatsregeering te kunnen verbannen, door de oogen er voor te sluiten; door ze niet in het aangezicht te zien. Zij hebben den verkeerden weg gevolgd en hun bekwame taktiek heeft het onverwachte gevolg gehad van hunne leeringen een onverstelbaar en verschrikkelijk verlies te bezorgen. Gelijk de heer S. Van Houten gaarne erkende, »de ijdele gedachte, dat deze gisting buiten het politieke kamp kon blijven of omgekeerd, dat de staatkunde buiten den invloed van deze gisting kon worden gezet, heeft zich reeds opgelost."
De overtuiging met betrekking tot het leven in 't algemeen en tot zijn eigen leven is voor iedereen, geloovige of ongeloovige, de regel van het gedrag en terzelfder tijd de grond van de vereischten, die hij voor zich en voor anderen aan het denkbeeld van staat en maatschappij verbindt.
Bij dezen strijd van wezenlijk-bestaande begrippen, komen de andere kwesties op den achtergrond. De bestrijding van het Conservatisme door de progressisten was slechts een geschil over de aanpassing der beginselen aan de veranderende omstandigheden van het leven; zij raken de beginselen zelve niet en zij kunnen dikwijls teruggeleid worden tot eene kwestie van meer of minder.
Zelfs de klassestrijd is, om zoo te zeggen slechts een toevoegsel, de doortrekking van het antagonisme der verschillende begrippen van het menschelijke leven en van de bestemming der wereld gaat verder en dieper. Zij is de logische gevolgtrekking van de moderne opvatting en streeft in het kort naar de verwezenlijking in de praktijk voor den staat van het theoretisch atheisme.
Eigenaardig verschijnsel: het aandeel, dat een steeds aangroeiend aantal burgers aan de politiek neemt, is niet geschikt om deze antithese te verzwakken, maar maakt haar gevoeliger, dieper en onvermijdelijker. Professor Buys kenschetste in 1869 deze bijzonderheid op duidelijke wijze: »Dat men", zoo schrijft hij, »tot eene in zeker opzicht belangrijke en algemeene uitbreiding van kiesrecht komt, dat kan den tweestrijd slechts scherper en zwaarder maken, inplaats van hem te verminderen; want het is noodig dat de Conservatieven het goed weten dat naarmate men dieper in het volk graaft, men naar dezelfde mate de oorspronkelijke, dat is te zeggen absolute, eenvoudige beginselen aan allen overgang vreemd, terrein ziet winnen en die onbepaalde kleur, die, op de oppervlakte verspreid, voor de conservatieve oogen zulk een bekoring heeft, ziet verdwijnen."
De schoolstrijd, dat wil zeggen, de strijd voor de opvoeding en vorming der jeugd heeft de godsdienstkwestie in de volksdroomen ingebracht, maar hij is slechts een van de vormen van het conflict, hetgeen professor Buys noemde een kenteeken van het conflict, dat de antithese ons doet gevoelen, haar uit de theoretische denkkring voert, maar met hare oplossing het einde van den strijd der beginselen niet medebrengt. Zelfs wanneer men de schoolkwestie onderstelt opgelost te zijn, dan is daarmede de antithese niet verdwenen, ze slaat dan over op een ander terrein en de strijd wordt met nieuwe scherpte hervat, totdat een van de beide begrippen van het leven de volkomen overwinning behaald heeft.
Tot dien tijd zijn alle maatregelen en elke bekwaamheid ijdel; zij kunnen tijdelijk een uitweg aanbrengen, de logische ontplooiing der beginselen voor een oogenblik beletten, maar als de kunstmatige hindernis uit den weg geruimd is, dan ontbrandt de strijd des te heviger. Volstrekt denkbeeldig is de scheiding van kerk en staat, die naar het zeggen van sommigen het vraagstuk op gelukkige wijze zou oplossen, door aan de tegenstanders een grens aan te geven, dewelke verboden was over te gaan, en door hen onderwijl tot de erkenning te brengen, dat de politiek neutraal terrein is. Buys tenminste aarzelt niet om het te erkennen: »De wet", zegt hij, »mag kerk en staat van elkander scheiden, die beide blijven nauwer dan ooit vereenigd in de ziel van het volk."
Deze verschillende gegevens hebben in Nederland van de godsdienstkwestie de leidende gedachte gemaakt van de verbonden en in zeker opzicht de scheidingslijn van de politieke wateren. Zij is het, die het aanzien heeft gegeven aan de beide groote stroomingen, die sedert ongeveer dertig jaren links en rechts de handeling der partijen met zich medebrengt. Door haar werden de Roomschen en geloovige Protestanten, de Antirevolutionairen of ultra-calvinisten, zooals men hen noemt, tot de noodzakelijkheid gedwongen, om hunne krachten te vereenigen ten einde het aan alle Christenen gemeenschappelijk goed te verdedigen. Zij zagen, dat de strijd niet meer, zooals in de zeventiende eeuw, ging tusschen het Roomsche Katholicisme en het Protestantisme, maar dat hij gevoerd werd tusschen den godsdienst en de godloochening. Meegesleept door de omstandigheden om op hetzelfde terrein en voor dezelfde beginselen te strijden, ontdekten zij, dat onder de verscheidenheid van neigingen en programmen zich een algemeene grondslag bevond, het erfgoed van den Christus, de voorschriften van het Evangelie en van de Christelijke moraal. Dit is hetgeen Dr. Schaepman aan de eene zijde en Dr. Kuyper aan de andere zijde, twee mannen, die grooten invloed hebben uitgeoefend van groot belang op de toekomst van hunne partij, steeds zonder ophouden hebben geleerd. Door hun volhardende onvermoeibare actie gelukte het hun, hunne medeburgers van het gevoel der noodzakelijkheid te doordringen om de vroegere vijandschap weg te doen en in een gemeenschappelijke overeenkomst de stammen van eenzelfden wortel, de takken, uit eenzelfden stam voortkomende, te omvatten. Zij hadden veel te doen om de vooroordeelen weg te nemen, de stille vijandschap dateerende uit den voorvaderlijken tijd, het wantrouwen bij den een, de onbuigzame stijfheid bij den ander, een geheel van overleveringen en vooroordeelen, die in de praktijk het gelukken van de gedachte eenheid verhinderden. Maar toen de overeenstemming over de wezenlijke beginselen eenmaal maar was vastgesteld, was de eenheid beklonken in een meer of minder nabijzijnde toekomst. Het was nu meer een kwestie van tijd en van gelegenheid.
Zeker, waar het verbond zoo was gesticht, daar had dit het verschil van programmen niet doen verdwijnen noch de partijen van hun bijzonder karakter beroofd. Zij, die zich er over verwonderen, en die er reden aan ontleenen om het punt van uitgang van de overeenkomst voor valsch te verklaren, vergeten dat, waar zij dezelfde beginselen bezitten, dit in geenen deele verhindert dat er verschil kan bestaan over de manier van toepassing. Nog sterker: het is onmogelijk, dat in het werk van iederen dag er zonder ophouden onder hen, die de fouten van de maatschappelijke organisatie erkennen, gelijkheid van gevoelens zou wezen over de middelen ter genezing.
Bovendien moet men niet uit het oog verliezen, dat de Hervorming een einde gemaakt heeft aan de zedelijke eenheid van Nederland en dat zelfs in de politiek dit feit gewichtige gevolgen heeft. Daarom is er nooit sprake van geweest, om één Christelijke partij op te richten, die waarschijnlijk onmogelijk en zeker ongelukkig zou zijn, maar eenvoudig een verbond van verscheidene partijen te vormen, die zichzelf blijven, hun eigen karakter en organisatie bewaren en zich vereenigen voor een bepaald doel, dat kan worden samengevat in deze woorden: de herstelling van de wetgeving des lands op christelijken grondslag en van ons volksleven.
Een verbond van dat soort heeft niets wanstaltigs, want het rust op de gemeenschap van grondbeginselen, en het beantwoordt aan den regel der politieke groepeeringen, zooals de heer Van Houten zelf het in 1893 uitsprak. Men moet niet uit het oog verliezen, dat er geen reden van afscheiding is dan daar, waar het doel verschilt.
Onder de hedendaagsche omstandigheden is er geen ander dan een vereeniging uit beginsel. Sommigen spreken wel sedert eenigen tijd van partijverwarring, gevolgd door een nieuwe, gezonde, redelijke rangschikking, die tot grondslag en voor resultaat zou hebben de Conservatieven aan de rechterzijde en de vooruitstrevenden aan de linkerzijde van de regeeringstafel in de Tweede Kamer te plaatsen.
Op welke grondbeginselen zou deze nieuwe rangschikking gegrond zijn? Men kan ze niet ontdekken, want het eenige gestelde vraagstuk zou ten slotte slechts zijn een kwestie van gelegenheid, van neiging, of van geaardheid, vereenigende voor een meer of minder langen tijd menschen, komende van alle punten van den horizon.
Toch is dat de eenige oplossing, waar men toe komt, indien men vooropstelt dat de godsdienstkwestie in theorie en in de praktijk vreemd is aan de politiek en dat deze bij wijze van consequentie niet meer is dan een handigheid of een uitweg. Maar wie zou dit nog durven beweren in den hedendaagschen tijd?
Daartegenover, indien men voor waar houdt, dat de politiek is een wetenschap en een kunst, die zich gronden op beginselen, en dat schijnt onwedersprekelijk, waar is meer dwaasheid, meer onredelijkheid bij eene vereeniging, die tegelijk conservatieven en vooruitstrevenden van eene zelfde overtuiging omvat, of bij eene vermenging van menschen alleen conservatief of uitsluitend vooruitstrevend, partijen van verschillende beginselen die tegenovergestelde oogmerken op het oog hebben?
Men vergeet te zeer de groote wet van de historie. De instellingen zijn niet duurzaam, tenzij zij in het verleden geworteld zijn. Evenzoo vorderen de natuur en de menschelijke maatschappij niet met sprongen, met slagen, maar door regelmatige ontwikkeling; dat is te zeggen, dat zij op verstandige wijze vooruitgaan.
Indien de geavanceerden van alle partijen er toe geraken om de moeilijkheid van zich op een gemeenschappelijk program te verstaan, te overwinnen en dank zij de samenwerking, zij de macht in handen kregen, zou er dan geen reden zijn om te vreezen, dat de al te haastige hervormingen, te weinig gematigd, aangebracht worden op te onnatuurlijke wijze en met te grooten haast? Welnu slechts welingerichte hervormingen zijn duurzaam en slechts duurzame hervormingen zijn gunstig voor de algemeene welvaart.
Daar, waar het conservatieve element fout gaat, ontbreekt een regelaar, noodzakelijk voor den goeden gang der maatschappij. Ziedaar de rol, die het wel-begrepen conservatisme heeft te spelen tegenover jongere beginselen, welke hun loop willen verhaasten met de onstuimigheid aan jeugdige overtuigingen eigen, en met een vervoering van jeugdig vuur.
Indien het conservatisme deze rol vervult, zal het gelukken, dat de vernieuwing zich beter zal aanpassen aan het voorafgaande, dat zij er de regelmatige ontwikkeling van zal zijn.
Het is dus wenschelijk dat er tegelijkertijd conservatieven en vooruitstrevenden in dezelfde groep zijn. Want hunne pogingen zijn gewoonlijk noodzakelijk voor de toepassing der beginselen aan de wezenlijk levende en samengestelde feiten van het leven.
Maar, opdat het zoo zij, moeten de conservatieven zich niet opsluiten in blinde en onverzettelijke verachting en moet de teugel, dien zij gewoonlijk bij een al te snellen gang gebruiken, niet zonder ophouden belemmerend werken om zoo elke beweging te verhinderen.
Dan, wanneer de conservatieve fractie van eene partij of een verbond feitelijk de algemeene actie tot volledige onmacht terugleidt, dan alleen zou het verstandig kunnen zijn het terrein der beginselen te verlaten om een ander minder-sterke positie, steeds van lageren rang, aangewezen door de omstandigheden, op te zoeken, omdat op het program, dat men met de hulp van meer of minder geschikte bouwstoffen zou kunnen opstellen, altijd de ziel er aan zou ontbreken, die de eenheid en het leven aan er geeft.
* * * * *
Overigens, door nog van hoogere zijde de zaken te bezien, bemerkt men, dat het verbond der geloovigen, inplaats van onredelijk te zijn, aan een zeer gezonde opvatting van de plaats, die de staat in de moderne maatschappij heeft in te nemen, beantwoordt.
Indien het waar is dat God bestaat, heeft de staat niet het recht zich te gedragen alsof Hij niet bestond; hij kan dan officieel het atheïsme niet belijden. Indien hij bij geval deze houding aannam, zou hij zichzelven veroordeelen tot de anarchie, die elke maatschappij afbreekt.
Waarlijk, de voor de sociale orde noodzakelijke macht, die wezenlijk eenig recht bezit, n.l. het recht van bevelen, vindt haar eenigen waren grond in God.
Deze macht is niet onwettig: zij bestaat in evenredigheid met het doel van den staat; zij is gegeven voor het algemeen welzijn. Daaruit volgt dat de staat niet zou mogen opleggen wat volstrekt kwaad is; want hij zou het zedelijk kwaad niet kunnen aanwenden tot het welzijn van allen.
De staat moet derhalve onderscheid maken tusschen goed en kwaad. Daarvoor is een criterium noodig, een leer, een moraal. Waar zal men ze vinden? Tenminste indien hij niet in de lucht wil bouwen, zal hij ze zoeken in den godsdienst. Er is geen ware moraal zonder godsdienst, men kan nog verder gaan en zeggen: zonder Christelijken godsdienst, want die is de meest-vaste en zuiverste moraal, de beste wijsbegeerte, de eenvoudigste en tevens diepst-gaande wetenschap.
De staat mag zich niet ontslagen denken van den godsdienst, God mag niet vreemd blijven aan de staatkunde, omdat de staat voor de menschen is ingesteld en de politiek, die de kunst is om de maatschappij te regeeren, voor hen van het hoogste belang is.
Moet men daaruit besluiten, dat de staat officieel een godsdienst moet belijden en dat de godsdienst, dien hij belijdt, de eenige ware is? Moet hij dezen beschermen en er een soort van wereldlijken arm van worden?
Een ernstige en moeilijke kwestie voorwaar, waarbij men tegelijk moet vermijden om naar het verleden de verhoudingen van den tegenwoordigen tijd in te richten, en in den tegenwoordigen tijd weder de zaken van den verleden tijd in te brengen.
Een feit moet vooral niet uit het oog verloren worden, dat in zekere landen de Hervorming, in andere de Fransche Revolutie, de eenheid van godsdienst en moraal verbroken heeft. Een diepgaand verschil is er ingekomen en men is niet meer eenstemmig in de beantwoording van de vraag, wat dan waarheid is; en het verschil van geloof brengt mee een noodzakelijke groote verdraagzaamheid, het eenige middel om onder de burgers orde en vrede te bewaren, die onmisbaar zijn voor het algemeen welzijn.
Uit deze voorname zaak volgt, dat in het meerendeel der hedendaagsche volken de staat geen partij mag trekken vóór of tegen een bijzonderen godsdienst, diens zaak aan zijn eigen zaak niet officieel mag verbinden, maar zich moet beperken tot de taak, dat de vrijheid van alle deze verzekerd wordt.
Dat wil niet zeggen, dat de staat verplicht is tot onzijdigheid. Wanneer hij deze valsche houding aanneemt, dewelke slechts een bedekte loochening is, bedriegt hij zichzelven. Want indien hij al niet onder de verschillende godsdiensten bepalen mag, wat de eenige ware is, moet hij toch den godsdienst, het godsdienstig gevoelen, beschermen, zoo hij niet zijn eigen verderf wil najagen.
Evenzeer als de wetgever, om zijn wetboek op te stellen, zijne keuze moet doen uit tegenover elkander staande denkwijzen en degenen straft, die de instellingen, welke hij heeft bekrachtigd, trachten te ondermijnen, evenzeer heeft de staat zich ten gunste van de godsdiensten uit te spreken, indien hij zich niet wil leenen tot het bevorderen van zijn eigen val.
Het staatsatheïsme en practisch materialisme, dat eruit tevoorschijn komt, zijn de verdervers van de orde in de maatschappij. Zij vermogen geen moraal of orde te scheppen. Door de loochening van God en van plicht, verdienste en onsterflijkheid, die er uit voortkomen, sturen zij recht op de anarchie aan.
Waar is het, dat weinig materialisten tot aan het einde toe hun stelsel durven doortrekken. Er zijn zekere grenzen, die ze in de praktijk vreezen over te trekken, en bijna allen stemmen nog in meerdere of mindere mate in een wetgeving, en in een maatschappelijke organisatie voor de maatschappij waarin zij leven, terwijl hun stelsel hen logisch tot de opheffing daarvan zou brengen. Maar deze grenzen gaan iederen dag meer en meer terug door den onwederstaanbaren druk van de beginselen. De grondbegrippen van de maatschappij zijn reeds langzamerhand ondermijnd door dien allengs sterker wordenden golf van Godloochening. Eertijds zeide men, dat de godsdienst, het eigendomsrecht en het gezin den grondslag vormden van de maatschappij. De materialistische strooming heeft bijna overal den eerste weggevoerd en daardoor zullen de beide anderen van hun steun beroofd, op hun beurt wegzinken.
Daarom hebben zich de geloovigen uit verschillende partijen, Roomschen en Protestanten, vereenigd rondom de Christelijke moraal, die haar middelpunt in den persoon van Christus heeft en hare ontplooiing in zijn onderwijs. Zij zijn van oordeel, dat deze leer, ondanks alle bestrijding nog in wezen altijd even krachtig en jong, temidden van de ruïnen, die zich ophoopen zoover het oog reikt, de eenige krachtige schutsmuur is tegen het steeds sterker wordende atheisme; de eenige grondslag, die de vastheid der maatschappij kan verzekeren en groote rampen kan voorkomen.
DERDE HOOFDSTUK.
Twintig jaren van strijd.
I.
_De grondwetsherziening._
De Liberalen hadden zich vereenigd rondom de wet van 1878. Alle pogingen waren er op gericht om een beslissende overwinning te behalen.
Maar toen de overwinning eens was verkregen, kwam des te grootere wanorde en oneenigheid in het liberale kamp. Kappeyne sleepte in zijn gevolg een deel van de Liberalen mede naar een radicalisme, dat met den dag zich scherper belijnde; terwijl Gleichman, zoo goed of kwaad als het ging de achterblijvers verzamelde, die deze evolutie teleurstelde en verschrikte. Geen van de beide deelen had een program en op alle andere kwesties dan die der Schoolwet, dewelke de Liberalen voor afgedaan en onveranderlijk hielden, was groote verwarring van begrippen.
En deze tweedracht sloeg over op het ministerie. De eerste minister Kappeyne in overleg met Tak van Poortvliet eischte grondwetsherziening en in 't bizonder, uitbreiding van kiesrecht; de minister van financiën Gleichman en verscheidenen zijner collega's oordeelden deze tenminste nu niet aan de orde. Dit verschil van gevoelen was voor het ministerie Kappeyne noodlottig. Het viel weldra tengevolge van inwendige geschillen, waarmede in onmacht een tijd van een-en-twintig maanden afgesloten werd, die begonnen was met de krachtige voorbereiding en spoedige aanneming van een schoolwet, welke blijken zou te zijn de zwanenzang van de liberale macht.
Een ministerie Van Lijnden trad thans op; een ministerie, tweeslachtig, noch liberaal noch conservatief in den gewonen zin van het woord, liever een politiek voerende van gematigd liberalisme, dat zich in de regeering handhaafde tengevolge van de verschillen der liberale partij en dat in de oogen van de anti-liberalen een zakenkabinet was.
Toen het zich terugtrok, poogden de Liberalen zelf het bestuur en de regeering in handen te nemen. Koning Willem III benoemde Tak van Poortvliet om een nieuw ministerie samen te stellen, maar deze staatsman, radikaal in zijn gedachten en handelingen, stelde als voorwaarde de belofte, dat de koning het initiatief van een grondwetsherziening zou nemen. De koning weigerde en men had het bijzonder geval, dat afgetreden ministers na vier maanden crisis hunne portefeuilles wederom opnamen om ze weldra opnieuw over te geven ter wille van uitbreiding van kiesrecht.
Bij dezen tweeden val van het ministerie wendden de Liberalen nieuwe pogingen aan, eveneens onvruchtbaar. De innerlijke verdeeldheid was zoo sterk, dat de verschillende deelen niet tot overeenstemming konden komen. Deze keer had de koning, die weigerde onder het Caudynsche juk van de Radikalen door te gaan, zich tot de gematigden gericht. Verscheidene malen hadden Van Rees en Gleichman beproefd een liberale combinatie te vormen. Maar zij hadden treurig gefaald.
Den strijd moede keerde zich Willem III tot den man, die de toevlucht in menigen wanhopenden toestand voor de regeering was geweest, Heemskerk, wiens groote hoedanigheden en bekwaamheid de gevaarlijke hinderpalen overwonnen. Deze waarlijk buitengewone staatsman regeerde op wonderbare wijze zonder flinke meerderheid in de Kamer en behield het gezag ondanks de wisselingen van de meerderheid, ondanks zelfs de wijzigingen in zijn eigen ministerie. Hij aarzelde niet de Kamer te ontbinden, wanneer hij een hardnekkige oppositie wilde verbreken, en zonder vastgesteld program slaagde hij er in zijne regeering langdurig en vruchtbaar te doen zijn.
Zijn derde ministerie duurde vijf jaren en verkreeg het record van duurzaamheid in Nederland. Evenwel zag het twee verwisselingen van de meerderheid in de Tweede Kamer en een ongewone opvolging van ministers: vier van Marine, twee voor Buitenlandsche zaken, twee voor Financiën, twee voor Koloniën en twee voor Waterstaat.
Temidden van deze wijzigingen bleef de eerste minister onbewegelijk en behield de teugels met vaste handen. Ondanks alle moeilijkheden, bracht hij hervormingen aan.
* * * * *
Op het oogenblik, dat Mr. Heemskerk opnieuw aan de regeering kwam, was de kwestie van grondwetsherziening gesteld. Het was onmogelijk zich er van te bevrijden. Het bleek meer en meer, dat de grondwet van 1848 in vele punten niet meer aan de behoeften van den tijd beantwoordde. Zij bevatte veel bedenkelijks en gebreken, voornamelijk vele beslissingen, die uit de nieuwe grondwet moesten genomen worden en in een afzonderlijke, gemakkelijk te wijzigen wet moesten worden opgenomen. Vóór alles verweet men haar, dat zij het kiesrecht voor de benoeming van de leden van verschillende hooge colleges verbond aan een bepaalden aanslag in 's rijks belastingen. Het opkomen van den vierden stand tengevolge van verbeterd onderwijs en toenemende welvaart, was oorzaak, dat van verschillende zijden stemmen oprezen voor algemeen kiesrecht. De democratische stroom, die in andere landen uitbreiding van kiesrecht medebracht, begon zich met kracht te doen gevoelen; hij dreigde de perken van de grondwet over te gaan; men moest de bedding verruimen, indien men niet wilde dat de stijgende vloed buiten zijn oevers trad en de vlakte overstroomde.
Minister Heemskerk begreep het en hij spande zich voor deze taak in, na de goedkeuring van den koning verkregen te hebben, wien het bevorderen van nieuwe ideeën niet behaagde.
Toch was deze beweging voor Grondwetsherziening niet diep doorgedrongen in het volk, dat zich meer onverschillig toonde. De hervorming was vooral gewild door de Liberalen, en ofschoon zij zeer verdeeld waren over de wijze van behandeling, trachtten zij toch niettemin het volk van de noodzakelijkheid te overtuigen.
Tegenover de Liberalen hadden de Roomschen en Antirevolutionairen op dit punt een speciale taktiek. Zij stonden niet vijandig tegenover deze herziening, integendeel, velen onder hen, vooral bij de Antirevolutionairen keurden haar goed, maar zij maakten haar ondergeschikt aan de herziening der schoolwetten, die voor hen het voorwerp bleef, waartoe ze sedert 1878 bijzonderlijk alle krachten inspanden. Dat men beginne met herziening van artikel 194 van de grondwet en met de toestemming van gelijkheid in beginsel van vrije scholen en openbare scholen; vervolgens zullen wij de andere zaken, die men zal willen, herzien. Zoo spraken en besloten ze: Grondwetsherziening is goed, maar vóór alle dingen eischen wij recht.