De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie
Part 11
In den tijd van den Sociaal-democratischen Bond werden deze talrijke propagandisten, zooals Vliegen, Schaper en Van der Zwaag, niet betaald voor het werk, dat zij verrichtten. Zoo wilde het Domela Nieuwenhuis, die het belachelijk had gevonden, om een belooning uit de kas der partij te ontvangen voor een taak, waartoe allen, die het kunnen, zich moeten beschikbaar stellen. Van af hare stichting heeft de Sociaal-democratische Arbeiderspartij er anders over geoordeeld, en hare propagandisten verdienen jaarlijks tusschen de 300 en 500 gld. Zoo zou het haast niet kunnen voorkomen, dat de financiën buitengewoon ruim waren, en die van de Socialisten in Nederland zijn het blijkbaar niet bovenmate. Het budget van 1906 steeg tot f 9.600 en boven deze som waren f 1.500 bestemd voor het tractement van den secretaris-generaal, Van Kuijkhof en f 1100 voor de drie propagandisten, Helsdingen, Mendels en Hermans. Men moet er evenwel bijvoegen, dat dit de eenige voortplanters niet zijn van de socialistische denkbeelden; de partij beschikt over nog anderen, die door de politiek aan een voldoende betrekking zijn gekomen, en geen andere betaling noodig hebben dan reiskosten. Dat zijn in het bijzonder de socialistische afgevaardigden naar de Tweede Kamer, de redacteurs der socialistische dagbladen en de speciale afgevaardigden van het comité-generaal, die gaan waar ze geroepen worden, de grieven ondersteunen en kracht aan de verkiezingscampagne verleenen.
Gelijk in elke beweging van zekere uitgebreidheid, zoo neemt de pers meer en meer in de S. D. A. P. een belangrijke plaats in. Dat is te begrijpen, want het is de propaganda bij uitnemendheid; het geschreven woord, dat zich onophoudelijk tot duizenden lezers richt. Het officieele orgaan van de partij is het dagblad »Het Volk", dat in Amsterdam gedrukt en uitgegeven wordt. Het wordt ter zijde gestaan in den lande, door een goed dozijn weekbladen, drie maandbladen, waaronder: »De proletarische Vrouw«, orgaan van de vrouwenvereeniging: de Sociaal-democratische Vrouwenclub, en een tijdschrift: »De Nieuwe Tijd«, dat de intellectueelen onder hen redigeeren: Van der Goes, Gorter en Mevrouw Henriette Roland Holst.
Bij de bladen komen nog populaire brochures en traktaten; en onder deze voortdurende actie heeft het Socialisme onrustbarende afmetingen aangenomen. Zoo is het, dat op het congres te Arnhem, den 19den April 1908, de president Vliegen met zekeren trots kon verkondigen, dat de partij georganiseerd was in 83 van de 100 kiesdistricten, dat in den loop van 1907 het aantal afdeelingen van 167 tot 176 was geklommen en het totaal der leden van 400 tot 8.400.
* * * * *
Evenwel op ditzelfde congres, waar deze cijfers zoo triomfantelijk werden vermeld, erkende burger H. Meyer, dat de partij zich wel had ontwikkeld, maar niet zoo als het wel wezen moest; en hij gaf er als reden voor op, dat op het platteland bijna al de arbeiders kiezers waren, dat weinigen onder hen zich onder de vaan van het Socialisme wilden scharen en dat de beweging er in geen geval sterke wortels schoot. Dit was reeds geconstateerd aan den vooravond van de verkiezingen van 1905. Het verslag, door het algemeen Bestuur aangeboden aan het Congres van Utrecht in 1906, stelde vast, dat indien al in de groote steden het cijfer der socialistische stemmen was geklommen op bizondere wijze, ja zelfs in vier jaar tijds voor de negen kiesdistricten van Amsterdam van 12,5 tot 21,2 procent der stemmen was gestegen, het platteland een gevoeligen terugslag aanwees, die in het district Wijk bij Duurstede de verhouding van 8,2 op 2 per honderd had gebracht.
Om de kracht van deze cijfers te begrijpen, moet men zich herinneren, dat in Nederland het algemeen kiesrecht niet bestaat en dat de nu-van-kracht-zijnde kieswet, de wet Van Houten, hoewel ze vrij-gemakkelijke voorwaarden stelt om kiezer te worden, toch een goed deel der arbeiders van de groote steden van het recht om te stemmen berooft. De Socialisten hebben daardoor dus in het kiezerscorps geen invloed, die in verhouding staat met hun werkelijken aanhang. Maar in de boerenstreken is het anders; de boer is degelijker, spaarzamer en slaagt er daardoor meermalen zonder veel moeite in de f 50.-- bij elkaar te krijgen en op de spaarbank te brengen, of om aan eene van de andere wetsvoorwaarden te voldoen, die hem het recht geven op de lijst te worden geplaatst. Men begrijpt bijgevolg, dat de hoofden van de Sociaal-democratie een soort van ontnuchtering gevoelen bij het zien van de verminderde resultaten van hunne propaganda onder deze landbouwklasse, die het meerendeel uitmaakt van de bevolking van Nederland. In Friesland heeft het Socialisme, dat zich tot 1890 krachtig onder de boeren had vertoond, opgehouden veld te winnen, tengevolge van de actie der Antirevolutionairen en ook eenigszins als gevolg van de terugkomst naar het platteland van verscheidene groote grondbezitters.
In de Roomsche industrieele streken in het zuiden van Noord-Braband en Limburg zijn de collectivistische denkbeelden bijna nog niet doorgedrongen. De landbouwstreken willen er heelemaal niets van weten, en al zijn in de centra der industrie de arbeidersvoorwaarden en andere werkelijk bestaande omstandigheden van dien aard, dat daardoor gemakkelijk de werklieden in de armen van de socialistische leiders kunnen geworpen worden, zij zijn toch niet toereikend om hen te doen vergeten, dat de gepredikte leer geheel tegenstrijdig is met hun godsdienst. Welnu, voor dit deel van Nederland, dat als het Oude-Vlaanderen zeer verknocht is gebleven aan den Roomschen godsdienst, is deze overweging beslissend. Overigens kan men in 't algemeen zeggen, dat de Nederlandsche werkman godsdienstig is gebleven en dit is een van de voornaamste beletselen, die het Socialisme bij zijne uitbreiding ondervindt.
De leiders hebben het wel begrepen, en daar zij weten, dat een frontaanval op hun eigen schade uitloopt, pogen zij de posities van den vijand om te trekken. In hunne redeneeringen bewijzen zij den grootsten eerbied aan de overtuiging en het geloof; zij verzekeren aan een ieder, die het hooren wil, dat godsdienst zuiver privaatzaak is, waarmee het Socialisme niets te maken heeft, en die het daarom ook niet te bestrijden heeft. De heer Van Kol, oud-afgevaardigde van Enschede, durft wel in het volle congres uitspreken, dat het in 't belang van de socialistische beweging is om te toonen dat zij niet anti-Roomsch is. »Ban dit godsdienstige gevoelen, dat bij velen onder u wordt gevonden, uit uw midden weg. Zoolang wij er niet in geslaagd zijn om de godsdienstige menschen in onze rijen mee te voeren, zullen wij de zege over het kapitalisme niet behalen". Maar totnogtoe hebben deze belangrijke verklaringen in het geheel geen vat gehad op Roomsche werklieden. Zij herinneren zich terecht dat de vaders van het Socialisme in Nederland, Gerhard, Fortuijn, Domela Nieuwenhuis, enz., vrijdenkers waren. De Socialistische leden van de Tweede Kamer, die den oud-advokaat Mr. Troelstra volgen, een wegsleepend redenaar en geducht en bekwaam schrijver over de politiek, en waartoe Vliegen, de voornaamste redacteur van Het Volk, Van Kol, Schaper Ter Laan en anderen behooren, bewegen zich op de groote algemeene, weinig revolutionaire wegen. Zij zijn overtuigd geworden, dat de Sociale revolutie zich nog niet kon openbaren en toen hebben zij hunne methode veranderd en zijn gaan staan in een zeer praktische houding, werkende voor de onmiddellijke (nu te verkrijgen) hervormingen.
Ziedaar wat de intellectueelen der partij, die Troelstra op min of meer smadelijken toon noemt de groep van den den »Nieuwen Tijd", niet zonder schijn van waarheid hun verwijten. Daartoe behooren personen van burgerlijke afkomst en met de Duitsche leeringen zeer goed bekend, Gorter, Mevrouw Roland Holst, Pannekoek, Loopuit, Mendels, en anderen, die zich om Van der Goes vereenigen en de anti-socialistische neigingen, welke de partij besmetten, zonder ophouden bestrijden. Zij komen er toe om steeds te herhalen, dat onder het hedendaagsche bestuur de Sociaal-democratie zich verburgert en dat weldra niets meer haar onderscheiden zal van de Vrijzinnig-democraten. Het zuivere Marxistische stelsel, zeiden zij, verdwijnt. Op alle belangrijke en actueele punten van het program is reeds iets opgeofferd, en er is reeds een schrede naar rechts gedaan voor het arbeidscontract, de verzekering tegen ziekte en invaliditeit, den achturigen dag, het militarisme, het stemrecht voor de vrouw, de scheiding van Kerk en Staat en ook voor de buitenlandsche politiek. Dat is de gelegenheidspolitiek, die overal regeert. Troelstra, zoo zeggen zij nog, is de eerste geweest in ons land om een algemeene rechtbank als een practisch feit te willen hebben, maar in een van zijne artikelen houdt hij het proletariaat terug van deze zelfde algemeene politieke rechtbank, die op het internationale Congres van Amsterdam door de Nederlandsche afgevaardigden werd verdedigd. Dezelfde taktiek, die zoo menigmaal beginselen vergeet, wordt vertoond, wanneer het socialistische bestuur door alle middelen de kleinhandelaars en de kleine boeren tot zich denkt te trekken wanneer zij den achturigen werkdag in de schaduw stellen, om dien van tien uren te verkrijgen en wanneer de Kamerfractie, ten koste van betreurenswaardige overeenkomsten, burgerlijke hervormingen najaagt, terwijl zij toch den klassestrijd in de Kamer zou hebben in te leiden zonder zich te weerhouden, om rechts en links vuistslagen uit te deelen. En de volgelingen van Van der Goes zijn van meening: »Wij ook willen hervormingen, maar wij zeggen altijd volgens de oude taktiek: de hervormingen moeten verworven worden op revolutionaire wijze en het Socialistische doel moet bovenaan staan. Maar zij willen het socialisme in een verre toekomst terugzetten en een partij van hervorming worden. Dat leidt tot concessies, tot overeenkomst met de democratische burgers en eindelijk tot deelneming aan een ministerie.
Zoo is dan de naam van Karel Marx een twistappel geworden in de Sociaal-democratische Arbeiderspartij en de echos van den strijd weerklonken sedert drie jaren reeds op de congressen der partij. In 1907, vooral op het congres van Haarlem, was de strijd tegen de revisionisten, tegen de hervormingsgezinden, aangebonden door Gorter, in naam van den onwraakbaren klassestrijd hevig. Tegen deze geweldige aanvallen, die Troelstra persoonlijk golden, verdedigde hij zich met bekwaamheid. Nu eens ironisch en vleiend, dan weer scherp en minachtend, rechtvaardigde hij zich, terwijl hij zijne tegenstanders veroordeelde; en hij eindigde zijn lange rede onder toejuichingen, terwijl hij de geheele partij bezwoer, dat zij verjongd zou opstaan vol vertrouwen en eenheid, om over het kapitalisme te triomfeeren. En het hevige debat, dat gedurende lange uren had plaatsgehad, kreeg vasten vorm in een dubbele bevestigende motie, aan de eene zijde, dat de beschuldigingen, tegen het bestuur gericht, niet waren gegrond, en aan de andere zijde, dat de vrijheid van kritiek een heilig en wettig recht bleef voor ieder lid. Al het geschreeuw, al de bedreigingen van scheuring gingen verloren in een nieuwe verzoening, en het blad »Het Volk" kondigde zegevierend voor de partij een nieuwen tijd aan, vrucht van de behaalde eenheid en gekenmerkt door nieuw vuur en nieuwe kracht.
De vreugde was van korten duur. Het conflict tusschen de beide stroomingen werd des te levendiger hervat met dagbladartikelen op vergaderingen en door brochures. Het te Arnhem gehouden congres op den 19en April 1908 leverde dezelfde oratorische voorstellingen als het vorige jaar dat van Haarlem.
De kritiek was even levendig tegen het bestuur, dat altijd hetzelfde opportunisme vertoonde, en tegen het officieele orgaan der beweging, dat de vrijheid van bespreking tegenging. Maar Troelstra was ziek en niet aanwezig om te kunnen antwoorden. Het waren Schaper en Vlieger, die hem vervingen, en men scheidde zonder veel verder te komen dan tevoren. Het eenige resultaat was, dat de muur van wantrouwen, die langzamerhand opgericht was tusschen de beide fracties, bestendigd werd. Men bemerkte het weldra. Het dagblad »de Tribune", dat eenige maanden tevoren was opgericht door de onveranderlijke Marxisten en welks opkomst reeds was veroorzaakt door het congres van Arnhem, vervolgde zijn aanvallen tegen de parlementaire fractie. Aan het hoofd deden Wijnkoop, Ceton en Van Ravesteijn zich kennen door hunne heftigheid. Troelstra en zijne vrienden, woedend over deze heftige bestrijding, die zonder ophouden doorging, besloten er een eind aan te maken en met dat doel riepen ze een buitengewoon congres op, dat in Deventer van den 12en tot den 14en Februari 1909 werd gehouden. Er was alleen maar kwestie over de middelen tot herstelling der eenheid, door de verdwijning van de »Tribune". De redacteurs ontvingen een ultimatum om met de uitgave van hun blad op te houden en zich tevreden te stellen met de Marxistische ideeën door middel van een wekelijksch bijvoegsel van »het Volk" te verspreiden. Daar zij weigerden zich naar deze bevelen te schikken, sprak het congres met 209 van de 297 stemmen hun uitsluiting uit de partij uit. Buiten de deur van het socialistische huis gezet, ondernamen zij den bouw van een nieuw huis, ter zijde van het andere. Zij vergaderden hunne volgelingen in een nieuwe partij, die zij noemden: »de Sociaal-Democratische partij", stelden een programontwerp op en bij de verkiezingen van 1909 hadden zij candidaten in vier districten, maar verkregen slechts een zwak stemmencijfer.
Hun uittocht heeft naar het schijnt niets of bijna niets veranderd in de kracht van de S. D. A. P. Niet zeer verwonderlijk, want de rechte hoofden van de Marxistische beweging zijn tegen de verwachtingen in, in de oude organisatie gebleven; en het congres van Rotterdam van 11, 12 en 13 April 1909 heeft getoond, dat zij niets van hunne beoordeelingen, niets van hunne eischen hadden afgelegd. Hetgeen hen terughoudt van het verlaten der partij dat is, de onzekerheid van gevolgd te zullen worden. Het oogenblik zal waarschijnlijk komen, waarop zij het socialistische huis onbewoonbaar verklaren, en waarop zij op hun beurt er uit zullen gaan.
_III. De Anarchistische Socialisten._
»Wanneer een partij zich splitst", zeide in 1904 de Italiaansche socialist Ferri op het internationaal congres van Amsterdam, »wordt ieder deel bijna altijd tot het uiterste van zijne ideeën gedrongen, en indien de eene het ideaal uit het oog schijnt te verliezen, vergeet de andere, geheel ingenomen door de beschouwing van zijne beginselen, de practische behoeften". Dit woord werd bevestigd, door hetgeen in de socialistische beweging in Nederland plaats had.
Terwijl Troelstra en de gematigden langzamerhand iets van den onveranderden klassestrijd verzachtten en de strenge leer van Karel Marx veranderden in een hervormingsgezindheid naar omstandigheden, begaf zich Domela Nieuwenhuis geheel vervuld met het verlangen om de volksgunst te behouden en ongerust als alle menschen, die op het uiterste hunner gedachten gekomen zijn, meer en meer op de helling, die tot het meer of minder anarchistische geweld leidt. De volksleider ging tegenover hen staan, die hij ervan beschuldigde het collectivisme ten onder te brengen. Met snijdende woorden, die voor geen enkele beschouwing of argument terugschrikten, hoe kwetsend of persoonlijk zij ook mochten wezen, brandmerkte hij de concessies van de politieke menschen en hun wegzinken in de parlementaire kolk. Dat was overigens de overtuiging, dat de Tweede Kamer het revolutionaire zout niet dan smakeloos kon maken en de komst van den toekomstigen staat oneindig ver terug deed gaan. Daardoor was hij zelf met de hulp der omstandigheden er toe gekomen om geheel het politieke terrein te verlaten.
Zoo groot was zijn invloed in den Sociaal-Democratischen Bond, dat na de beslissing van het congres van Groningen en de scheiding der parlementairen, bijna al de socialistische troepen hem getrouw bleven. Van de 5000 volgelingen, die zich toen onder zijn bestuur vereenigden, verliet ternauwernood een honderdtal hem, om zich te verbinden aan de S. D. A. P. Door Christiaan Cornelissen geholpen, die met hem redacteur was van »Recht voor allen", begaf Domela Nieuwenhuis zich aan de voortzetting van de Socialistische propaganda, door zuiver revolutionaire middelen.
Maar juist op het oogenblik van de scheuring, had hij zich ter eener zijde tegen de maatregelen der regeering ter verdedigen. Op het congres van Zwolle in 1892 had de Sociaal-Democratische Bond zijn program herzien en had er dezen zin bijgevoegd, dat de Bond zou voortgaan om met wettige of onwettige, vreedzame of gewelddadige middelen de vernietiging van de hedendaagsche sociale verhoudingen te zoeken.
Door deze verklaring kwam men in botsing met de wet op het vereenigingsrecht. De regeering zond afgevaardigden tot de socialistische hoofden om hen te verzoeken, zich tot de wettige middelen te bepalen; maar zij wilden er niets van hooren en noch minder er iets van afdoen. Vervolgingen werden tegen hen ingesteld en in April 1894 ging de rechtbank te Groningen er toe over om de ontbinding der revolutionaire organisatie te eischen, daar zij een aan de openbare orde vijandig doel beoogde. Het gerechtshof te Leeuwarden en de Hooge Raad bevestigden het vonnis, dat nog nimmer opgeschreven was in de annalen van rechtbank en regeering van Nederland; want men kende slechts dit eenige geval, dat eener vereeniging de erkenning bij de regeering geweigerd wordt, of ontbonden is geworden.
Maar alles was voorzien om deze verdwijning af te wenden en de asch van den Sociaal-Democratischen Bond, die op wettige wijze was vernield, gaf dadelijk een nieuwe vereeniging het aanzijn; de »Socialistenbond", den 3en December 1894 op het congres van den Haag gesticht. En de strijd ging door op leven of dood tusschen parlementairen en revolutionairen. De eersten hadden met verontwaardiging geconstateerd, dat de socialistische kiezers meerendeels niet hadden deelgenomen aan de verkiezingen van 1893, waarvan de inleg was het behoud van het ministerie-Tak van Poortvliet en het quasi-algemeene kiesrecht, en zij spaarden hen niet, maar stelden hen in hun bijtende kritiek verantwoordelijk voor de nederlaag. De anderen gaven hun slag voor slag terug en gebruikten uiterst scherpe bewoordingen. Domela Nieuwenhuis ging zoover, dat hij hen beschuldigde van zich te maken tot verdedigers der regeering en van te worden betaald door de Duitsche Sociaal-Democraten.
Vrijwillig teruggetrokken uit de politieke actie begaf hij zich eerst in de syndicaten-beweging en verbond zich met het Nationaal Arbeidssecretariaat, dat bijna al de werkliedenvereenigingen vertegenwoordigde en dat aan zijn invloed onderworpen was. Langzamerhand werkte hij de leerstellingen uit. Bij het begin van 1898 vatte hij ze te samen in het encyclopedische werk over »Nederland". Met welk een onstuimigheid keerde hij zich toen niet tegen de revisionisten, die »het schoone socialistische strijdros slechts op bizonder-plechtige gelegenheden uit den stal haalden en het overige van den tijd er lieten staan, om het woord te laten aan het program van actie, waarmede zich ook de radicalen gerust kunnen vereenigen." In welke bittere bewoordingen verweet hij hun niet hun aandeel direct of indirect aan de regeering. »Het parlement is het werktuig, waarvan zich de besturende klasse bedient om de klasse der proletariërs ten onder te houden. Door dit parlement is het, dat de hedendaagsche staat van zaken zijn zegel door wetgeving en bestuur ontvangt. Die derhalve aan de volksvertegenwoordiging meedoet, ondersteunt de burgerij, en daar de belangen der burgerij niet samengaan met die der proletarieërs en niet gepaard kunnen gaan met elkander, bevindt het zich dus tegenover de belangen van het lagere volk en steunt het en bevestigt het de staatsmachine, die er toe dient om hen te onderdrukken. Het vertrouwen op het stelsel der volksvertegenwoordiging is daarom met de revolutionaire idee niet overeen te brengen, want wanneer eene partij zich tot hervormingen begeeft, dan komt zij op den weg van het possibilisme, maar daarmede verlaat men het terrein van den klassestrijd, waar toch de beslissende kamp zal geleverd worden."
De menschheid, gelukkig in een volkomen gelijkheid, geen God of meester meer hebbende, zoo zou volgens hem, het wezen van de toekomstige maatschappij zijn, en hij besloot dat om er toe te komen, alle revolutionaire middelen goed zijn, maar die alleen. Onder deze geweldige middelen is het eerste en niet het minst belangrijke middel de werkstaking en vooral de algemeene werkstaking. Elk van deze is een voorpostengevecht in den socialen oorlog. Zoo verklaart Domela Nieuwenhuis, die dan vervolgt: »Elke daad van opstand bewijst dat de slaaf van den arbeid gevoel van zijn persoonlijke waardigheid krijgt en een verlangen naar onafhankelijkheid, en ofschoon hij geen kans loopt zich van de boeien los te maken, die hem kwellen, begint hij aan deze te trekken, te schudden, en dat is het teeken van den vooruitgang."
»De werkstakingen, zelfs die, welke niet aansluiten zouden aan elkander, hebben een weldadige uitwerking, omdat zij tot onderricht en oefening dienen voor de arbeidsklasse, die niet anders hare bevrijding zou weten te bereiken dan door den strijd en in den strijd; omdat deze de werklieden nog vrijwaren tegen slechter levensvoorwaarden, die zeker hun deel waren indien zij er eenvoudig in zouden berusten; omdat eindelijk deze hen leeren te zien, wat nog aan hunne organisatie ontbreekt om de overwinning te behalen". In één woord, het is de heftige agitatie, die voortdurend de volksmenner predikt, om van de kleinere werkstakingen tot een totale en zoo mogelijk internationale werkstaking te komen in een tak van industrie en eindelijk na meer of minder talrijke pogingen tot één algemeene werkstaking te komen in alle landen van kapitalistische organisatie.
Naast deze gezamenlijke oppositiehandelingen komen individueele oproerige daden te staan. De weigering om den militairen dienstplicht te vervullen in het leger, dat opgeroepen was tegen het gepeupel, is er één van; maar opdat het zijne uitwerking niet zal missen is het noodig, dat het zorgvol tevoren is voorbereid door een krachtige propaganda tegen het leger. »Geen man en geen duit voor het militarisme«, dat is de korte formule, die Domela Nieuwenhuis met kracht omhoog houdt. Doch deze is nog niet geheel voldoende en hij voegt er aan toe de propaganda van de daad, de directe handeling, die niet terugdeinst voor oproer en bommen.
Wanneer al deze wapenen aan het proletariaat voldoende voordeelen zullen gegeven hebben, zal de beslissende eindstrijd tot het laatste algemeene stadium gevorderd zijn. «Elke revolutionaire periode», zegt hij, «is in de geschiedenis door een tijd van crisis voorafgegaan; de inbezitneming van de middelen van productie en verbruik door de arbeidsklasse kan niet totstandkomen dan na een critieken tijd op algemeen gebied en door alle landen in al de takken van industrie en na een periode, onmiddellijk voorafgegaan, van sluiting der fabrieken, scheepstimmerwerken en andere werkplaatsen, faillissementen van bankiers- en handelshuizen aan den eenen kant en anderzijds van werkloosheid met den somberen samenhang van honger en ellende. Temidden van deze smarten der kindsheid zal de socialistische maatschappij ontstaan door een periode van algemeene burgeroorlogen.»