De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 4
»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en volgden het spoor der Comanchen.
Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie.
II.
DE JAGERS.
Eenige woorden nu over de personen, die wij ten tooneele gebracht hebben, en die een belangrijke rol in dit verhaal spelen zullen.
Edelhart—onder dezen naam alleen was de jager in de prairiën van het Westen bekend—genoot onder de indiaansche stammen waarmede zijn avontuurlijke levenswijze hem in aanraking had gebracht, den roem van bovenmate behendig, edelmoedig en dapper te zijn. Allen eerbiedigden hem.
De blanke jagers en bevervangers, de Spanjaarden, de Amerikanen van het Noorden of mestiezen, allen gaven hoog op van zijne ondervinding, en kwamen dikwijls bij hem om raad en hulp.
Zelfs de roovers der prairiën, allen schelmen en deugnieten, het uitvaagsel der maatschappij, die slechts van roof en geweld leven, durfden hem niet aan en kwamen hem zoo min mogelijk in den weg.
Alzoo was het dezen man, alleen door de kracht van zijn verstand en wil en bijna zonder het te weten, gelukt, een macht en invloed te verkrijgen, die door al de woeste bewoners dier ver uitgestrekte wildernissen, werd erkend en geëerbiedigd.
Van die macht bediende hij zich slechts ter bevordering van het algemeen belang en om allen te ondersteunen, in hun eerlijk pogen om zich stil en rustig toe te wijden aan de bezigheden, die zij zich hadden uitgekozen. Niemand wist wie Edelhart was, noch van waar hij kwam; over zijne eerste levensjaren lag een ondoordringbare sluier gespreid.
Op zekeren dag, vijftien of twintig jaar geleden—hij was toen nog heel jong,—hadden eenige jagers hem ontmoet, terwijl hij aan de oevers van de Arkansas bezig was met bevervallen te zetten. De weinige vragen die zij over zijn vroeger leven tot hem gericht hadden, waren zonder antwoord gebleven; de jagers, niet zeer spraakzaam van aard, vermoedden onder de verlegene antwoorden en het stilzwijgen van den jongeling, het bestaan van een geheim, dat hij wenschte te bewaren; zij maakten er eene gewetenszaak van om langer bij hem aan te dringen en vroegen hem niets meer.
In strijd met de gewoonte der andere jagers en bevervangers in de prairiën, die allen een of twee makkers hebben, met wie zij zich vereenigen en die zij nooit verlaten, leefde Edelhart alleen, zonder vast verblijf, de woestijn in alle richtingen doorkruisende, zonder ergens zijn tent op te slaan.
Altijd somber en droefgeestig, ontvluchtte hij het gezelschap van zijns gelijken en toch was hij altijd gereed, om als de gelegenheid zich aanbood, hun een dienst te bewijzen, ja zelfs om zijn leven voor hen in gevaar te brengen. Vervolgens, als men hem danken wilde, gaf hij zijn paard de sporen en ging hij ver weg zijne vallen zetten, ten einde aan hen, die hij had weten te verplichten, den tijd te geven om de bewezen dienst te vergeten.
Jaarlijks, omstreeks denzelfden tijd, namelijk tegen het laatst van October, verdween Edelhart weken lang, zonder dat iemand zelfs maar gissen kon, waar hij zich bevond; als hij dan terug kwam, stond zijn gelaat altijd eenige dagen achtereen veel treuriger en somberder dan gewoonlijk.
Eens, toen hij weder van een dier geheimzinnige tochten terugkeerde, was hij vergezeld van twee jonge prachtige speurhonden, die van toen af met hem bleven, en waarvan hij veel scheen te houden. Vijf jaar vóór het tijdstip, waarop wij den draad van dit verhaal weder in handen namen, nadat hij op zekeren avond zijne vallen voor den nacht had uitgezet, bemerkte hij plotseling door de boomen heen, het vuur van een indiaansch kamp. Een blanke, nauwelijks zeventien jaar oud, was aan een paal gebonden, en diende tot mikpunt voor de messen der Roodhuiden, die zich vermaakten met hem te martelen, alvorens hem aan hunne bloedige wraak op te offeren.
Edelhart, slechts ooren hebbende voor de stem van het medelijden, dat het slachtoffer hem inboezemde, had zonder te denken aan het vreeselijk gevaar, waaraan hij zich blootstelde, zich te midden der Indianen geworpen, en zich vlak voor den gevangene geplaatst, dien hij met zijn lichaam als een borstwering beschutte.
Deze Indianen waren Comanchen; verbaasd over zóóveel stoutmoedigheid, en over deze onvoorziene verrassing, waarop zij volstrekt niet waren voorbereid, bleven zij eenige oogenblikken onbewegelijk staan.
Zonder tijd te verliezen had Edelhart de banden van den gevangene losgesneden, en hem zijn mes gevende, dat de ander verheugd aannam, besloten zij beiden, om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
De blanken boezemden den Indianen een instinctmatige vrees in. Toen de Comanchen echter van hunne eerste verwondering bekomen waren, maakten zij zich gereed om de twee mannen, die hen durfden braveeren, aan te vallen. Maar het schijnsel van het vuur, dat vlak op het gelaat van den jager viel, had hem doen herkennen.
De roodhuiden traden eerbiedig terug, onder het gemompel van: »Edelhart! de groote, bleeke jager!”
De Arendskop, zoo noemde zich het opperhoofd der Indianen, kende den jager niet; het was voor de eerste maal dat hij zich in de prairiën van de Arkansas bevond; hij had dus niets van den uitroep der krijgslieden begrepen. Bovendien haatte hij de blanken van ganscher harte, en had gezworen hen allen te zullen verdelgen. Verontwaardigd over de laaghartigheid zijner lieden, was hij alleen Edelhart te gemoet gegaan; maar toen had er iets zonderlings plaats gehad.
De Comanchen wierpen zich terstond op hun opperhoofd, en ondanks hun eerbied voor hem, hadden zij hem reeds geheel ontwapend, eer hij tegen den jager iets kon uitrichten.
Edelhart, na hen bedankt te hebben, gaf zelf aan het opperhoofd de wapenen terug, die men hem ontnomen had, en die deze schoorvoetend aannam, niet zonder een onheilspellenden blik op zijn tegenpartij te werpen. De jager haalde minachtend de schouders op, gelukkig door een mensch het leven gered te hebben, had hij zich met den gevangene weldra teruggetrokken.
Edelhart had zich in minder dan tien minuten een onverzoenlijken vijand en een oprechten vriend verworven.
De geschiedenis van den gevangene was eenvoudig. Met zijn vader uit Canada vertrokken, om in de prairiën te gaan jagen, waren zij in handen der Comanchen gevallen; na een wanhopigen tegenstand was zijn vader, overdekt met wonden, gesneuveld; de Indianen, toornig over dezen dood, die hun een slachtoffer ontnam, hadden aan den jongeling de grootste zorgen besteed, opdat hij met eere aan den martelpaal kon verschijnen, hetgeen stellig gebeurd zou zijn, zonder de onverwachte tusschenkomst van Edelhart.—Na deze inlichtingen ontvangen te hebben, had de jager den jongeling gevraagd, wat zijne plannen waren, en of het leergeld dat hij zoo pas voor het ambt van woudlooper betaald had, hem niet van dit avontuurlijke leven had afgeschrikt.
»Hemel neen! integendeel,” had de ander geantwoord, »ik voel mij meer dan ooit geroepen om deze loopbaan te betreden, en bovendien,” liet hij er op volgen, »wil ik mijn vader wreken.”
»Dat is billijk,” merkte de jager aan.
Hiermede was het gesprek geëindigd.
Edelhart had den jongeling naar een zijner bergplaatsen gebracht, een soort van in den grond uitgegraven magazijnen, waar de pelsjagers hunne rijkdommen bewaren; hij had er al de benoodigdheden van een jager uit te voorschijn gehaald, een geweer, een mes, pistolen, weitasch en vallen, en had die aan zijn beschermeling ter hand gesteld.
»Ga,” had hij eenvoudig gezegd, »God helpe u!” De andere zag hem sprakeloos aan; klaarblijkelijk begreep hij hem niet.
Edelhart glimlachte. »Gij zijt vrij,” hernam hij, »zie hier al wat gij noodig hebt voor uw nieuw bedrijf, ik geef het u, de prairie ligt voor u, ik wensch u een goede vangst toe.”
De jongeling schudde het hoofd.
—»Neen,” zeide hij, »ik verlaat u niet, tenzij gij mij wegjaagt; ik ben alleen, zonder familie, zonder vrienden, gij hebt mij het leven gered, ik behoor u toe.”
»Ik laat mij de diensten, die ik bewijs, niet betalen;” zeide de jager.
»Gij laat ze al te duur betalen,” antwoordde de ander met vuur, »daar gij geen dank aanneemt; neem uwe gaven terug, zij zijn mij van geen nut; ik ben geen bedelaar, dien men een aalmoes toewerpt, ik lever mij zelven nog liever op nieuw aan de Comanchen over, vaarwel!”
En de Canadees wendde zich met vaste schreden regelrecht naar het kamp der Indianen.
Edelhart was bewogen; deze jongeling had zulk een vrijen onschuldigen blik, dat hij in zijne borst iets voor hem voelde kloppen.
»Sta,” zeide hij; en de ander stond.
»Ik leef alleen,” vervolgde de jager; »het leven dat gij met mij leiden zult, zal treurig zijn; eene groote smart verteert mij. Waarom u aan een ongelukkige als mij verbonden?”
»Om uw verdriet te deelen, zoo gij mij die eer waardig keurt, en om u te troosten, bijaldien dat mogelijk is; de mensch, als hij alleen is, loopt gevaar van tot wanhoop te vervallen; God heeft hem bevolen, zich bij zijne medemenschen te voegen.”
»Dat is zoo!” mompelde de jager, niet wetende wat hij moest aanvangen.
Edelhart beschouwde hem een oogenblik met aandacht. Zijn arendsoog scheen zijne geheimste gedachten te willen doorgronden, daarna zonder twijfel voldaan over zijn onderzoek, zeide hij tot hem:
»Hoe heet gij?”
»Goedsmoeds,” antwoordde de andere, »of zoo gij liever wilt Georges Talbot, maar men geeft mij gewoonlijk slechts den eersten naam.”
De jager glimlachte.
»Die naam belooft wat goeds,” zeide hij, hem de hand reikende: »Goedsmoeds,” vervolgde hij, »van dit oogenblik af zijt gij mijn broeder: voortaan zal alleen de dood ons scheiden.”
Hij gaf hem een kus op de oogen, hierin het heerschende gebruik der prairiën volgende.
»De dood alleen!” antwoordde de Canadees levendig, met warmte de hem toegereikte hand drukkende; en op zijne beurt zijnen nieuwen broeder een kus op de oogen gevende.
Op deze wijze hadden Edelhart en Goedsmoeds elkander leeren kennen. Sedert vijf jaren had niet het minste wolkje de vriendschap overschaduwd, die deze twee uitgelezen karakters elkander in de woestijn, voor het oog van God, hadden toegezworen. Integendeel, nog dagelijks scheen zij toe te nemen: zij hadden te zamen slechts één hart, zij waren volkomen van elkander verzekerd, zij raadden elkanders meest verborgen gedachten; deze twee menschen hadden hunne krachten zien vertienvoudigen, en zoo groot was hun wederzijdsch vertrouwen, dat zij voor niets meer terugdeinsden en vaak de vermetelste ondernemingen waagden, waarvoor tien vastberaden mannen zouden hebben teruggebeefd.
Maar alles gelukte hun. Niets scheen hun onmogelijk te zijn; men zou gezegd hebben dat zij door een betoovering onkwetsbaar en onverwinnelijk waren geworden. Hun roem was dan ook wijd en zijd verspreid, en diegenen, die niet met bewondering hun naam hoorden noemen, herhaalden hem met schrik.
Nadat Edelhart eenige maanden besteed had om zijn medgezel te bestudeeren, had hij in ’t vervolg, gedreven door de behoefte die den ongelukkigen mensch noopt om zijn leed aan een vertrouwd vriend te klagen, geen geheimen meer voor Goedsmoeds. Dit vertrouwen, waarop de jongeling met ongeduld gewacht had, zonder het echter op eenigerlei wijze uit te lokken, had, zoo mogelijk, de banden tusschen deze twee mannen nog nauwer toegehaald, terwijl het den Canadees de middelen verschafte, om zijn vriend die vertroosting toe te deelen, die zijn geschokte ziel behoefde, en die het hem mogelijk maakte om de nog altijd bloedende wonden aan te raken, zonder ze te beleedigen.
Den dag, waarop wij hen in de prairie ontmoet hebben, waren zij de slachtoffers geweest van een vermetelen diefstal, bedreven door hun ouden vijand, de Arendskop, het opperhoofd der Comanchen, wiens haat en afkeer door den tijd slechts sterker geworden waren.
De Indiaan had, met al de veinzerij die zijn ras kenmerkt, de beleediging, die hij van de zijnen door toedoen van den blanken jager ondergaan had, stilzwijgend gedragen, en geduldig het uur der wraak afgewacht. Hij had onder de voeten zijner vijanden onmerkbaar een afgrond gegraven, door de Roodhuiden langzamerhand tegen hen op te zetten, en hen op eene sluwe wijs te belasteren. Ten gevolge van dezen maatregel was hij er, ten minste zoo dacht hij, eindelijk in geslaagd, om zelfs de overige blanke jagers en mestiezen van hen af te trekken, en de twee mannen door al de bewoners der prairie als vijanden te doen beschouwen.
Zoodra hij dezen uitslag verkregen had, had de Arendskop zich aan het hoofd geplaatst van een dertigtal vertrouwde krijgslieden, en met het doel om een strijd uit te lokken, die hen, wier dood hij gezworen had, ten gronde zou richten, had hij op zekeren nacht al hunne bevervallen gestolen, wel overtuigd dat zij zulk eene beleediging niet ongewroken zouden laten.
Het opperhoofd had zich in zijne berekening niet bedrogen; alles was uitgekomen zooals hij het voorzien had.
Meenende dat zij geen hulp zouden vinden onder de Indianen en jagers, vleide hij zich met de hoop, van met de hulp der dertig vastberaden lieden, over wie hij het bevel voerde, zich gemakkelijk van twee jagers te zullen meester maken, om ze onder afschuwelijke martelingen ter dood te brengen.
Maar hij had den misslag begaan van het aantal zijner lieden te verbergen, ten einde de jagers meer vertrouwen in te boezemen.
Deze hadden zich slechts ten halve door deze krijgslist laten misleiden, en zich sterk genoeg gevoelende om desnoods tegen twintig Indianen te vechten, hadden zij niemands hulp ingeroepen om zich te wreken op vijanden, die zij verachtten, en hadden zij, zooals wij gezien hebben, zonder aarzelen met de vervolging der Comanchen een begin gemaakt.
Hier sluiten wij deze wel wat langwijlige parenthèse, die tot recht verstand van het volgende onmisbaar was, om met ons verhaal voort te gaan, daar, waar wij het op het einde van het voorgaande hoofdstuk hebben afgebroken.
III.
HET SPOOR.
De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den indruk zijner voeten te vinden.
Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten te doen verdwijnen.
Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken.
De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te vinden en er zich ernstig over te verontrusten.
Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden kon verraden.
Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, de Kopergroen geheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze bij den toom voortleidende, trokken zij zich in de schaduw van een boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten.
Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig beraadslagen, wat wij doen zullen.”
Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring.
»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om zonder gewichtige redenen aldus te handelen.”
»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.”
»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen wagen.”
»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen te overvallen, gaan opnemen.”
»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend, wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.”
»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.”
»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen, zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te wachten voor onze onderneming.”
»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij zien.”
De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden van het hooge gras verdwenen.
»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet waarlijk niet waarheen ge ons brengt.”
»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.”
»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?”
»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg, niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer gewaar werd.”
»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen medegebracht.”
»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje; gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd, en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging zijn makker hem volgde.
Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren aanschouwt.
Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen” genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was samengesteld.
»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen moesten, bestudeerd te hebben.
»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom grijpende.
De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden deze taak hebben kunnen volbrengen.
Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken.
Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had.
»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande.
»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende zonder een opening te ontdekken.
Goedsmoeds glimlachte.
»Kom,” zeide hij.
En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om; de jager volgde hem nieuwsgierig.
Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie voet breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps voor de opening van een groot hol.
Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een toeval te ontdekken.
De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf. Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich verspreidde.
»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben. Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.”
Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering niet inhouden.
»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan Goedsmoeds.
»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze.
De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep.
Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom stond, was er licht genoeg om hen te geleiden.
Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was.
Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan, toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen.