De Pleiters

Chapter 4

Chapter 4824 wordsPublic domain

LEANDER. 'k Verlaat my heel, myn Heer, op 't woord van Izabel.

JERONIMO. Hoe, ben je stom? spreek op, nu wakker spreek. Ja wel!

IZABEL. Ach, Vader, 'k durf in 't minst daar tegen Appelleeren.

JERONIMO. Ik wel, dat schut ik.

LEANDER. Ei, wil u niet eens bezeeren, Kent gy dit schrift wel? 't is uw hand, gy hebt geen kracht Tot Appelleeren.

JERONIMO. Hoe?

DANDYN. Hy heeft u in zyn macht.

JERONIMO. Ik zie, ik ben verleid, maar 'k zal dat revenzeeren. Al zou ik twintig jaar daar tegen procedeeren. Je hebt de Dochter, maar de beurs niet.

LEANDER. Wel, myn Heer, Wie eischt u geld? wie zeit dat ik wel iets begeer? Laat ons uw Dochter, en bewaard uw goed.

JERONIMO. Pasientie, Och! och!

LEANDER. Zyt gy voldaan Papa van d'Audientie? De Vader zwygt, en een die zwygt die consenteert? Wie weet ook, of hy niet die uitslag heeft begeert.

DANDYN. Volkomen, Zoon; niets kan als rechten my behaagen, Ik wil daar in besteên de rest van myne dagen; Maar laat de Pleiters in toekomende, myn Zoon Wat korter zyn; en uw misdadige...

LEANDER. Verschoon Hem maar, laat ons in vreugde ons zelf niet kwellen; Ei, Vader.

DANDYN. Wel ik zal van daag het recht uitstellen. 't Geschiet om uwent wil zoet Bruidje, laat ons gaan De wezen troosten, met een roemer van een vaan.

_Einde van het derde en laatste Bedryf._

NAREDE AAN DEN LEEZER.

Zie hier een _Blijspel_, door het licht dezer eeuw, den onnavolgelyken _Racine_, uit de WESPE van _Aristophanes_ getrokken, door den taalkundigen _Jan van Gent_ in 't Nederduitsch vertaald, en door my in vaarzen ten Schouwtooneel gevoerd.

Lichtelyk zullen eenige, doch meest die wat ernstig zyn, zich aan de stof en plaats belgen, om dat te Parys, alwaar dit spel speeld, zulk rechten, of recht doen niet gebruiklyk is. Op 't eerste antwoord _Racine_: de meeste menschen bekommeren zich weinig met de meening des Schryvers; want men onderzocht terstond myne misslagen, even als men een Treurspel zou gedaan hebben, zelfs die geenen, die daar 't meeste vermaak in geschept hadden, vreesden dat zy niet na den regel gelacht hadden, en mispreezen my, dat ik hen niet ernstiger had doen lachchen. Anderen beelden zich in, dat het hen mooy stond daar in verdriet te hebben, en dat de stof van 't Paleis, geen voorwerp was voor de Hovelingen.

Zy zouden de waarheid te kort doen, indien zy my verweeten dat ik hun ooren, met te veel pleitstreeken vermoeit had, een taal die my zo vreemd als iemand is; ook heb ik daar niet als eenige Barbaarsche woorden in gebruikt, die ik geleerd mag hebben geduurende eens Proces, dat noch myn Rechter, noch ik ooit ter deege verstaan heb.

Indien ik iets vrees, is het, dat zommige ernstige menschen het proces van den Hond, en de buitenspoorigheid van den Rechter niet wel voor beuzelingen mochten opnemen: maar ik zet _Aristophanes_ over, en hy had met gesleepe toehoorders te doen. De _Atheniers_ wisten heel wel wat het Attische zout was, en zy waaren wel verzekert, als zy om een zaak gelacht hadden, dat zy om geen zotternyen gelacht hadden.

Voor my, ik oordeel dat Aristophanes reden gehad heeft de zaak zo te maaken, dat ze buiten alle waarschynelykheid was. De _Areopagietische_ Rechters zouden misschien niet voor goed gekeurt hebben, dat hy hunne geldzucht levendig afgeschildert had, als meede de fraje streeken van hun Secretarissen, en de schelmeryen van hun Advokaten. 't Was derhalven nodig de vertooners wat te veranderen, om te beletten zich te erkennen. 't Gemeen liet daarom niet, het waare door belachchelyke te zien, en ik verzeker my, dat het veel beter is, d'ondraachelyke welspreekentheid bezich gehouden te hebben omtrent een beschuldigde Hond, als dat men een rechte misdadige voor de rechtbank gezet had, en dat men de Toehoorders had belang doen hebben in 't leven van een mensch.

Dus verantwoord hem _Racine_. Aangaande de stof, wat de plaats betreft, ik oordeelde, dat men meer genoegen zouden hebben met een Stad te noemen, die aan de minste bekend is, als dat ik een plaats in Neder Normandyen genoemd had, alwaar zulk Procedeeren in zwang gaat, dewyl de meeste steeden dier Landstreek, aan 't gemeen onbekent zyn.

'k Zouw nooit dit spel ten Tooneel gevoerd hebben, indien ik niet geoordeeld had, dat de Godshuizen daar haar voordeel by zouden vinden, 't geen altyd myn eenigste oogwit geweest is; doch hoe de Dichters in hunne goede meening gedraiboomt worden, is by na onverdragelyk, en aan ieder bekend. Vaar wel.

* * * * * * * * * * * * * *

[Errata:

I.ii. ORATYN. Hoor, ik zet hem bevende van kouw _text: "Oraryn"_ I.vii. Om 's morgens op te staan _text: "Om s' morgens..."_ --. Omtrent de zestig. _text: "Ontrent"_ II.v. Wel zo ik iemand ken _text: "imand"_ II.viii. ACHSTE TOONEEL. _text: "ACHTSTE"_ III.ii. Den grooten H... _onleesbar: origineel (Racine) "Le grand Jacques"_ III.iii. _Einde van het derde en laatste Bedryf._ _text: "laaste"_ Narede an den Leezer. ... een rechte misdadige voor de rechtbank _text: "rechtband"_ --. ... hoe de Dichters in hunne goede meening gedraiboomt worden _"d" in "gedraiboomt" onleesbar_]