De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie

Part 10

Chapter 103,494 wordsPublic domain

Zijne reizen hadden altijd succes en bizonder in Friesland, waar het Socialisme snel wortel schoot en voornamelijk op het platteland. Deze bizonderheid verklaart zich door een reeks van omstandigheden. De provincie heeft de rijkste gronden, maar de bewoners, die bijna nergens de eigenaars van den bodem zijn, waren arm; de belastingen, opgedreven door de eischen van de wet 1878 op schoolgebied, legden aan de gemeenten lasten op, die niet evenredig waren aan hare inkomsten. De rijkste inwoners, die zich konden verplaatsen zonder hierdoor schade aan hunne inkomsten te veroorzaken, hadden dat land verlaten, om zich aan het steeds zwaarder wordende gewicht der belastingen te onttrekken, en er bleef daardoor niets anders over dan de kleine kapitalen en de groote armoede, waaruit door de huishoudelijke crisis de inkomsten getrokken werden en alzoo de kommer vermeerderde. Bovendien onder de vele Protestantsche belijdenissen, die in Friesland voorkomen, bevinden zich een zeker aantal Doopsgezinden, die voorliefde bezitten voor het collectivistisch ideaal; en eindelijk hadden in zekere streken de vrijzinnige predikanten een terrein bereid, dat uitnemend geschikt was voor het Socialisme.

De revolutionaire zaden, die er door den krachtigen ijveraar Domela Nieuwenhuis waren gestrooid, ontkiemden in korten tijd voldoende, zoodat in het vervolg van den veldtocht voor het algemeen kiesrecht de volksleider de vruchten kon plukken, doordat hij in 1887 met den steun der radicalen in het district Schoterland tot lid van de Tweede Kamer verkozen werd. Verder waren het grieven, die zich verspreidden als een doornenvuur, doorgaans schokkend en bitter, van tallooze werklieden aan het werk in de uitgestrekte veenderijen of van doodarme landarbeiders; grieven, somtijds opgeblazen door de socialistische sprekers, en die leidden tot vereenigingen, tezamen behoorende tot den Sociaal-Democratischen Bond. Deze oorlogzuchtige organisaties namen zulk een omvang, dat, nadat zij zich op een oogenblik met de radicalen hadden vereenigd, zij de Friesche afdeeling van den Bond voor algemeen kiesrecht, in een provinciale partij, »de Friesche Volkspartij", vervormden, waarin de Socialisten het overwicht behielden en die in getalsterkte vooruitging, zoodat ze in 1891 niet minder dan 102 vereenigingen telde met 4980 leden. Maar na de nederlaag van Domela Nieuwenhuis bij de verkiezingen van datzelfde jaar, verdween deze volkspartij op bevel van het centrale comité van den Sociaal-Democratischen Bond aan de Socialisten om zich er aan te onttrekken teneinde verder alleen beginselpolitiek te voeren.

Terwijl nu de beweging in Friesland zich met groote kracht deed gevoelen, had zij de andere provinciën niet gespaard; maar daar maakte zij zich meer meester van de werkliedenbevolking der groote steden. Het Zuiden had, hoewel hardnekkiger staande tegenover de nieuwe ideeën, niet volledig kunnen ontkomen aan de actie der leiders, en er was geen enkele streek, die geen bezoek had ontvangen van de tallooze propagandisten, die rondom Domela Nieuwenhuis zich bevonden; onruststokers van natuur en van beroep, die nog geene bizondere belooning ontvingen, en die vol ijver van vereeniging tot vereeniging de socialistische leer gingen verspreiden, en een verzameling van plaatselijke blaadjes deden ontstaan, somwijlen van één dag levens, maar altijd gevaarlijk.

In 1893 stelde het congres te Groningen vast, dat de Sociaal-Democratische Bond 150 afdeelingen omvatte, wier leden ten getale van 5000 aan jaarlijksche contributie betaalden f 1657. De Socialistische partij begon dus een verontrustende kracht te worden. Deze zou nog grooter geweest zijn, indien zij niet in den beginne zich tegen den godsdienst had gekant en zij niet zoo diep door hunne vijandschap tegen het huis van Oranje het Hollandsche gevoel hadden beleedigd.

De leerstellingen, die zij in Nederland zocht in te voeren, waren dezelfde, die Karel Marx en zijne leerlingen in Duitschland hadden verspreid. Het was het wetenschappelijk materialisme, dat zij indroeg in de geschiedenis en ontwikkelde door hare theorie van de maatschappelijke waarde, hare wet op de opeenhooping der schatten, en de leer van den klassestrijd. Ziehier hoe een van hare aanhangers in Nederland, de typograaf-journalist Vliegen, ze samenvat. »Het Socialisme," zegt hij, »heeft de productieve kracht van den rijkdom aan het werk gezien in de maatschappij en het heeft bemerkt, dat deze kracht op de manier, waarmee er mee gespeeld wordt, op de wijze, zooals de arbeid in de maatschappij plaatsheeft en die de verdeeling der maatschappelijke belangen teweegbrengt, de oorzaak is, dat het maatschappelijke gebouw zoodanig is als het is en niet anders. Zoo is de kapitalistische maatschappij niet een product van den vrijen wil des menschen, maar een noodzakelijk historisch feit. Maar, indien het waar is, dat de schikking van elke maatschappij is gegrond op het bestaande systeem van productie en op de organisatie van den arbeid, dan is het niet minder waar, dat zoodra het productiesysteem en de wijze van werken veranderd wordt, het gebouw der maatschappij moet verwisselen van gedaante. De veranderde wijze van productie brengt krachten tevoorschijn, die der maatschappij een ander aanzien moeten geven. Zoo komt het, dat de kapitalistische maatschappij met een regime, dat de grootindustrie en exploitatie meer en meer concentreert en ingesloten houdt, zonder ophouden het aanzijn heeft gegeven aan het proletariaat; aan dat proletariaat, dat uit kracht van zijn toestand tot taak heeft de regeling der maatschappij. Tegen de vervulling van deze taak verzetten zich zij, die de hedendaagsche maatschappij beheerschen, en de worsteling, die daaruit ontstaat, is de klassestrijd."

In deze theorie moet de passage van het collectivistische regime, dat de hedendaagsche maatschappij zal vervangen, en waarin de menschen gelukkig zullen worden door het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen op volkomen gelijke wijze, wel voor haarzelf noodlottig zijn. Al, wat het proletariaat kan doen, is de nadering van den toekomstigen staat bespoedigen, door tot den evolutiegang van de kapitalistische maatschappij aan te sporen, opdat zij daardoor des te spoediger op het punt kome, waarop zij topzwaar geworden zijnde, uit zichzelve zich zal omzetten in een collectivistische maatschappij. Den tegenstand van de patroons verbreken, die met ruwheid het kapitaal, dat is te zeggen, het privaatbezit verdedigen, en het volksgeweten ontwikkelen, hetwelk hen bekwaam moet maken om op den dag van de revolutie de hand op de productiemiddelen te leggen, dat is de eenige rol, die het proletariaat inderdaad kan vervullen.

Echter lieten op dit punt de nadere bepaling van de gedragslijn en de wijze van de dagelijksche actie niet na verwarring te stichten temidden van de Nederlandsche socialisten. Tot 1893 was de Sociaal-Democratische Bond van oordeel, in overeenstemming met de Duitsche Marxisten, dat alle middelen goed waren ter verbreking van den tegenstand van de patroons en in het bizonder de politieke agitatie. Maar Domela Nieuwenhuis was op het internationale congres van Brussel in oneenigheid gekomen met Liebknecht en had langzamerhand verschil ontdekt tusschen de Duitsche Sociaal-Democratie en het Nederlandsche Socialisme. Het geschil werd verderfelijk, sloeg over in den Sociaal-Democratischen Bond, waar Van der Goes, Troelstra en Van Kol krachtig de Duitschers verdedigden. En daar anderzijds de onbetwiste en almachtige leider der beweging, wien niemand in het aangezicht had durven weerstaan, een diepe wonde had ontvangen door zijne nederlaag bij de verkiezingen van 1891 in het district Schoterland, daar neigde hij er meer en meer toe over om het politiek terrein te verlaten en alleen zich te geven aan de openlijke revolutionaire daad.

Het Groningsche congres van 1893 schikte zich naar deze tactiek en met 47 tegen 40 stemmen besliste het, dat de partij zich uit de politiek zou terugtrekken. In de afdeelingen werd deze beslissing bevestigd met 1300 tegen 900 stemmen en de Sociaal-Democratische Bond begaf zich op een nieuwen weg.

Maar hij werd niet gevolgd door al de Socialisten in Nederland; de groep van hen, die men de parlementairen noemde, dewelke Domela Nieuwenhuis betitelde met de benaming van heerenclubje, en die vooraan bevatte Van der Goes, Troelstra en Van Kol, bleef op politiek gebied zich bewegen en richtte daartoe een afzonderlijke vereeniging op, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, minder hard van aanzien en meer ontvankelijk voor al de plooien en zelfs voor al de beloften van het nieuwerwetsche politieke leven.

_II. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij._

Domela Nieuwenhuis had altijd met leede oogen gezien, dat er in de partij ook burgers werden opgenomen. Hij wist heel goed, dat het tengevolge van het genoten onderwijs en van den meerderen vrijen tijd voor den burger honderd maal gemakkelijker is zijn weg te vinden in de beweging, dan voor den bekwaamsten werkman. Hij had op dit punt slechts zijn persoonlijke ervaring te raadplegen; en hij vreesde, dat deze aanwas, uit de heerschende klasse voortkomende, het soort van dictatuur, dat hij uitoefende, zou gaan verzwakken in den Sociaal-Democratischen Bond. Hij had veel hinder van den rechtsgeleerde P. J. Troelstra, wiens propaganda in Friesland met den dag grooter werd, en van den ingenieur Van Kol, wiens gevoels-socialisme onder het volk weerklank vond. Hij wilde er zich wel van ontdoen, maar hij durfde hen niet maar zoo geheel uitsluiten; en dat was zeker een van de beweegredenen, die hem hebben gedrongen alsmede zijn onderbevelhebber Cornelissen om door middel van het Groningsche Congres te besluiten dat de politiek van nu voortaan beslist zou verlaten worden.

Evenwel ondanks hunne afkeuring van de revolutionaire tactiek, die ontwijfelbaar het strenge verzet van de autoriteiten moest tengevolge hebben, hadden Troelstra en Van Kol het voornemen niet de partij te verlaten. De sterke aandrang van Van der Goes en het voorbeeld van een der meest bekende propagandisten, Helsdingen, waren noodig om tot het besluit te komen, zich van den Sociaal-democratischen Bond te scheiden en een nieuwe vereeniging op te richten. Degenen, die zij meesleepen, waren weinigen; wanneer men ze goed telt, waren er acht. Het waren werklieden van den eersten rang zooals Fortuyn, Vliegen, Schaper, gemeenteraadslid van Groningen, Polak, de toekomstige organisator van de machtige Diamantslijpers-vereeniging, A. Gerhard, het roode schoolhoofd te Amsterdam, de typograaf Spiekman, de kleine winkelier L. Cohen, en de onderwijzer Van der Vegt. Totaal met de leiders zijn het twaalf. De twaalf apostelen zooals men ze weldra noemde, richtten tot de Socialisten een manifest, waarin zij de vorming van een nieuwe Sociaal-democratische partij aankondigden, die niets gemeen had met de ultra-revolutionairen, en wier doel het was, zich op de hoogte houden van de eischen des tijds en te strijden voor de daadwerkelijke verbetering van den toestand van het proletariaat. Vier en vijftig adhesiebetuigingen waren het antwoord op dezen oproep, en den 26en Augustus 1894 werd te Zwolle de Sociaal-democratische Arbeiderspartij in 't aanzijn geroepen, die bij hare geboorte bemoediging en geldelijken steun ontving van de Duitsche Socialisten.

Haar eerste optreden was hard en tegelijk ingetogen. De nieuwe vereeniging was er slechts in geslaagd eenige afzonderlijke personen aan de oude vereeniging te ontnemen en zij streed zonder ophouden in hare propaganda tegen de anathema's van de partijgenooten van Domela Nieuwenhuis, die haar voortdurend zonder genade slag leverden en hare vergaderingen, zoo noodig met geweld, verhinderden. Maar langzamerhand, dank zij de bekwaamheid en spankracht van hare leidslieden, kreeg zij voet en groeide. Het was de tijd niet meer, dat men zich de revolutie nabij dacht. De maatschappelijke toestand was iets verbeterd en het volk, dat op eene maatschappij wachtte die niet kwam, eischte directe vermeerdering van welvaart. De ideeën van de parlementaire socialisten wonnen terrein. Men bemerkte dit bij ieder jaarlijksch congres, men kon het vooral zien bij de verkiezingen van 1897, waar hunne candidaten 13.000 stemmen behaalden en in vier districten triomfeerden; Leeuwarden, Tietjerksteradeel, Winschoten en Enschede.

Dit ongedachte succes gaf aan de partij nieuwe vlucht.

Met één sprong ging het aantal van hare afdeelingen vooruit van 31 tot 51, en sedert dien tijd groeide de beweging voortdurend aan. Bij de verkiezingen van 1901 behaalde zij acht zetels in de Staten-Generaal, die van Van der Zwaag in Schoterland er in begrepen, en vereenigde 38.249 stemmen. De verkiezing van 1905 verlaagde wel het getal der afgevaardigden tot zeven, maar verhoogde het cijfer der stemmen tot 65.733. Wat betreft de verkiezingen van 1909 klom dit laatste cijfer nog met 20.000 zonder meer volksvertegenwoordigers naar de Tweede Kamer te zenden.

* * * * *

De oorzaak van dezen snellen en onwedersprekelijken vooruitgang ligt voor het minst als partij in den toeloop, dien de Sociaal-democraten hebben verkregen bij elke nieuwe verkiezing, in de middenklasse, bij de kleine burgers en de kleine boeren, die zich aangetrokken gevoelden tot de gewijzigde leer en de beloften van dadelijke hervormingen. Van af den oorsprong der partij was deze wijziging gewild. De leiders achtten het tot een bekwame politiek te behooren om dit deel van het kiezerscorps tot zich te trekken en daarom is het, dat de veldtocht door hen werd voorgesteld als de strijd van den werkman samenverbonden met den kleinen burger tegen de groote kapitalisten; een strijd tegen de kleine salarissen voor het zware werk en tegen de groote renten voor het niets-doen.

Zonder twijfel waren de theorieën van Karel Marx de grondslag van het systeem en was de klassestrijd gelijkelijk geëerbiedigd als een leerstelling, doch het was niet de heftige, revolutionaire strijd, die verbeteringen in het kleine en twijfelachtige beloften versmaadt. De manier van doen was veranderd; men beriep zich niet meer alleen op de klasse van werklieden, men richtte zich tot al de slachtoffers van het kapitalisme.

Aan de kleine winkeliers en aan de kleine verkoopers legde men uit, dat zij geruïneerd zouden worden door de groote magazijnen en de groote kapitalistische industrieën. Aan de boeren en aan de kleine landbouwers poogde men te bewijzen, dat het overbrengen van den bodem aan de gemeenschap niet zulk een verschrikkelijke zaak was als de meeste menschen geloofden; dat het het socialisme niet was, dat onteigende, maar in werkelijkheid de kapitalisten, bezitters van domeinen, die zonder ophouden zich uitbreiden, die onverzadelijke »slokoppen" van het zweet en van den arbeid der boeren; en dat het veel verkieslijker voor hen was, hun eigen baas te zijn in de collectivistische gemeenschap, dan voort te worstelen voor eigen rekening als weinig-benijdenswaardige wezens, of als slaven op het veld van de grondeigenaars, dikwijls vreemdelingen van hun eigen land. Aan allen beloofden zij hervormingen. Zij eischten onder anderen sterk-progressieve belasting op het inkomen, op het vermogen en op de erfenissen, met vermindering voor de kleine inkomsten en vermogens; afschaffing van indirecte belastingen op de noodzakelijkste levensbehoeften; kosteloos recht; kosteloos onderwijs in al zijne geledingen; gratis geneeskundige hulp en begrafenis; werkliedenpensioen op kosten van den staat; algemeene wetgeving van den arbeid; den achturigen werkdag; de verantwoordelijkheid der patroons voor alle ongelukken in hun dienst voorkomende; theoretische en practische gelijkheid van de vrouw met den man; herziening van het pachtcontract van de boerderijen in dien zin, dat de prijs niet hooger mag zijn dan de zuivere rente van het goed, en dat ieder pachtcontract moet vermelden het minimum aantal werklieden, dat voortdurend moet worden gebruikt op de gehuurde goederen en de goedkeuring van een gemeentelijke commissie moet wegdragen, welke is samengesteld uit eigenaars, boeren en werklieden; afschaffing van heerlijkheidsrechten en van alle privilegies op het gebied van jacht, enz.

Zoo was het onmiddellijke doel, dat het sociaal-democratische program aanwees in den strijd voor welvaart en geluk. Degenen, die het hadden uitgewerkt, hadden niet vergeten er de verkrijging van het algemeene kiesrecht voor mannen en vrouwen aan toe te voegen; denkende met Karel Marx, dat de klassestrijd vóór elken politieken strijd gaat tenbehoeve van economische vrijmaking van het proletariaat. Zij plaatsten zelfs aan het hoofd van hunne eischen dit machtige wapen, dat volstrekt noodig is voor de werkliedenklasse om de politieke macht te veroveren, n.l. trapsgewijze den tegenstand te verbreken van de klasse der patroons, de wetgevende en de besturende macht van den staat en der gemeente te gebruiken voor de onverbrekelijke organisatie van de werklieden.

Hun dringende eisch van algemeen kiesrecht gebruikten zij niet als een algemeen geneesmiddel en de éénige wijze van strijden. Zij voegen er de organisatie van werkliedenvereenigingen en de coöperatie aan toe; de eerste, een voorwaarde voor de onmiddellijke en direkte verbeteringen in het corps van ambachten, eene voorbereiding voor den politieken strijd; eene inroeping van het volksgeweten, dat om zich te ontplooien, de volle vrijheid van vereeniging en van drukpers vraagt; de tweede, de voorbereiding tot de socialistische gemeenschap van den arbeid, waarvan zij de vorm is en die bovendien het onberekenbare voordeel biedt om de strijdkas te vormen voor den klassestrijd en de fondsen te verzorgen, noodzakelijk voor de propaganda en de actie. Dat is zelfs, bevestigt Mr. Troelstra, het eigenlijke niet van de coöperatieve vereenigingen, maar zij verkrijgen eerst een socialistisch karakter, wanneer zij dit doel hebben.

Met behulp van al deze middelen zou men langzamerhand komen tot den toekomstigen staat. Voorloopige teekenen daarvan, zeggen de socialistische sprekers en schrijvers, vertoonen zich reeds, gelijkende op het morgenrood, dat den opgang der zon voorafgaat. Ze zijn: het meerdere gebruik van machines, de concentratie der kapitalen in de handen van een klein aantal individuen en de buitensporigheid van de trust, de vermenigvuldiging der werkstakingen, de veelvuldige oproeren en het bevoorrechten van menigen persoon door den staat. Dit alles moet noodzakelijk een noodlottige opeenhooping bevorderen. Het collectivisme, door den staat en de gemeenten vertegenwoordigd, zal geleidelijk uit de handen der opkoopers de monopolies samentrekken en zich er van meester maken in het algemeen belang en in 't bizonder in dat van den werkman. Gelijk onderwijs zal er aan allen gegeven worden en de staat zal aan de kinderen zelfs de stoffelijke middelen verzekeren, om het te ontvangen; hij zal de vader zijn voor degenen, wier ouders hen niet kunnen voorzien van voldoende voeding; hij zal voor de uitvoering zorgen van alle diensten, die bestemd zijn ten behoeve van het algemeen der burgers, en zal dienaangaande geen concessie doen aan een particuliere onderneming; hij zal in de behoeften der armen voorzien; hij zal door uitbreiding van het onteigeningsrecht de beschikking verkrijgen over uitgestrekte gronden, die hij aan werklieden zal verhuren en voornamelijk aan landarbeiders tegen zoo laag mogelijken prijs, die laten ontginnen door werkeloozen en gebruiken voor het bouwen van arbeiderswoningen. Tegelijkertijd zal hij zich een erfrecht toekennen gezamenlijk met de natuurlijke erfgenamen, en door al deze voorgeziene hervormingen, die in het socialistische programma geëischt worden, zal hij den publieken rijkdom vermeerderen tot afbreuk van de private kapitalen en zoo zal hij het oogenblik nader brengen, waarop de hedendaagsche maatschappij zal overgaan, bijna zonder schok en op zekere en geregelde wijze, in een ideale maatschappij.

Het is derhalve geen bloedige revolutie meer, verlicht door het rampzalige afschijnsel van den eindstrijd, die de profeten van den socialistischen godsdienst ons aankondigen; het is heel eenvoudig eene evolutie, die zekerlijk de menschen in de lieflijkheden van het collectivistische paradijs moet overbrengen. En dat juist heeft veel kleine lieden verleid en veel werklieden meegesleept, minder door de hoop op een toekomstige maatschappij, die ze waarschijnlijk nooit zullen zien, dan door de verwachting van de naderende hervormingen, waar zij overtuigd zijn, dat zij er niets bij hebben te verliezen, maar alles te winnen.

* * * * *

Maar een partij leeft niet alleen van een program, haar kracht bestaat ook in hare organisatie en in hare bedrijvigheid.

En juist het Socialisme heeft zich in alle landen waar het kwam door zijn groote kracht van organisatie en door een krachtige propaganda altijd onderscheiden. De massa's werklieden in beweging brengen, hunne dikwijls gewettigde ontevredenheid vergrooten, hun haat aanwakkeren en hen in te lijven in den klassestrijd, dat is het doel waarnaar het streeft met onverbroken kracht. Zonder dat het »groote kiezers-mechanisme«, wat de sociaal-democratie in Duitschland is, de volmaaktheid heeft bereikt, oefent de arbeiderspartij in Nederland, die afbeelding is van de Duitsche partij, toch een groote macht uit. De beweging komt van onderen op, van de socialistische vereenigingen onder verschillende benamingen, vereenigingen van allerlei soort, waaronder evengoed vereenigingen van jongelingen behooren en van vrouwen als van volwassen werklieden van de sociaal-democratische vereenigingen. Deze afdeelingen van de partij vaardigen ieder jaar een of meer personen af naar het algemeen congres, alsmede de voornaamste redacteurs van de erkende dagbladen. Het is op die congressen, dat de algemeene richting van de politiek wordt vastgesteld; dat het onderzoek plaats heeft naar de houding van de parlementaire kamerfractie; dat de moties, die de organisatie en de discipline raken, onderzocht worden; dat vier leden van het centrale bestuur gekozen worden. De drie anderen, de president, de secretaris en de penningmeester, die tezamen het bureau van de loopende zaken vormen, en die om deze reden een gemeenschappelijke woonplaats moeten hebben, worden gekozen door de Federatie van Amsterdam en wonen in de hoofdstad. Het werk van het Bestuur bestaat daarin, dat het zich bemoeit met al wat de partij aanbelangt: het nemen van het noodzakelijke initiatief; het volgen van de actie van de propagandisten en de pers; en zoo daalt dan, door een krachtige werkzaamheid aan ieder onderdeel van de partij op te leggen, het socialistische leven in de kleinste vertakkingen neder, tot in de nederigste dorpjes van Groningen en Friesland.

In iederen socialist, zou men kunnen zeggen schuilt een propagandist. Velen zijn er, die, zonder er hun beroep van te maken, dagbladen verspreiden en de leeringen in vergaderingen en werkplaatsen verbreiden. Bovendien heeft de partij zijn vaste propagandisten, die als zoodanig in hun levensbestaan voorzien, somwijlen verdienstelijke sprekers, die zich gedurende eenigen tijd in een zekere streek vestigen, deze in alle richtingen doorkruisen, publieke vergaderingen houden, plaatselijke vereenigingen oprichten en ieder jaar aan het centrale comité verslag uitbrengen van hunne werkzaamheden.