De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 7

Chapter 73,866 wordsPublic domain

»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen bevindt.”

»Dat is meer dan genoeg.”

»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen, die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht, waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.”

»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het roode ras verwant.”

»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.”

»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil van u geen aanmerkingen hooren.”

De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder en ging weg, bij zich zelven mompelend:

»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.”

De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers, na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder oogenblik hun leven in gevaar te stellen.

Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag, onbekommerd uitrustten.

De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt.

Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar woud, tweehonderd Comanchen van den Slangenstam verscholen, aangevoerd door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die, ofschoon gewond, nochtans aan den tocht wilde deelnemen; zij wachtten met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun aangedanen hoon.

Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand, het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens, bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een onheilspellende lach speelde.

»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd.

»Zij slapen,” was het antwoord.

»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?”

»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.”

»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het grijze hoofd?”

»Zij zijn hier.”

»Zullen zij mij toebehooren?”

»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden gesteld.”

»Oach! is de jager niet gekomen?”

»Nog niet.”

»Hij zal te laat komen.”

»Waarschijnlijk.”

»Wat zegt mijn broeder nu?”

»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?”

»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne lieden bewaakt.”

»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt....”

»Een Indiaan heeft maar één woord.”

»’t Is goed!.... Nu dan, als ge maar wilt.”

Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot werden gevangen genomen.

Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd wachtten om den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord.

VIII.

DE INDIAANSCHE WRAAK.

De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen.

De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te begeven, met die onverschrokkenheid, die den Yankee eigen is.

Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte een zucht.

»Wij zijn verloren,” mompelde hij.

In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden, zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Het vae victis (wee den overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere schermutseling is een gevecht op leven en dood.

De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans op lijfsbehoud overbleef.

De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen berokkende.

De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond, bemerkte, was de oude jager Wit-Oog.

»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij daar gekomen?”

Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben:

»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?”

»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard.

»Bah! zijt gij dan een toovenaar?”

»Misschien.”

»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden verkocht.”

Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de kapitein zag het.

»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer van zijn.”

De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide:

»Wij zullen zien.”

Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de algeheele verdelging van een van beiden.

Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen.

Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander; weldra zou alles gedaan zijn.

De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op hem. De mesties werd door dezen onverwachten schok op den grond geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een oogenblik aan.

»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?”

»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe hand, dood mij.”

»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.”

»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want weldra zal het te laat zijn.”

»Ik heb den tijd.... Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?”

»Wat gaat het u aan?”

»Ik wil het weten.”

»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne familie, ik heb mij willen wreken.”

»Maar wij hebben u toch niets gedaan.”

»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.... ik kan verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.”

»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij ziet ik ben dus edelmoedig.”

En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij:

»Op zijn Indiaansch!”

En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige, grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke behendigheid.

De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat.

»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.”

»Vindt gij?” zeide de kapitein.

»O, dood mij, dood mij!”

»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden wedergeven.”

Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand van den omgang en schopte hem weg.

De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk en walgelijk schouwspel op.

»Genade! genade!” gilde hij.

De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist.

Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht der wanhoop gegrepen had, los.

»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij viel naar beneden.

»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood. De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang leidde.

»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats.

De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met schreeuwen.

De aanval werd gestaakt.

»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek hebben die duivels nu uitgevonden?”

Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen onmiddellijk, sloegen hun met de machete de handen af, scalpeerden hen, en wierpen hen toen in het fort.

Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol; zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem waren voorgegaan, zou vereenigen.

Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan.

Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende, zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen keelklank:

»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?”

Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan aan.

»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?”

»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.”

»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den Indiaan warm de hand drukkende.

En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de sporen droeg van vroegere schoonheid.

»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde.

»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,” antwoordde hij.

Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel, waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten als duivels over hunne wraakneming.

De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver in de wildernis.

Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te roepen.

Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het ondermijnd had.

Alles was afgeloopen.

De Amerikanen waren omgekomen.

De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd bekroond met een met bloed bevlekte bijl.

Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de Arendskop het teeken om te vertrekken.

De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking dezer ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen.

Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen.

IX.

DE SCHIM.

Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend in de verte.

Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds.

In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat vooralsnog onzichtbaar was.

»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel komen; wees maar gerust!”

»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft! dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O, Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?”

»Hier hebben wij de ondiepte.”

»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.”

»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken zijn wij bij uwe moeder.”

»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een bewoonde plaats aankondigen.”

»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t rond.”

De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet.

»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg.

»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker verscheidene lijken die de rivier wegvoerde.

»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd. Mijne moeder! O mijne moeder!”

»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder twijfel in veiligheid.”

Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast, waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een spoor van vuur en bloed achtergelaten.

»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!”

Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends.

Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou, die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van dienst kon zijn.

Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond, aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en overlaadde hem met liefkoozingen.

»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar Edelhart terug.

»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!”

De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat tot hem op.

De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf.

Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das om den nek van het dier te binden.

»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn vriend gaan opzoeken.

»Wat is er?” vroeg Edelhart.

»Lees!” antwoordde Goedsmoeds.

De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken.

Het bevatte slechts deze woorden:

»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.... Er is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.”

»Geloofd zij God!!...” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.... O, ik zal haar wel vinden.”

»Dat zult gij zeker!....” voegde Goedsmoeds er bij.