De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 6

Chapter 63,844 wordsPublic domain

Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met de hand, de honden weggezonden te hebben.

De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en verdwenen weldra in de duisternis.

Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen.

Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is, veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen, dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden.

Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden, verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in. De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te zien. De jagers zetten hunnen tocht voort.

»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij er ditmaal heelhuids afkomen.”

»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet lang door onze list laten misleiden.”

»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen, en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.”

»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om geen minuut te verliezen.”

Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren kraken.

»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.”

De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was.

Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd van oogenblik tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden.

»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in brand gestoken!”

»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet, verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig.

»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.”

Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen.

»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!....” en, voegde hij er zachtjes bij, »ik wil mijne moeder weder zien!...”

VI.

DE REDDER.

Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren.

Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden. Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van zijn blankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden hadden.

Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te roepen.

De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden.

Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen, niet ver af konden zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen.

Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden.

Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken, en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken.

Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet kwaad bedacht.

De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden.

De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van behoud, die aan Edelhart overbleef.

Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende plaatsen tegelijk vuur aangebracht.

In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer de vlammen zich vereenigd hadden.

Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren, heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen. Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist.

De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor zich heen.

De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde.

In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het kamp rond.

Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend, het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden.

Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan.

De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden.

Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen, gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met eenige minuten.

Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet.

De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk ander denkbeeld. Doña Luz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en meer.

»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende, »zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot redding in het werk te stellen?”

»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen.

»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?”

»Geen enkel!”

»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken heen, plotseling in het kamp stortte.

»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast.

»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.”

»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te gehoorzamen.”

»Hebt gij dan geen gidsen bij u?”

»Ja!”

»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.”

De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een wantrouwenden blik toe.

»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.”

Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen.

»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager, zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond.

»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.” Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het gras uitgerukt.

Doña Luz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen met reuzenschreden naderde, met een enkel woord te bezweren. Het meisje kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren, wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte.

Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte de jager even.

»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken gevende, liep hij het vuur te gemoet.

»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal.

»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling.

Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig kruit in, en stak er den brand in.

»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit.

»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager eenvoudig.

Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan.

Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af. Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen. Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered!

De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden.

Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen.

»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik ooit mijn schuld aan u betalen?”

»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets dan mijn plicht gedaan.”

Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen, hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer natuurlijk was.

De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even voordat de zon opging, stonden zij op.

»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten vertrekken.”

»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander.

Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht aangeraakt; hij keerde zich om. Doña Luz stond voor hem. De twee mannen bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig.

»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem.

»Het moet, señorita,” antwoordde een der jagers.

»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen, niet waar?”

De twee mannen bogen, zonder te antwoorden.

»Sta mij een gunst toe,” zeide zij.

»Spreek, mevrouw.”

Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst droeg.

»Bewaar dit ter herinnering aan mij.”

De jager aarzelde.

»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen.

»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.”

»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!”

»Spreek!”

»Hoe zijn uwe namen?”

»Mijn makker heet Goedsmoeds.”

»Maar gij?”

»Edelhart.”

Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen. Doña Luz volgde hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!... O, ik zal het niet vergeten!...”

VII.

DE VERRASSING.

De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende eigenschappen van het Angel-Saksische ras is.

Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken.

In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen, ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt, en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte en het roode ras.

Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795 een verbond van vrede en vriendschap gesloten hebben met de Barbarijsche staten, die hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta, die ook met hen onderhandelen wilde.

Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, dat de regeering der Vereenigde Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen, wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te erkennen: den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben.

Men make zelf de gevolgtrekking!

De Squatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht, de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te verdrijven.

Achter de squatters komen vier of vijf soldaten, een tamboer, een trompetter of een officier met een vaandel met sterren.

Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken.

Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit, wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is een zeer eenvoudige wijze van handelen.

Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar bestaande bezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan den voet van een altijd groenen heuvel.

Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen bewapend den loop der rivier bestreek.

Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen. Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben.

Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen, reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten diepe sporen in den grond achter.

Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan, viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het dorp heerschte.

De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden.

Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen, de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking vereenigde zich op het plein van het dorp.

De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de uitgezonden verspieders waren allen terug.

»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen spoor van Indianen gevonden.”

»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde, »twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.”

»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar wees overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen durven wreken.”

»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met nadruk.

»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd gestegen, gij droomt wakend.”