De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 5

Chapter 53,884 wordsPublic domain

Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te verklaren.

De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der duisternis.

De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan. De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het leven kon kosten.

Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr voort.

Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor.

Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door, en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een ontzaglijken kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in zijne takken.

Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond.

IV.

DE REIZIGERS.

Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was, de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren.

De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche Lanceros begeleid, te ontpakken.

Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en maakten hun avondmaal gereed.

Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee ruiters begeleid.

»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent der señorita opsla?” vroeg hij, het hoofd ontblootende.

»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van de palankijn bevond.

Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder, doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal.

De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den rug van een muilezel lag.

Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein Aguilar, reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te verschaffen als de omstandigheden maar toelieten.

Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent binnen.

De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan. Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies, dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen.

De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar, met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de nicht van den generaal.

Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te maken.

»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje, dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht van avond?”

»De señorita is altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd, zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?”

»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.”

»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen.

»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;” zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach.

»Ik heb u altijd gezegd, doña Luz,” ging de geneesheer voort, zijne dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.”

»Ooah! die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te verzamelen.

»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de reis van heden u vermoeid, lieve nicht?”

»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende; »sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig aantrekkelijks voor mij had.”

De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had.

De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in orde te brengen.

Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge dame aan onze lezers voor te stellen.

Doña Luz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen, haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte.

Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt; hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt.

In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden vereenigd.

Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de aangename zijde kennende.

Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den prikkel der begeerte.

Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht, dien hij in de prairiën ondernomen had.

Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om.

Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen. Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, was doña Luz een gelukkig kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en nimmer aan de toekomst dacht.

De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den doctor te plagen, tot dezen het woord:

»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij.

»’t Heeft niet over, Señorita,” antwoordde hij.

»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om er een muilezel mede te beladen.”

»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei planten bijeen te garen,” zeide de generaal.

»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.”

»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die gij op uw weg zult ontmoeten.”

»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.”

»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroeg doña Luz.

»Kostbaar, Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd, maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?”

»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig.

»Waartoe zij dient?”

»Ja.”

»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig.

Doña Luz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal jaloersch zou gemaakt hebben.

»En noemt gij dat een kostbare plant?”

»Ja, wegens hare zeldzaamheid.”

»Ha!.... ja wel.”

»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal, die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der gidsen eens.”

De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en sterk gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en antwoordde op den naam van Babbelaar, dien de Indianen, of zijne makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden.

»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn, Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat uit.”

De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan wachten.

»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,” zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid zijn?”

Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den generaal, en antwoordde: »Neen.”

»Waarom niet?”

»Te veel Indianen en wilde beesten.”

»Kent ge een betere plaats?”

»Ja.”

»Is zij ver?”

»Neen.”

»Hoe ver?”

»Veertig mijlen.”

»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?”

»Drie.”

»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen wij ons op weg begeven.”

»Is dat alles?”

»Dat is alles.”

»Goeden nacht.”

En de gids vertrok.

»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend.

»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.”

De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne makkers, met wie hij fluisterend begon te praten.

’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken te zamen onder het rooken van een sigaar. Doña Luz zong een dier bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen van een verren donder gelijk, liet zich hooren.

»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande.

»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar bedaard.

Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken, geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden. Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met den Babbelaar gewisseld te hebben.

V.

DE COMANCHEN.

Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen, bespiedden de Comanchen.

De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd rondom de vuren te eten en te rooken.

Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten, die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam uitmaakten.

Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden.

De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde, hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de kleeding en de zeden zijner natie bewaard.

Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden buitengewone kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd, die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden, die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne hielen vastgemaakt.

Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het kamp zijn genaderd.

Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het zwijgen op te leggen.

»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het nauwelijks hooren kon.

»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds.

»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg.

Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom, zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle richtingen voort.

De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg bevonden, beschuttende.

De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken.

Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op zijn boog, maar hoe voorzichtig en behendig hij ook te werk ging, kon hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem.

»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt dood!”

De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij zijn toorn.

»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet; dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u geen genade schenken.”

»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,” antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.”

»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos bloedvergieten.”

»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een zendeling.”

»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.”

»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan; »Nehunutah vergeeft niet, hij wreekt zich!”

»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager, minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!”

»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een schop gevende.

De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven, alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen.

»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.”

»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd.

»Cascaras! Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de prairie.”

»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.”

»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij nu heengaan?”

»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?”

»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.”

De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten einde de Comanchen van spoor te brengen.

Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij den Indianen gespeeld hadden.

Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard hun oor bereikte.

»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande.

»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.”

»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende, luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op.

»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.”

»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.”

»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te bereiken, als wij hen willen ontsnappen?”

»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.”

Edelhart dacht even na.

»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan genoeg.”