De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 12
Indien dit geen verkwikkende voorstelling is, toch heeft zij tenminste de verdienste van openlijk ons de toekomstige maatschappij te laten zien, waarin brood en vrijheid voor allen zal zijn, tengevolge van de afschaffing van alle gezag, en waarin de hervorming van de productiewijze op den voet van vrije en gelijke vereeniging van de personen, die ze voortbrengen, noodzakelijk de geheele staatsmachine op de plaats zal terugbrengen, die haar toekomt in het museum van oudheden, naast het spinnewiel van onze grootmoeders en de bijlen van het bronstijdperk. Doch ze kan ons den zekeren schrik niet wegnemen door de belofte van een twijfelachtig geluk.
Is het noodig naar een reden te zoeken, waarom het meerendeel der socialistische arbeiders, begeeriger naar positieve voordeelen dan naar schoone droomen, van welker verwezenlijking, die nog zoover verwijderd is, zij wisten dat ze slechts ten koste van zulke offers zou bereikt worden, niet de »Socialisten-Bond« volgde? Misschien, maar er waren ook anderen. Ter eener zijde na de politieke actie, de actie op het gebied van syndicaten. Uit vrees voor het zien vallen van deze macht in de handen van den vijand, van de S. D. A. P., die er voet dreigde te nemen, had zij zichzelve uitgesloten van het Nationaal Arbeiders-Secretariaat, door het besluit te doen nemen, dat alleen de ambachtsvereenigingen er zouden worden toegelaten. Zijne mannen behielden er het bestuur in, maar er waren geen directe betrekkingen meer met de syndicaten. De beweging, zoo noodzakelijk voor het bestaan van een politieke organisatie, werd bijgevolg tot kleine middelen herleid, tot weigering van het betalen van belasting of tot obstructie van den gerechtelijken verkoop, welke alle onvoldoende waren om de geestdrift voor de zaak te onderhouden.
Anderzijds hadden Domela Nieuwenhuis en vooral Cornelissen, geheel opgaande in de bestrijding van de S. D. A. P. en begeerig het grootst-mogelijke aantal aanhangers voor zich te behouden, niet kunnen besluiten een nauwkeurige gedragslijn aan te nemen. En door een uitslag, tegenovergesteld aan hetgeen zij zochten, hield de Socialistenbond niet op zich te verzwakken. In 1898 hadden ze niet meer dan 80 afdeelingen met 2,126 leden. De contributies waren gedaald tot f 408. Behalve Amsterdam en Den Haag telde geen enkele afdeeling meer dan 50 leden. Het blad »Recht voor allen« had een schuld van ongeveer f 1.000.
De toestand was dus ver van schitterend, toen plotseling eene verrassing zich voordeed. Hetzij Domela Nieuwenhuis ontmoedigd was door het succes van de parlementairen, bij de wettige verkiezingen van 1897, hetzij hij afstand wilde doen van zijne macht op het oogenblik, dat deze nog niet zonder beteekenis was, hetzij hij de twijfelachtige eer niet wilde hebben de machtige vereeniging die hij zelf had verwekt tot haar algemeene vernietiging te brengen, hij trok zich terug uit den Socialistenbond in Maart 1898, ondanks de smeekingen van zijne getrouwen, wierp zich in de armen van het anarchisme, waar hij naar overhelde sedert eenigen tijd en richtte een nieuw blad op: »De Vrije Socialist«, waarvan het eerste nummer 1 April 1898 verscheen.
Dat was het sein van de algemeene verwarring. Cornelissen ook verliet de partij om zich in Parijs te vestigen. Door hunne aanvoerders, en vooral door hem dien zij zoo langen tijd waren gevolgd, verlaten, verspreidden zich de leden van den Socialistenbond. De meesten trokken zich buiten alle organisatie en politieke actie.
De overigen trachtten den toestand te beheerschen. Op het congres van Zwolle in 1898 besloten de laatste strijders uit het revolutionaire leger tot de politieke beweging terug te keeren, maar zij vormden slechts het overschot van de groote socialistische bataillons; slechts acht afdeelingen waren vertegenwoordigd en zij maakten op, dat de partij f 4.218 schuld had. Tot overloop van ironie belachte hun oude aanvoerder hun onvruchtbare pogingen en ried hun bij wijze van bittere scherts aan, zich met de parlementaire socialisten te vereenigen, jegens wie zijn haat niet was verminderd. Na eenigen tijd getracht te hebben zich voort te sleepen, moest de Socialistenbond er wel toe komen om dit besluit aan te nemen, hoe groot ook hun tegenzin was. Den 24en Juni 1900 ging het overschot van den ouden bond over in de S. D. A. P. Alleen Van der Zwaag, Pennink en eenige anderen gingen niet weer terug.
* * * * *
De revolutionaire-socialistische partij had bestaan. Maar zij was niet geheel dood. Zonder van talrijke Socialisten-anarchisten te spreken, die afzonderlijk stonden en beinvloed werden door Domela Nieuwenhuis, hebben hare beginselen hun prestige bewaard bij de syndicalisten, die zich hebben verbonden in het Nationaal Arbeids-Secretariaat.
Wij haasten ons om te zeggen, dat dit Nationaal Arbeidssecretariaat hetzelfde is als de »Confédération génerale du travail« in Frankrijk. In het verloop van het Internationaal-socialistisch Congres te Brussel in 1891 geboren, was het dadelijk begonnen al de neutrale syndicaten te vereenigen en aan het hoofd daarvan een organisatie van ambachtslieden te plaatsen. Het aantal syndicaten of aanverwante vereenigingen was 52 in 1900 met 12.444 aanhangers; maar terwijl het cijfer der syndicaten steeds steeg, verminderde het aantal leden, want in 1895 was het 18.400 over 31 verbonden vereenigingen.
Het échec van de algemeen werkstaking der transportarbeiders in 1903, waartoe de socialisten-anarchisten krachtig mede hadden gewerkt, bracht de beweging achteruit. Ter eener zijde trokken zich de minst voorspoedige syndicaten terug, omdat zij de vereischte contributie niet meer konden betalen, en aan den anderen kant trokken de groote syndicaten, ontevreden over het geweld der leiders, partij van de stribbelingen, die zich langen tijd reeds in het Nederlandsche Arbeids-Secretariaat vertoonden, en van de oorlogsverklaring in 1904 tegen hen gericht in de afscheidingscirculaire. Zij stichtten een nieuwe partij, het Nederlandsche Verbond van vakvereenigingen, waar Henri Polak en de machtige Diamantwerkersvereeniging de voornaamste rol speelden. Het is een feit, dat de ervaring leert, dat wanneer de revolutionairen kapitalisten worden, de vurigsten onder hen verstandig worden. Zij vinden het leven minder hard en de maatschappij minder slecht; zij verzachten den toon van hunne eischen en zij ontdekken overeenkomst, die zij in den tijd van hunne armoede met verontwaardiging zouden hebben verworpen. De groote syndicaten in Nederland hebben dat doorgemaakt, terwijl het Nationaal Arbeids-Secretariaat, dat geen verbodsbepalingen genoeg voor hen heeft, doorgaat met zijne 9 vereenigingen, zijn 45 syndicaten en zijne 5.000 leden oorlog te voeren tegen het kapitaal en de reactie, zich van den politieken strijd ontdoet en de directe actie predikt, oproer, antimilitairisme en de algemeene rechtbank. Die tot haar behooren, dat zijn over het algemeen de magere syndicaten, begeleid door de verarmden, die geen aandeel kunnende krijgen aan de regeering, zoover mogelijk de logica van hunne beginselen doortrekken, en die, niets te verliezen hebbende, alles op het spel zetten; geduchte tegenstanders van de maatschappij, die tegelijk door hun anarchistische leerstellingen en hun woesten haat waarmede zij de klassestrijd prediken, bedreigen. Het is eigenaardig te zien, dat in alle landen de socialistische beweging heen en weer schommelt tusschen de parlementairen en de libertijnen en dat zij slechts aan dezen ontkomt om onder den invloed van genen weder te geraken. In Nederland behalen de parlementairen de overwinning, maar de anderen, de mannen van geweld, zullen zij niet spoedig wraaknemen?
TWEEDE DEEL.
EERSTE HOOFDSTUK.
De eerste pogingen en de eerste verbonden.
In de omstreken van den Moerdijk, tusschen Dordrecht en Breda, ontrolt zich een eigenaardig landschap.
De Maas, die pas zich verbonden heeft met den linkerarm van den Rijn, den Waal, omringt daar in een net van nauwe kanalen tal van kleine eilanden, welke er door een reuzenhand schijnen gestrooid te zijn. Maar een weinig verder, waar deze kleine kanalen de vele eilandjes verlaten, alwaar het water zich heeft opgehouden en tot in het oneindige zich heeft verdeeld, vermengen zij zich, om zich ten slotte door de monden van den Maas in de zee te werpen.
Dit is het beeld van de Nederlandsche politiek.
In Holland zijn de partijen zoo talrijk, zoo verdeeld, dat het onmogelijk is hunne werkzaamheden te brengen onder de eenvoudige voorstelling van twee homogene partijen van bijna gelijke kracht, die om beurt elkander opvolgen in de regeering, al naardat de meerderheid verwisselt. Doch, hoe verdeeld ze in werkelijkheid ook mogen zijn, vereenigen zij, onder den druk der omstandigheden en der politieke noodzakelijkheid, hun macht in verschillende breede stroomen, waardoor de golven van hunne werkzaamheden vloeien.
Zoo is de toestand, waarin zich de Nederlandsche Roomschen bij hun optreden in het politieke leven bevonden, waardoor zij verplicht werden den steun van andere parlementaire fracties op te zoeken, zoodra zij eenigen invloed wilden hebben en ook een rol wilden spelen. Als een belangrijke minderheid, die evenwel onmachtig was op zichzelve tegenover eene meerderheid, nu eens aaneengesloten, dan weer gescheiden, altijd desniettemin gereed om de rechten der tegenpartij door hun aantal te vertreden, moesten zij wel verbonden aangaan, die nu eens meer, dan weer minder oordeelkundig of degelijk waren.
En dikwijls, om niet te zeggen altijd, waren de duur en de resultaten van deze verbonden, overeenkomstig de beginselen, die er aan ten grondslag lagen. Het is beslist waar, dat het de beginselen zijn, die de wereld besturen, zelfs de politieke wereld, terwijl het evenwel schijnt, alsof zij van weinig gewicht en kracht zijn tegenover bekwaamheid.
Het is echter misschien tegen den wil van hen, die de gebeurtenissen en toestanden trachten te draaien naar eigen plannen en verlangens, dat dit zich aldus voordoet, en gewoonlijk bemerkt men het eerst na verloop van tijd.
I.
_Het Liberaal-Roomsch verbond._
Toen op den 3en November 1848 koning Willem II Nederland plechtig aankondigde, dat het een parlementaire staatsregeling was geschonken, begroetten de Liberalen en de Roomschen deze gebeurtenis als den dageraad van een nieuw politiek leven; de Conservatieven schudden bedenkelijk het hoofd, en de kleine groep van Antirevolutionairen zag er tot hun droefheid in den triomf van de beginselen der Fransche Revolutie.
Dadelijk bij de nadering van de eerste rechtstreeksche verkiezingen kwam het land in beroering. Twee stroomen werden gevormd rondom de nieuwe grondwet. Aan de eene zijde de Liberalen, krachtig gesteund door de Roomschen; zij vertegenwoordigden de jeugdige ideeën, die als het sap in den pas-geplanten boom van het parlementaire stelsel opstegen. Aan de andere zijde de Conservatieven, mannen van den verleden tijd, sterk door hun verkregen invloed, doch wier oude leer, nog wel krachtig, begon te verbleeken, en hier en daar in het gebladerte van den ouden olm werden de voorteekenen van den herfst gezien.
Ondertusschen bestond de antirevolutionaire groep uit weinige personen van geringen invloed op den strijd, die geleverd werd.
De grondwetsherziening was het werk der Liberalen, zij had wijding gegeven aan hunne beginselen. Ook deden zij zich aan het volk voor met den invloed, die het succes teweegbrengt en met de handen vol beloften voor de onbelemmerde toepassing van de grondwet.
Met de Liberalen hadden zich de Roomschen verbonden.
Voor het eerst zagen zij zich ontslagen van de gedeeltelijke onmacht, die sedert het begin der eeuw had plaats gemaakt voor de geheele onmacht van vóór de revolutie. Zij begroetten deze bevrijding met het gezicht van menschen, die een langen tijd van droefheid hebben doorleefd, en zij sloten zich zoo nauw aan bij hen, die hun een schoone toekomst ontsloten, dat men van hen geloofde en zei, dat ze in de Liberale partij waren opgegaan. Dat zij met heeler hart zich met de Liberalen verbonden, en dat zij hun zonder ze in rekening te brengen de niet te versmaden hulp aanbrachten van opnieuw ontwaakte energie. En niemand kon zich daarover verwonderen: zij hadden denzelfden vijand als de Liberalen te bestrijden, n.l. het conservatisme, dat hen onder onrechtvaardige voogdij had gehouden, en dat toen nog het succes van hun rechtvaardige heroveringen verhinderde, evenals de vlucht der liberale ideeën. Van den nieuwen geest, die opkwam, scheen het, dat zij niets te vreezen hadden, maar alles te hopen. »Men moet wel in 't oog houden«, schreef veertig jaar later Dr. Schaepman, »dat de liberale partij van dien tijd een partij van recht en vrijheid kon heeten. Zeker, ze was van revolutionairen stam, ze had hare wortels in de beginselen van 1798, maar temidden van reactie en contra-revolutie scheen het liberalisme heilrijk te zijn. Het werkte bevrijdend en moedgevend. Het had zijn stellingen nog niet ten volle ontvouwd en was nog ongedeeld. De Roomschen waren dankbaar voor het tegenwoordige en zij verwachtten veel van de toekomst.«
Hunne verwachtingen bleven niet lang onvervuld. Bij de verkiezingen van 30 November 1848 triumfeerde de Liberale-Roomsche coalitie met een groote meerderheid en de aanvoerders der beweging behaalden een schitterende overwinning. Thorbecke werd gekozen in vier districten, Storm in twee, Wichers in twee, Alberda in vier, en de macht was verzekerd aan de Liberalen: zoodanig was het succes van dien tijd, dewelke angstig wachtte om den koers van de nieuwe politiek en de plannen der nieuwe partij te kennen.
Tegenover deze uitspraak van den volkswil, werd het ministerie Donker Curtius na eenige ijdele pogingen tot wederstand tot vertrekken gedwongen. Thorbecke nam de teugels van het bewind in handen (1 November 1849). Een der voornaamste daden van zijn vruchtbaar ministerie was de belooning der Roomschen voor den trouwen steun, die aan zijne politiek gegeven werd, door de herstelling van de katholieke hierarchie in Nederland, van hem te ontvangen. Hij stemde er des te gereeder in toe, omdat deze inwilliging was overeenkomstig met zijn beginsel. Hij was van gedachte dat de verschillende godsdiensten dezelfde vrijheid moesten genieten, zonder dat een van hen boven de andere bevoorrecht werd, en dat de staat een onafhankelijke houding moest bewaren tegenover de verschillende leerstellingen en geloofsbelijdenissen. Bijgevolg wilde hij scheiding der beide machten toepassen en aan de Roomsche Kerk volle vrijheid laten voor de regeling van haar inwendige belangen. Maar hij had gerekend buiten den ouden wrok der Protestanten, waarvan de Nederlandsche grond nog doortrokken was.
Ternauwernood was de Pauselijke brief bekend, of de Conservatieven en de Antirevolutionairen traden in het strijdperk. Zij riepen luide dat het Protestantisme in gevaar was. Tengevolge van deze actie begon de oude zuurdeesem van godsdiensthaat te gisten en een krachtige agitatie bracht het land in beroering. De beweging kwam op in Utrecht, de universiteitstad, de plaats van antirevolutionaire aristocratie, van het antipapisme, dat Pius IX had bestemd tot zetel van den aartsbisschop. De wind wakkerde spoedig aan tot storm. Tevergeefs poogde Thorbecke het onweder af te wenden en zijn rondschrijven aan de commissarissen der provincies vermocht niet de publieke opinie te kalmeeren.
De hevige en hartstochtelijke strijd keerde zich tegen het ministerie, dat men verantwoordelijk stelde voor de godsdienstige gebeurtenissen. De dagbladartikelen, geschriften en pamfletten vermenigvuldigden hunne aanvallen. Een algemeen petitionnement werd georganiseerd en op den 15den April 1853 werd koning Willem III bij zijn jaarlijksch bezoek aan Amsterdam een adres aangeboden met 51000 handteekeningen van bewoners der hoofdstad.
Deze krachtige uiting van den volkswil dwong Thorbecke de regeeringstafel te verlaten. Dat begreep hij en hij trok zich terug, met zich trekkende drie van zijne collega's: de heeren Van Zuijlen van Nijevelt, Strens en Van Bosse.
Op den val van het ministerie volgde Kamerontbinding en nieuwe verkiezingen bevestigden de Aprilbeweging. De Liberale-Roomsche coalitie was geslagen; de Conservatieven en Antirevolutionairen kregen de macht in handen. De Liberalen verlieten gedecimeerd het slagveld. De nederlaag had bij voorkeur hen getroffen, die tot de eigenlijke partijgangers behoorden van Thorbecke, de »Thorbeckeanen«, zooals men ze noemde. De groote minister zelf was niet weder verkozen dan door de dankbaarheid der Roomschen, die hem de overwinning bezorgden in twee van hunne districten: Maastricht en Breda.
Door dit succes werden de hoofden dezer beweging aangevuurd. Het nieuwe ministerie: Van Hall-Donker Curtius gaf de wet op bescherming der eerediensten, een wet gericht tegen de Roomschen, die aan de eene zijde belemmerende maatregelen inhield tegen het brengen van kerksieraden buiten de gebouwen en besloten plaatsen, en aan de andere zijde de Oud-Bisschoppelijke secte verhief tot den rang van erkende kerk met een aartsbisschop van Utrecht, een bisschop van Haarlem en een van Deventer.
* * * * *
Al deze gebeurtenissen echter hadden het verbond van Roomschen en Liberalen versterkt. Men geloofde dat het niet kon ontbonden worden. De wet op het lager onderwijs van 13 Augustus 1857 toonde dat het minder sterk was dan men dacht.
Terwijl alle Liberalen deze wet, die het neutrale openbare onderwijs invoerde, ondersteunden, kwam er splitsing onder de Roomschen. Eenigen, bovenal in aanmerking nemende de bezegeling van de vrijheid van onderwijs, vervat in de wet, en vol vertrouwen in een oprechte onpartijdigheid, mengden hunne stemmen in het liberale concert; anderen, in getal gelijk, niets ziende dan de gevaren van de neutrale school en haar praktijk, verklaarden er zich sterk vijandig tegen.
De schoolkwestie was gesteld, zij zou op noodlottige wijze het verbond van de Roomschen met de Liberalen oplossen. Hunne beginselen op dit punt waren te veel tegenover elkander gesteld, om tot overeenstemming met elkander te komen.
Bovendien begonnen de Liberalen, in den aanvang zeer edelmoedig, een al te drijverige houding aan te nemen en zich te leenen tot partijdige handelingen. De vertegenwoordigers hielden er rekening mee te meer, dat rondom haar zich een ontzagwekkende meerderheid in het land vormde en de medewerking der Roomschen hun noch noodig noch zelfs nuttig meer toescheen. Waartoe zouden zij van toen af meer concessies doen aan bondgenooten, die nergens meer voor konden dienen?
Gedurende nog eenigen tijd geleek de bond veel op een vogel, die vleugellam geschoten door het doodelijk lood nog niet kan sterven. Maar andere grieven paarden zich bij de schoolkwestie en brachten dezen bond den genadeslag toe.
Het waren ten eerste de Pauselijke Encycliek en de Syllabus van 8 December 1864, waarin de onvereenigbaarheid van Roomsche met liberale beginselen uitblonk. De slotsom er van was, dat het moderne levensbegrip tegenover het Christelijke stond. De houding van de liberale pers, wier aanvallen met den dag levendiger werden en drukker, toonde duidelijk dit fondamentale verschil, terwijl de toepassing der wet op het lager en middelbaar onderwijs hen ook in daden van elkander deed verschillen.
Aan de andere zijde volgde Nederland met een opmerkzaam oog de gebeurtenissen, die in Italië plaatshadden. Ook op dit punt bleek er scheiding te zijn tusschen de Liberalen en de Roomschen. Zij verzwegen inderdaad hunne goedkeuring niet voor de houding van Piemont en van de Liberalen in Italië. De Roomschen ondersteunden daartegen met kracht de heilige rechten van het Pausdom.
De breuk was onvermijdelijk en de scheiding, uit tegenovergestelde beginselen en neigingen voortkomende, was volkomen zelfs vóór den dood van Thorbecke, toen in Juni 1867 het eerste ministerie Heemskerk het bestuur der zaken in handen nam.
De Liberale-Katholieke bond had bijna achttien jaren geduurd. Zij had aan de Liberalen de macht bezorgd en aan de Roomschen zekere rechten en vrijheden, alsmede een zeker ontzag voor hen, als gevolg van het aandeel, dat zij zijdelings aan de regeering hadden gehad.
II.
_Het verbond der Conservatieven met de Roomschen._
Daar de Roomschen nu aan hun eigen macht waren overgelaten, en zij slechts ternauwernood een vijfde der bevolking uitmaakten en vijftien afgevaardigden naar de volksvertegenwoordiging van vijf-en-zeventig leden met moeite konden zenden, daar gevoelden zij hunne onmacht.
Zij onderzochten daarom den politieken toestand, zooals zij zich aan hun oog voordeed, met de verwachting om nog bondgenooten te vinden onder degenen, die hen omgaven.
Aan de eene zijde zagen zij hun oude vrienden de Liberalen, de geheele linkerzijde innemende, in overwegend aantal, die echter door innerlijke verschillen over een koloniale kwestie pas de macht voor het oogenblik hadden verloren.
Zij wachtten slechts op een gunstige gelegenheid, om er weder boven op te komen, want hun kwam de meerderheid in het Parlement toe.
Aan den anderen kant bevonden zich onder de rechterzijde meer of minder belangrijke fracties, de Conservatieven, de Roomschen en de Antirevolutionairen. Deze laatsten weinig talrijk, hadden geen gelijke inzichten op politiek terrein, het waren enkele leden, en het zou voor hen zeker te zwaar geweest zijn een partij op te richten.
De Conservatieven, of zooals men ze dikwijls noemde, de Liberaal-conservatieven telden in hun meer-gesloten rangen merkwaardige mannen van groote bekwaamheid: hun ontbrak eenheid en samenhang. Zij vormden niet meer de partij der aristocraten, de groote protestantsche partij, maar gematigd, gekalmeerd en gefnuikt, bestreden zij den vooruitgang niet meer, naar de mate dat zij van hun kracht en luister verloren. Zij waren alleen nog slechts de bleeke Liberalen. In het Parlement toonden zij zich tegenstanders van de politiek der getrouwe volgelingen van Thorbecke of Fransen van de Putte. En tegen dezen keerden zich ook de Roomschen, die evenzoo stelling innamen tegen hun voormalige bondgenooten, welke van hunne zijde zich van allen schijn ontdeden en zich meer en meer ontpopten als anticlericalen.
Het ministerie, dat aan de regeering was, hetwelk men, als het derde in één jaar, den naam gaf van »Kamerministerie« was de getrouwe weerschijn van de verschillende deelen der volksvertegenwoordiging; het was even bont als het kleed van harlekijn. Aan zijn hoofd stond minister Heemskerk, die zich betoond had een der uitnemendste mannen van de Tweede Kamer te zijn. Een der leden, de heer Borret, was Roomsch ter zijde van twee Antirevolutionairen, volgelingen van Groen van Prinsterer n.l. de minister van Buitenlandsche zaken Van Zuijlen en van Koloniën Mijer. De eenige band, die deze ongelijke elementen verbond, was de conservatieve neiging, die in allen in meerdere of mindere mate aanwezig was.
Het was een ministerie van overgang, tot stand gebracht door zeer eigenaardige omstandigheden, dat, als gevolg van de stelselmatige vijandelijkheid der Liberalen, de grootste moeilijkheden had te overwinnen. Wat nog nimmer in de parlementaire jaarboeken was opgeschreven, geschiedde nu; in een tijdsruimte van twee jaren werd twee maal de Kamer ontbonden en een beroep gedaan op de getrouwheid van het Nederlandsche volk.
Bij de verkiezingen, die op de eerste ontbinding volgden, vertoonde zich voor het eerst het verbond der Conservatieven met de Roomschen. Dit gaf aan het ministerie eenige stemmen meerderheid in den strijd, waarin het ging om deze voorname zaak, of men in Nederland een koninklijk, dan wel een parlementair ministerie zou hebben. Bij de Roomschen en Conservatieven hadden zich ook een aantal Antirevolutionairen gevoegd.