De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 8

Chapter 83,881 wordsPublic domain

Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen; hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk een glans van vergenoegen.

»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij: »misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.”

»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.”

De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort.

»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart.

Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid.

»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds.

»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!”

Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken. In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf, legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging, opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken.

»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager.

»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende.

De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld.

»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.”

»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem.

Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een treurige glimlach plooide zijne lippen.

»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.”

»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.”

De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd.

»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds.

Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam.

»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen, bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft, hebben het dorp overvallen.”

»De naam van dien man?” zeide de jager levendig.

»Hij is dood!... ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in brand gestoken.”

De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden.

»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen. Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in. Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden, en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet ongewroken sterven.”

Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een aanvang nam.

Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen blik op de jagers slaande, zeide hij:

»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.”

»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit.

»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij onbewegelijk liggen.—Hij was dood.

Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield. De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid, dien zij zichzelven hadden opgelegd.

Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn paard.

»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van den Arendskop volgen.”

»Laat ons gaan,” antwoordde de jager.

De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren.

Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood heerschten.

X.

DE VERSCHANSING.

Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot den generaal terugkeeren.

Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustig had voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën, die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij bezat, zonder spijt en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van hem op te geven.

»Wat moet ik doen?...” zeide hij; »wat moet ik doen?” Doña Luz, die op hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande, zeide zij:

»Goeden morgen, lieve oom.”

»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem overlaadde, met woeker terug.

»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor deze openbaring zijner macht.”

»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw gemoed achtergelaten, lief kind.”

»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de weldaden, waarmede God ons overlaadt.”

»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u zoo te hooren spreken.”

»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.”

»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het leven dat wij leiden u niet vermoeit.”

»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.”

»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders vergeten.”

»Zij zijn al weg,” antwoordde doña Luz.

»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend.

»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.”

»Hoe weet gij dat, lieve nicht?”

»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel gezegd, alvorens ons te verlaten.”

»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.”

»Die weet ik.”

»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd.

»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.”

»En... hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig.

»De jongste, Goedsmoeds.”

»En de oudste?”

»Edelhart.”

»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven.

»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende engelen weder verschijnen.”

»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot ons zullen te danken hebben.”

De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen.

»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van hunne vermoeienissen uitgerust?”

»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om op het eerste kommando op te breken.”

»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.”

De kapitein ging weg.

»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich tot doña Luz wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids onderhoud.”

Het meisje ijlde heen.

Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat ontevredener dan anders.

De generaal scheen het echter niet op te merken.

»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige dagen in veiligheid kampeeren kan.”

»Ja, generaal.”

»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend geschikt was?”

»Ja, generaal.”

»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?”

»Zooals gij verkiest.”

»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?”

»Twee dagen.”

»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.”

De Babbelaar boog zonder antwoord te geven.

»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er niet één van uwe manschappen verdwenen?”

»Ja.”

»Wat is er van hem geworden?”

»Ik weet het niet.”

»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik.

»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit de voeten gemaakt.”

»En?”

»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.”

»Wat meent gij?”

»Hij zal verbrand zijn.”

»Arme kerel!”

Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids.

»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?”

»Neen... o ja, wacht eens.”

»Ik wacht.”

»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote dienst bewezen hebben?”

»Iedereen kent ze in de prairie.”

»Wat zijn het voor menschen?”

»Pelsjagers.”

»Dat vraag ik u niet.”

»Wat vraagt gij dan?”

»Ik bedoel hun gedrag.”

»Dat weet ik niet.”

»Hoe heeten zij?”

»Goedsmoeds en Edelhart.”

»En weet gij niets van hun leven?”

»Niets....”

»Het is goed; gij kunt weg gaan.”

De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden terug, die zich tot het vertrek gereed maakten.

»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.”

Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de doctor en doña Luz hem aan het ontbijt zaten te wachten.

Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer een twintigtal passen vooruit ging.

De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen. De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch; verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar.

De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen wilde dieren.

Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap, dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt; zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort.

De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte tusschen twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten; want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika aantreft.

Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak.

Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden, omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den brand was gespaard.

Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het teeken tot vertrek.

Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg.

De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven, daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele voerden.

De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet weerhouden zijne tevredenheid te betuigen.

»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.”

De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach, en ging heen.

»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin heeft.”

De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde overlaten aan het toeval, dien deus ex machina, die in één sekonde de best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen.

Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over.

De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende daarin volkomen geslaagd te zijn.

Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen, zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden, uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als een slang wegsluipende, gleed hij over de barricaden en wallen heen. Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.... van den Babbelaar.

Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na. Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids, die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp ontsnapt was.

XI.

DE KOOP.

De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie, waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden.

De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste voorzorgen, die zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas, onafgewend op hen gericht bleven.

»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik laat den tijd aan u over.”

»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander.

»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.”

»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.”

»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach.

Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan.

»Hm!” zeide hij, »pas op, Compadre, het is nooit goed, om met menschen als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.”

»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang, niet waar, Kennedy?”

»Wat zou dat?”

»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal gebeurd is; ziedaar alles.”

»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te verraden?”

»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden, maar...”

»Nu, maar?”

»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.”

»Dat is ten minste oprecht gesproken.”

»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op.

»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze kunnen aannemen.”

»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het wel?”

»Neen, maar toch...”

»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets leiden. O, als Ouaktehno (hij die doodt) maar hier ware, dan zou het een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden verstaan.”

»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem.

Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen, begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam hij uit de takken, die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen de sprekers in.

»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht.

»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden glimlach.

»Volstrekt niet.”

»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.”

»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.”

»Nu, spreek dan maar; ik luister.”

Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking, die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der prairiën gewoon, aantreft.

Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar, een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde.

»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede belooning genieten,” zeide de bandiet.

»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die belooning te geven.”

»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover buigende.

»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?”

»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.”

»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.”

»Hoe dan?”

De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam hij:

»Die Mexicanen zijn zeer rijk.”

»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein.

»Vervolgens schijnt het mij toe, dat....”

»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel af.”

»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede piasters, of er komt niets van de geheele zaak.”