De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 13
Het ministerie ontmoette denzelfden steun bij de tweede Kamerontbinding, maar deze herhaalde uitoefening van het grondwettig recht bracht het land in geweldige beroering. De liberalen vergaten hunne geschillen en vereenigden zich in heftige oppositie; zij noemden de ontbinding een niet-te-rechtvaardigen aanslag op de rechten van het volk, een misbruik van het koninklijk recht van ontbinding, een complot tegen het neutrale onderwijs, gesmeed door Roomschen, Antirevolutionairen en Conservatieven.
Tegen de verwachting van het gouvernement brachten de verkiezingen geen merkbare verandering in de sterkte der partijen.
Voor den tegenstand, die den minister ontmoette temidden van de onstuimige debatten der nieuwe Kamer, moest hij wel het veld ruimen. De geestkracht van den eersten minister en zijne bekwaamheid hadden den onverwrikbaren tegenstand niet kunnen overwinnen. En dit leverde tenslotte het schouwspel van een parlement zonder wezenlijke regeering gedurende bijna vijf maanden, als gevolg van politieke geschillen. Toch bracht het herhaald en wellicht verkeerd gebruik van het recht van ontbinding deze instelling door den slechten uitslag niet in mistrouwen, zoodat ze van nu aan veilig onder de merkwaardigheden van een vorige eeuw kon gerangschikt worden.
Gelijktijdig met den val van het ministerie, ging het verbond tusschen de Roomschen en de Conservatieven teniet. Dit verbond was een misslag geweest, want de Roomschen kregen er niet veel voordeel van, maar wel veel vijandschap. Wat meer is, het was sedert zijn begin ten doode verwezen, want het was een toenadering, door de omstandigheden bewerkt en geenszins op degelijke beginselen gegrond.
Zooals het wel gaat met oude verbroken vriendschapsbanden en met bedrogen liefde, hadden zij zich uit haat tegen de Liberalen, die hen bedrogen hadden in hunne verwachtingen, in de armen der Conservatieven geworpen zonder te bemerken, dat deze partij, waarmede zij zich verbonden, instaat van ontbinding verkeerde en dat zij niets hadden te winnen dan vijandschap en impopulariteit.
Zij hadden echter wel eenige verontschuldiging voor deze politiek van vergelijk. Velen onder hen deelden de meeningen van de Conservatieve partij, zoodat zij door hunne houding hunne bondgenooten niet van zich afstootten. Bovendien was het een woelige tijd en de partijen waren voor nieuwe groepeeringen te vinden; de Roomschen durfden niet, gewoon als zij waren door een verbond ondersteund te worden, in het parlementaire leven verder gaan zonder hulp en bescherming.
Het ergste was, dat zij de grondbeginselen vergaten en in 't bizonder de schoolkwestie uit het oog verloren; want zij wisten, dat de Conservatieven op dit punt hun geen voldoening konden of wilden geven.
De val van het ministerie en vooral de herderlijke brief van de gezamenlijke bisschoppen riepen hen terug tot de beginselpolitiek en gaven hun eenheid, moed en waardigheid in hun afzondering.
* * * * *
Een nieuw ministerie had de teugels in handen genomen, hetwelk Thorbecke een rechtschapen ministerie noemde; onvervalscht, geheel overeenkomstig de kleur van het land. Toen het den 9den Juni 1868 zich presenteerde aan de Kamer, verklaarde de minister van Buitenlandsche Zaken, Fock, dat de regeering elke herziening van de wet op het lager onderwijs volkomen weigerde.
Dadelijk verhieven de vijf bisschoppen hunne stem en in een gezamenlijk herderlijk schrijven, stelden zij plechtig de plichten der Roomsche ouders tegenover de neutrale school vast.
De ministerieele verklaring en het manifest der bisschoppen hadden een belangrijken terugslag op den politieken toestand, die nog zoo verward was; zij brachten er licht en regeling aan.
Het onmiddellijke resultaat was dat de schoolstrijd de spil werd van den strijd der partijen. Men scheidde zich van nu aan in het Parlement en in het land in voor- en tegenstanders van de neutrale school; sommigen wilden, dat de wet van 1857 gehandhaafd werd en zelfs nog verscherpt; anderen stelden voor als doel van hun strijd zoo al niet afschaffing van het openbare neutrale onderwijs dan toch de gelijkstelling van de vrije school met de openbare. De eersten waren alle Liberalen, de andere alle partijen met confessioneele kleur, de Roomschen en de Antirevolutionairen.
Deze nieuwe partijverdeeling bracht weldra den dood aan de Conservatieve partij. Deze oplossing begon zich dadelijk te vertoonen en duurde ternauwernood eenige jaren, onvermijdelijk als zij was vanaf het oogenblik, dat de schoolkwestie den grondslag vormde van de politieke beweging. Want juist over deze zaak hadden de Conservatieven geen vaste meening en, als alle partijen van het juiste midden, waren zij ten doode gedoemd, zoodra de omstandigheden hen dwongen zich uit te spreken. Deze noodzakelijkheid bracht hen voor een dilemma, dat zij niet konden overkomen, n.l.: òf zich te verklaren vóór de neutrale school en dan tot de Liberalen over te gaan; òf de herziening van de wet van 1857 te eischen en dan bij wijze van consequentie zich aansluiten aan de Antirevolutionairen. Geen andere uitweg bleef hun open.
Dadelijk bij het begin rangschikten zich een groot aantal Conservatieven onder de Antirevolutionaire banier, die Groen van Prinsterer met onuitblusschelijke geestkracht omhoog hield.
Zoo leverde dan bij het einde van het jaar 1868 het politieke slagveld dezen aanblik. Op de hoogten van de macht was het Liberale kamp gelegerd, waar van tijd tot tijd innerlijke geschillen rezen, maar de eenheid werd volkomen, zoodra het gold de verdediging van de bastions van de schoolwetgeving, waaromheen zij in gesloten rijen zich legerden. In de vlakte stonden de bataillons der Roomschen en de escadrons der Antirevolutionairen, die zonder verpoozing de vijandelijke stellingen aanvielen. Deze beide troepen handelden ieder op zichzelf en voerden elk voor zijne rekening den heiligen schoolstrijd.
Maar wie kon niet zien, dat deze actie tegen een zelfden vijand noodzakelijk moest uitloopen op meer of minder erkende samenwerking, op meer of minder nauwe verbinding? Inderdaad werd dit practisch, zoo door de langzame werking der omstandigheden, daarna ook openlijk op principieel terrein.
Tusschen beide in bewogen zich met bedachtzame langzaamheid eenige Conservatieven, een oud overblijfsel van een machtig verleden, of achterblijvers van het Liberale leger, die nu eens in het ééne, dan weder in het andere kamp het overschot van hun ervaring en de voorzichtige kracht van hun arm aanbrachten.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Christelijke Coalitie.
I.
_De historische redenen voor de Christelijke Coalitie.--»De Schoolstrijd.«_
De vijandelijkheden tusschen Liberalen en Anti-liberalen werden met veel afwisseling voortgezet en van beide zijden met onverminderde hevigheid.
Onder het derde ministerie Thorbecke stemde de Tweede Kamer na een heftig debat, dat drie geheele dagen duurde, op den 17en November 1871 met 39 stemmen tegen 34 stemmen voor de opheffing van het Nederlandsche gezantschap bij den Heiligen Stoel, omdat de paus de wereldlijke macht verloren had.
De Roomschen lieten een »Adres aan den Koning« in het land rondgaan, om hem te smeeken zijn gezantschap niet op te heffen.
Spoedig was het door 400,000 handteekeningen onderteekend, maar het bleef zonder resultaat; den 4en Februari 1872 werd de Hollandsche attaché bij den paus teruggeroepen.
Deze maatregel gaf den weg te zien, die de liberale ideeën sedert 1850 doorloopen hadden. In zijn eerste ministerie had Thorbecke de Roomsche hiërarchie hersteld in Nederland, tengevolge waarvan hij zich had moeten terugtrekken voor de aanvallen van de Conservatieven en Antirevolutionairen. In zijn derde ministerie zag zich de oude staatsman gedwongen de opheffing van het Nederlandsche gezantschap bij den Heiligen Stoel te onderteekenen en alleen daardoor kon hij de macht behouden.
Meegesleept door de ontwikkeling van zijn eigen beginselen, eindigde hij zijn langdurige loopbaan met een daad van godsdienstige vijandelijkheid; een loopbaan, dien hij zoo welwillend voor de vrijheid der kerk begonnen was. De schoolstrijd werd er voor de Roomschen door verscherpt, maar het heftigst geschiedde dat door de wet van 1878.
Ondertusschen was Thorbecke gestorven en de liberale partij was, door haar voortdurend grootere verdeeldheid, onbekwaam geworden om het bestuur der zaken in handen te houden. Toen deed men beroep op een van die neutrale ministeries van het juiste midden, waardoor de heer Heemskerk zoo bekend was, en die niet steunden op een meerderheid in de volksvertegenwoordiging, maar alleen op de geschiktheid en alom erkende bekwaamheid van den eersten minister, diens groote werkkracht en rechtvaardige waardeering van zijne collega's.
Onderwijl vestigden de tegenstanders, zonder van hun aanvallen af te laten, hun blik op de handelingen van het ministerie. Heden toezicht houden, morgen regeeren; dat was het wachtwoord, hetwelk Kappeijne in die dagen de liberale troepen toeriep; zoo was de houding van zijne partij tegenover deze voorloopige regeeringen.
Ondertusschen had onder het ministerie Heemskerk de schoolkwestie zulk een plaats in de voorloopige besprekingen der volksvertegenwoordigers ingenomen, dat alle pogingen om haar weer te verbannen bij het tweede ontwerp hadden schipbreuk geleden.
In haar »adres van antwoord« op de troonrede verklaarde de Eerste Kamer eenstemmig den 19en September 1874, dat zij hoopte, dat de wet op het lager onderwijs ongeschonden en buiten alle bespreking zou blijven; doch het volk wilde herziening van de wet van 1857.
Aan den eenen kant vroegen de kerkelijken wetten en subsidie voor het vrije onderwijs; aan de andere zijde streden Volksonderwijs, het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap en de Maatschappij tot 't Nut van 't Algemeen voor voltooiing van de schoolwet, heeling harer breuken en herstelling harer fouten.
Het ministerie bewaarde er het stilzwijgen over en wilde zich aan de kwestie onttrekken, maar door de omstandigheden werd het met geweld er toe gedrongen.
Den 21en Februari 1876 deed de afgevaardigde A. Moens, inspecteur van het lager onderwijs te Utrecht een voorstel voor de herziening van de wet van 1857, die niet aan de orde was.
Tegenover deze poging achtte zich het ministerie verplicht een wetsvoorstel in te dienen, waarin de bekwame eerste minister beproefde de verschillende meeningen te vereenigen en al de partijen tevreden te stellen. Maar, zooals het in den regel gaat met alle pogingen van die soort, ze stelde niemand tevreden.
Middelerwijl gaven de verkiezingen aan de Liberalen een overwegende meerderheid in de Kamer en een bijna volkomen eenstemmigheid in zekere deelen van het land. Bij de terugkeer der Kamer liet Kappeijne van de Coppello, de aanvoerder van de liberale oppositie, een motie van berisping in het antwoord op de troonrede insluiten over de houding der regeering in de schoolkwestie. Deze formeele oorlogsverklaring werd gevolgd door een heftige discussie, die eindigde met de aanneming van de motie en den val van het ministerie.
De Liberalen gevoelden zich sterk. Zij dachten het oogenblik om zelf de regeering in handen te nemen gekomen. Kappeijne nam den presidentshamer op in een geavanceerd liberaal kabinet, dat zelfs een radicalen tint bezat. Zijn doel was een besluit te nemen over de schoolkwestie in den geest van zijn radicale ideeën. Onverwijld zette hij zich aan het werk en was spoedig gereed.
De wet, brengende herziening van de wet van 13 Augustus 1857, werd aangenomen op den 18en Juli 1878 met 52 tegen 30 stemmen in de Tweede Kamer en den 10en Augustus daaropvolgende met 26 tegen 10 stemmen in de Eerste Kamer.
Daarin werd het beginsel van de wet van 1857 bewaard en tevens verscherpt, waardoor aan al de wenschen der Liberalen werd toegegeven, behalve op het punt van leerplicht. De rechten van het algemeen waren op het stuk van onderwijs verminderd in het belang van den staat; het toezicht op het onderwijs werd verscherpt; de leerstof vastgesteld.
De Roomschen en Anti-revolutionairen hadden met volharding gestreden tegen het totstandkomen dezer wet. Zij eischten eenstemmig dat de Staat bewilligde aan de vrije school subsidie te geven en de strengheid van zijn toezicht verminderde. En, inplaats van aan hun rechtvaardige eischen toe te geven, toonde de wetgever eerder zijne vijandigheid tegen het vrije onderwijs.
Nog deden zij, waar zij de aanneming dezer strenge wet niet konden verhinderen, een laatste poging vóór hare afkondiging. Zij namen de toevlucht tot het uiterste middel, dat in Nederland in al de politieke kwesties van veel gewicht wordt aangewend; zij deden een beroep op het volk bij wijze van een ontzaglijk volkspetitionement, waarin den koning gebeden werd om geen bindende kracht aan de wet te geven. Alras was dit geschrift met 300,000 handteekeningen van de Antirevolutionairen en meer dan 200,000 van de Roomschen onderteekend. Doch de koning verborg zich achter zijne hoedanigheid van constitutioneel vorst en aan de afgevaardigden, die de resultaten brachten van dit soort van raadgeving der natie, gaf hij een vriendelijk, maar ontwijkend antwoord.
Van toen af was alle hoop verloren. De wet werd den 17en Augustus 1878 onderteekend. Desniettemin werd zij, als gevolg van den tegenstand der antiliberalen en meer nog als gevolg van de moeilijkheid om de noodzakelijke hulpmiddelen voor hare toepassing te vinden, eerst den 1en November 1880 van kracht.
De Roomschen en de Antirevolutionairen hadden een volslagen nederlaag geleden, maar daar zij streden voor een beginsel, dat van de vrijheid van onderwijs en de gelijkstelling der scholen voor de wet, was hun nederlaag voor hen geen oorzaak van val. Integendeel, gedurende dezen veldslag, dien zij hadden verloren, hadden zij zonder ophouden zijde aan zijde gestreden, hadden zij elkander wederkeerig aan het werk gezien. Uit deze gemeenschappelijke handeling was wederzijdsche achting geboren.
De tegenspoed bracht hen nog nader tot elkaar. Zij gaven elkander de hand voor den heiligen strijd en er kwam een verbond tusschen hen tot stand, eerst in 't geheim, om enkele jaren later openbaar te worden. De liberalen noemden dit het »monsterverbond«, welke naam zij tevoren reeds aan het verbond tusschen de Roomschen en de Conservatieven hadden gegeven. Dit was de Christelijke Coalitie.
II.
_De theoretische gronden voor de Christelijke Coalitie.--De godsdienstkwestie._
Het is zeker, dat deze Coalitie bij het eerste begin ontstemming bracht in een land, waar de godsdiensttwisten tusschen Protestanten en Roomschen zoo hevig waren en de dogmatische godgeleerdheid zooveel vat heeft op de gemoederen. Het scheen dat de poging om deze eeuwenoude tegenstelling weg te nemen en daarvoor een meer of minder nauwe vereeniging inplaats te stellen, niets minder was dan van het verledene geen partij te trekken, het onderwijs der geschiedenis te versmaden en zichzelf bijna zeker een ongelukkigen afloop op den hals te halen.
Ook betoonden zich onder de belanghebbenden velen groote twijfelaars aan deze vreemde samenkoppeling van machten, die anders vijandelijk en tot dien tijd onverzoenlijk tegenover elkander stonden. Zij geloofden op z'n best aan een tijdelijken wapenstilstand, maar niet aan een duurzaam verbond, en zij vreesden, dat, wanneer de onvermijdelijke breuk eenmaal voltrokken was, op de periode van vrede een vijandelijkheid in dubbele mate zou volgen. Hun leek het verbond, maar in wat minderen graad dan den Liberalen, tweeslachtig en monsterachtig toe.
Zij vergisten zich. De Christelijke coalitie was niet het gekunstelde werk van één mensch of van één dag. Geen geschreven oorkonde had officieel het in aanzijn geroepen. Het verbond verbeeldde zich niet een onmogelijke ineensmelting van zeer heterogene bestanddeelen teweeg te brengen. Het was slechts een samenkomen van onafhankelijke machten, die, zichzelf blijvende, hunne pogingen in het werk stelden in een bepaalde richting en naar een gemeenschappelijk doel. En bovendien was dit samenkomen het resultaat van de omstandigheden.
Het voorloopig verslag over de begrooting der Eerste Kamer van 1905 schetst den toenmaligen in verband met den tegenwoordigen toestand zeer juist in de volgende woorden.
»Vroeger ontmoette men ter eenerzijde de liberale staatslieden van verschillende schakeeringen en ter anderer zijde de conservatieve staatslieden van onderscheiden kleur op dezelfde manier beiden werkzaam. Maar naarmate dat de verschillende staatslieden hun eigenlijke punten hadden afgedaan en het godsdienstvraagstuk vooropgesteld werd, kwam er verandering in de groepeering der partijen en meer en meer kwamen degenen, die aan de bovennatuurlijke waarheden vasthielden in botsing met hen, die de onafhankelijkheid der rede erkenden. En zoo kwam het, dat de afdeelingen van positief Christelijk geloof, door den druk der omstandigheden tot wederkeerige achting en vertrouwen geleid, zich gezamenlijk hebben verstout tot gemeenschappelijke actie in het politieke leven, dewelke geen enkel partijleider kon bewerken door zijn eigen invloed en die geen oppositie onredelijk mag noemen."
* * * * *
In een opmerkelijk artikel in 1869 in »De Gids" eindigde professor Buys zijne beschouwingen over de Conservatieve partij met deze woorden: »dat zij achter het verrotte en doorboorde vuurscherm van de conservatieve staatskunde slechts zeer moeilijk zich kon ontveinzen, dat weldra de groote strijd zou ontbranden, de worsteling tusschen de moderne en de antimoderne begrippen der wereld."
Het woord van den grooten theoreticus van het Liberalisme in Nederland was volkomen waar; het waren werkelijk twee beginselen, die duidelijk op het oogenblik, dat hij schreef, met elkander handgemeen werden. Het was waarlijk de godsdienstige kwestie, die in den schoolstrijd uitgevochten moest worden.
De godsdienstkwestie is overal van zulk een gewicht, dat zij de staatkunde en de geschiedenis der volken beheerscht; want als omschrijving dient, dat de staatkunde tenslotte niet anders is dan het zoeken naar eigen middelen om het best het einddoel van een staat te verwezenlijken. Noodzakelijk is de bepaling van het doel, dat de menschen in een maatschappij levende, zich moeten voor oogen stellen, van grooten invloed op de stof; en naarmate men aan deze of aan gene zijde van het graf het hoogste doel van het menschelijke leven plaatst, neemt men theorieën aan, die volkomen tegenover elkander staan en inwerken op het denkbeeld, dat men zich van de staatkunde maakt, welke ideeën de politiek zelfs beheerschen. Men kan niet voorwenden, dat er een ernstige staatkunde kan bestaan, die niet op eenige moreele leerstelling is gegrond. De feiten toonen het elken dag aan. Het is van de allergrootste noodzakelijkheid, dat de partijen, indien ze willen blijven bestaan, hunne meening, hun systeem en hun program vestigen op een moraal, en de waarde van hun moraal geeft de waarde aan van hun politiek.
Daardoor wordt de staatkunde geheel beheerscht door het theoretisch antwoord op de vraag: Wat is goed en wat is kwaad? Daar vloeien de dagelijksche toepassingen op de veranderlijke omstandigheden van het leven uit voort.
Is dit recht of is dit onrechtvaardig? Dat is de vraag, die ieder oogenblik wordt gesteld.
En daar men geen goede moraal kan hebben zonder godsdienstigen grond, mag men besluiten, dat de godsdienst het innerlijke leven is van de staatkunde en dat verschil van grondstelling in den godsdienst noodzakelijk medebrengt verschil van program en gedragslijn in de staatkunde.
Welnu, men heeft zich in den nieuweren tijd op godsdienstig gebied twee gansch tegenovergestelde meeningen gevormd, n.l.: de erkenning van een Opperwezen, levensbeginsel van de wereld en richtsnoer der maatschappij; en de ontkenning daarvan door het spiritualisme en het materialisme. Dit zijn de beide theorieën, die, zelfs in de staatkunde van dit oogenblik een verwoeden strijd veroorzaken, en men kan er ten minste uit te weten komen of de staat officieel atheistisch moest zijn, of hij het bestaan van God moet loochenen, of dat hij zich ten minste moet gedragen, alsof God niet bestond.
In Nederland is die vraag in den eersten tijd niet met zulke nauwkeurigheid gesteld. Het liberalisme, dat ongeveer in alle landen van kracht was en nergens meer dan in Nederland, kenmerkte zich nog door een flauw spiritualisme; het erkende nog een soort van hoogere zedeleer, die niet uit een godsdienst werd afgeleid, maar die boven allen stond, zoo iets als een uittreksel van de verschillende godsdienstige zedekundige stelsels, ontdaan van alles wat op dogmatiek geleek. Maar om den godsdienst bekommerde het zich niet; dit was privaatzaak en de staatkunde mocht er zich niet mede bemoeien.
Nochtans werd deze onbestemde moraal, zoo zwevend als ze geworden was, krachteloos, omdat men, door haar van den positieven geopenbaarden godsdienst te scheiden, er schimmen zonder substantie had van gemaakt. Thans bleef niets anders over dan de stelling van de onfeilbaarheid der menschelijke rede, zich trotsch verheffende tegen de openbaring, en een leer, die in den naam van de vrijheid en van de wetenschap met hare vervolging doorgaat tegen den godsdienst.
Deze evolutie in de theorie doet zich gevoelen door onmetelijke gevolgtrekkingen voor de maatschappij, n.l.: verzwakking van den eerbied voor de overheid; aanvallen op het gezinsleven en het huwelijk, die met den dag scherper worden; de verschrikkelijke vermeerdering van onzedelijkheid en misdaad, allerlei bedrog en opstand.
Men moest wel erkennen, dat het liberalisme geen vast kenmerk had om goed en kwaad van elkander te kunnen onderscheiden en dat zijne zedeleer, ontbloot van alle vastigheid, niets was dan overdreven rationalisme of verkapt materialisme.
Toen kwam het helder aan den dag, dat de ware strijd in het gesloten kamp der staatkunde geleverd werd niet tusschen twee of meer afzonderlijke godsdiensten, maar tusschen den godsdienst en de godloochening; tusschen geloovigen en ongeloovigen; genen de Godheid van Christus erkennende, »het Woord werd vleesch«, wiens persoon is en blijft het middelpunt van het Christendom, en de openbaring van het geheele menschelijke leven beheerscht; dezen haar loochenend, die in Christus, indien al niet een boosdoener en verleider, slechts een wijs mensch van hoogen rang, evenals Boeddha en Socrates zien. Genen maken bij de oplossing van politieke vraagstukken gebruik van het verstand, door de Heilige Schrift verlicht en geleid en door de regelen van de geopenbaarde moraal; dezen van hun persoonlijke rede alleen, ontdaan van alle hoogere kennis, die in haarzelve als menschelijke rede de volledige waarheid en het volstrekte recht vindt.
De eersten eindelijk houden rekening met de gedachte van het toekomende leven en bijgevolg met de zedelijke behoeften der natie, de anderen, wier blik niet verder reikt dan tot aan het graf leeren dat een volk slechts stoffelijke belangen, slechts nuttigheden en geen behoeften op zedelijk gebied heeft.
Dat waren derhalve wel twee geheel tegenovergestelde opvattingen, die aanwezig waren en elkander de opperheerschappij betwistten in het bestuur der maatschappij, evengoed als in het gedrag van den enkelen mensch. Aan de eene zijde de opvatting door den negentien-eeuwen-ouden Christelijken godsdienst in de wereld gebracht, aan den anderen kant de vernieuwde opvatting der modernen van het paganisme, dat weer in eere is gekomen door de beginselen van de Fransche Revolutie.
* * * * *
Dat conflict der leeringen, dat antagonisme van godsdienst en godloochening in theorie, ligt in meerdere of mindere mate ten grondslag aan de staatkunde van alle landen van Europa.