De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 9

Chapter 93,780 wordsPublic domain

»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt dus vijf duizend piasters?”

»Ja.”

»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen die met hem zijn, in onze handen te leveren?”

»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.”

»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.”

»Ik luister.”

»Gij kent mij, niet waar?”

»Door en door.”

»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?”

»Het is zoo goed als goud.”

»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men geloof ik doña Luz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”

De oogen van den gids schitterden van hebzucht.

»Ja,” zeide hij.

»Goed.”

»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.”

»Dat is uwe zaak.”

»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.”

»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?”

»Hm! wat zal de generaal zeggen?”

»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij den koop aan, dien ik u voorstel?”

»Ja.”

»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?”

»Ik zweer het.”

»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?”

»Tien dagen.”

»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.”

»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in handen geven zou.”

»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die hun vertrek voorafgaat.”

»Op die wijze....”

»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?”

»Zij kan niet beter zijn.”

»’t Is dan zoo besloten?”

»Onherroepelijk.”

»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn godspenning.”

»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te gelijk aangrijpende.

»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang nemen van doña Luz.”

»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u te mogen dienen.”

»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt: Hij die doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen voor de gevolgen mijner wraak.”

»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend; »maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.”

»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.”

»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.”

Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien binnentrad.

Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen.

Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de hand hield.

»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.”

De ruiter naderde terstond.

»Is er nieuws?” vroeg Kennedy.

»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor ontdekt.”

»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?”

»Tamelijk.”

»In welke richting?”

»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.”

»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?”

»Ik vermoed Comanchen.”

De kapitein dacht een oogenblik na.

»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij.

»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck.

De twee mannen zetten zich te paard.

»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken, »begeeft u naar het pad van den Buffalo; gij legert u in de grot, die zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar draagt zorg, dat men u niet ontdekke.”

»Wees gerust, kapitein.”

»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties maar half.”

»Het zal geschieden.”

»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.”

Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen zij in verschillende richtingen in de woestijn.

XII.

PSYCHOLOGIE.

De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan. Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen, van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het.

Gedurende die uitstapjes leidde doña Luz, alleen te midden van de ruwe personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in den omtrek van het kamp.

Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was, ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend gezelschap voor doña Luz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd, vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was uiterst bezorgd voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen.

Ditmaal echter verveelde doña Luz zich niet. Sedert dien vreeselijken nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan, waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken. Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare nabijheid mocht brengen.

Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd, van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene schrede ligt. Doña Luz deed die schrede, zonder dat zij het wist.

Doña Luz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken zij ieder oogenblik struikelen zou.

Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen, voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest van doña Luz al te diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten.

De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben. Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude vrouw in het paleis, dat hij in de calle de los Plateros bewoonde, achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen.

Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan.

Toen de oude klok van het klooster de la Merced elf ure sloeg, keerden doña Luz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek der calle San-Augustin omsloegen, waardoor zij in de calle de los Plateros zouden komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel, zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen, viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven.

De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haar rebozo (sluier) den mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren, verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te laten vervaren, deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en borgen hunne macheten.

»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten uitvoer?”

De bandieten bleven sprakeloos staan.

»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.”

Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich toe te eigenen, terug.

Doña Luz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over onbeschaamde bandieten.

»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer, Señora?”

»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te weten wat zij zeide.

»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de dames begeleiden.”

De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende.

Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich tot doña Luz.

»Vergun mij, Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt, maakt u het loopen moeielijk.”

Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij:

»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft gebracht om u een kleine dienst te bewijzen... ik zal de eer hebben u nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken, zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd, hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!”

En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich.

Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had aan haar oom niet mede te deelen, verliet doña Luz Mexico, zonder den onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden. Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven:

»Gij vertrekt, Doña Luz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb toegeroepen.”

Uw redder van la calle de Plateros.”

Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden; een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt? Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan.

Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo.

Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen.

En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit.

Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om zich aan de rust over te geven.

Doña Luz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken.

XIII.

DE BIJENJACHT.

Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal, wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door een kleine hand opgelicht, en kwam doña Luz te voorschijn.

»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien geluk aanbrengen.”

»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd voorhoudende, waarop hij een kus drukte.

»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij.

»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart eens grijsaards verkwikt.

»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.”

»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent wederom binnentredende.

»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende.

Het meisje klapte van vreugde in hare handen!

In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg, dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel.

»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij weet wel, dat ik u niets kan weigeren.”

»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk zal kunnen overhalen.”

»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van gewicht?”

»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet geven zult.”

»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik antwoorden.”

»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.”

»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?”

»Alles.”

»Hoe dat?”

»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u bij mij.”

»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen morgen uitga, en dat ik niet....”

»Daar zit juist de knoop.”

»Ja.”

»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.”

»Denkt gij dat?”

»Ik weet het zeker.”

»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.”

»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.”

»Neen, neen.”

»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.”

»En welk is dan dat middel, mijn poesje?”

»Zal oompje niet knorren?”

»Stoutert, knor ik ooit op u?”

»Och neen, gij zijt zoo goed!”

»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?”

»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is...”

»Nu, is....?”

»Mij iederen morgen met u mede te nemen.”

»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag doet gij mij daar, lief kind!”

»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.”

De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken hief hij het hoofd op, en prevelde:

»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?”

»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij.

»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes vergezellen.”

Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlieten doña Luz en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee lanceros de tent, en verdwenen in het bosch.

»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids.

»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren gesproken hebt.”

De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels. Doña Luz was gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten.

De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren.

»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat gij u verwaardigt den mond te openen?”

»Bijen, uwe Excellentie!”

»Hoe, bijen? zijn hier bijen?”

»Ja, doch eerst sedert kort.”

»Hoe, eerst sedert kort?”

»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.”

»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?”

»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken; naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of squatters.”

»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij daar zegt?”

»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen voortrukken, gaan zij achteruit.”

»Dat is inderdaad zonderling.”

»De honing zal wel goed zijn,” zeide doña Luz.

»Uitmuntend, Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is gemakkelijker dan ze meester te worden.”

»Ga uw gang,” zeide de generaal.

De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden, een teeken om stil te staan.

De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan, verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de snelheid van een vogel in een rechte lijn voort.