De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 3

Chapter 33,861 wordsPublic domain

Onder de omhelzingen van haar zoon had de moeder op nieuw hare kennis verloren.

IV.

DE MOEDER.

Twee paarden, door nô Eusébio bij den toom gehouden, wachtten aan de deur der hacienda.

»Zal ik uwe genade vergezellen?” vroeg de mayoral.

»Neen!” antwoordde de hacendero koel.

Hij zette zich in den zadel en plaatste zijn zoon dwars voor zich.

»Breng dat tweede paard weg,” zeide hij, »dat heb ik niet noodig.”

En zijn paard de sporen gevende rende hij in vollen draf weg.

De mayoral trad weder in huis, treurig het hoofd schuddende.

Zoodra de hacienda achter eene kromte van den weg uit het gezicht verdwenen was, stond don Ramon stil, haalde een zijden doek uit zijn zak, bond dien voor de oogen van zijn zoon zonder hem een woord toe te voegen, en ging weder voort.

Deze rid in de woestijn duurde lang; zij had iets verschrikkelijks, dat het hart deed bloeden.

Die zwarte ruiter, zwijgend over het zand heendravend, op zijn zadel een gebonden knaap medevoerende, wiens zenuwachtige trillingen alléén bewezen dat hij nog leefde, maakte een treurige en vreemde vertooning, die den dapperste zou hebben doen sidderen.

Vele uren gingen voorbij zonder dat er een woord tusschen vader en zoon gewisseld werd; de zon begon onder te gaan, er verschenen reeds eenige sterren aan het sombere blauw des hemels, het paard liep nog altijd.

De woestijn werd van oogenblik tot oogenblik treuriger en somberder; elk spoor van plantengroei was verdwenen, hier en daar alleen vertoonden zich in het zand enkele hoopen van door den tijd verbleekte beenderen; de roofvogels vlogen langzaam boven het hoofd van den ruiter, en in de geheimzinnige diepte der chaparals (steeneikwouden) deden de wilde dieren, bij het naderen van den avond, hun dof gebrul hooren.

In deze gewesten is bijna geen schemering; zoodra de zon ondergaat is het nacht.

Don Ramon draafde altoos voort.

De zoon had geen enkele bede tot hem gericht, had geen enkele klacht doen hooren.

Eindelijk, tegen acht uur des avonds hield de ruiter zijn paard in. Deze koortsachtige rid had tien uren geduurd. Het paard reutelde en waggelde met iederen stap.

Don Ramon sloeg een blik om zich heen; een glimlach van vergenoegen plooide zijne lippen. Aan alle kanten vertoonde de woestijn hare onmetelijke zandvlakten; eensklaps ontplooiden de eerste grenzen van een maagdelijk woud aan den horizont, hare grillige vormen, op eene onheilspellende wijze afstekend bij het overige landschap.

Don Ramon stapte af, zette zijn zoon op den grond, ontdeed zijn paard van het gebit, opdat het vermoeide dier eenig voedsel zou kunnen gebruiken, dat hij hem gaf; vervolgens, toen hij met de grootste koelbloedigheid zich van al deze zorgen gekweten had, naderde hij zijn zoon, en deed hem den blinddoek af.

De knaap bleef onbewegelijk staan, en richtte een diepen, kouden blik op zijn vader.

»Mijnheer,” zeide don Ramon tot hem, »gij zijt hier meer dan twintig mijlen van mijne hacienda verwijderd, waarin gij, op straffe des doods, geen voet meer zult mogen zetten; van dit oogenblik afaan zijt gij alleen, zonder vader, zonder moeder, zonder familie: omdat gij een wild dier zijt, veroordeel ik u, om met de wilde dieren te leven; mijn besluit is onherroepelijk, uwe gebeden zouden ze niet kunnen veranderen, bespaar die dus.”

»Ik bid niet tot u,” antwoordde het kind op doffen toon; »men bidt niet tot zijn beul.”

Don Ramon sidderde; hij deed eenige passen heen en weêr met koortsachtige aandoening; maar zich bijna onmiddellijk herstellende, ging hij voort:

»Zie hier, in dezen zak, levensmiddelen voor twee dagen; ik laat u deze buks met getrokken loop, die in mijne hand nooit haar doel gemist heeft; ik geef u ook deze pistolen, deze machete (kleine sabel), dit mes, deze bijl; in deze buffelhorens zijn kruit en kogels; gij zult in den knapzak een vuurslag vinden en al wat gij noodig hebt om vuur te maken; ik heb er een bijbel van uwe moeder bijgevoegd. Gij zijt dood voor de maatschappij, waarin gij niet moogt terugkeeren; de woestijn ligt voor u; zij behoort u toe; wat mij betreft, ik heb geen zoon meer, vaarwel! De Heer zij u genadig, tusschen ons is voortaan alles uit: gij blijft alleen en zonder familie; het is nu uwe zaak een tweede bestaan te beginnen en in uwe behoeften te voorzien. De Voorzienigheid verlaat nooit hen, die hun vertrouwen op Haar vestigen; zij alleen zal voortaan over u waken.”

Na deze woorden te hebben uitgesproken, deed don Ramon met een onbewogen gelaat, zijn paard het gebit weder aan, gaf zijn zoon de vrijheid, zette zich in den zadel, en vloog weg als een pijl uit den boog.

Rafaël richtte zich op de knieën op, boog het hoofd voorover, luisterde angstig naar den snellen hoefslag van het paard, en volgde met de oogen, zoo lang hij kon, de noodlottige schaduw, die zwart afstak bij de heldere stralen der maan; daarna, toen de ruiter eindelijk in de duisternis verdwenen was, bracht de knaap de hand aan zijne borst, een onbeschrijfelijke uitdrukking van smart verwrong zijne trekken, en hij riep:

»Moeder!.... Moeder!....”

Hij viel bezwijmd op het zand neder.

Na een geruimen tijd te zijn voortgereden, verminderde don Ramon ongemerkt den draf, zijns ondanks het oor leenende aan de verwarde geluiden der woestijn, angstig luisterende, zonder zich nauwkeurig rekenschap te geven van de redenen, die hem aldus deden handelen, maar misschien wel in afwachting van het geroep zijns zoons, om tot hem weder te keeren. Tweemaal zelfs trok zijne hand werktuigelijk aan den teugel, als of hij gehoorzaamde aan de geheime stem, die hem gebood terug te gaan; maar de hoogmoed van zijn geslacht was sterker, en hij reed door.

De zon ging op, toen don Ramon de hacienda bereikte.

Twee menschen stonden aan de poort zijne terugkomst af te wachten.

De eene was doña Jesusita, de andere de mayoral. Op het zien zijner vrouw, bleek en ontroerd als zij was, terwijl zij als het beeld der verlatenheid voor hem stond, voelde de hacendero zijn hart beklemmen, hij wilde voorbij gaan.

Doña Jesusita deed twee passen en den teugel grijpende, zeide zij op hartroerenden toon:

»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?” De hacendero antwoordde niet; de smart zijner vrouw ziende, vroeg hij zich zelven in stilte af, of hij werkelijk het recht had, om te handelen, gelijk hij gedaan had.

Doña Jesusita wachtte te vergeefs op antwoord. Don Ramon zag zijne vrouw aan; hij werd bang, toen hij de onuitwischbare sporen van verdriet op dat eens zoo kalm en rustig gelaat bespeurde. De edele vrouw was bleek als een doode; hare gelaatstrekken hadden een onverbiddelijke gestrengheid aangenomen, hare van koorts brandende oogen waren rood en zonder tranen, twee blauwe, diepe kringen maakten ze hol en wild; eene breede vlek teekende op hare wangen het spoor, dat de tranen, wier bron verdroogd was, hadden achtergelaten; zij kon niet meer schreien, hare stem was rauw en onregelmatig, haar beklemde borst hijgde onder elke ademhaling.

Na eenige seconden op antwoord gewacht te hebben, herhaalde zij:

»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?”

De hacendero wendde verlegen het hoofd af.

»O, gij hebt hem gedood!” riep zij uit met een hartverscheurenden gil.

»Neen....” antwoordde hij, verschrikt door zooveel smart, voor het eerst in zijn leven het gezag erkennende van eene moeder, die rekenschap vraagt van haar kind.

»Wat hebt gij met hem gedaan?” herhaalde zij met meer aandrang.

»Later,” zeide hij, »als gij bedaard zijt, zult gij alles weten.”

»Ik ben bedaard,” antwoordde zij. »Waarom een medelijden geveinsd, dat gij niet bezit? Mijn zoon is dood, en gij hebt hem vermoord.”

Don Ramon steeg af.

»Jesusita,” zeide hij tot zijne vrouw, haar bij de hand nemende en teeder aanziende, »bij al wat er heilig is in de wereld zweer ik u, dat uw zoon leeft: ik heb geen haar van zijn hoofd gekrenkt.”

De arme moeder bleef eenige oogenblikken nadenken.

»Ik geloof u,” zeide zij toen; »wat is er van hem geworden?”

»Welnu,” hernam hij aarzelend, »daar gij alles weten wilt, verneem dan dat ik uw zoon in de woestijn heb achtergelaten..... maar in het bezit van alles, wat zijne veiligheid verzekeren en aan zijne behoeften voldoen kan.”

Doña Jesusita sidderde: een zenuwachtige rilling ging haar door de leden.

»Gij zijt grootmoedig geweest,” zeide zij met bittere ironie; »gij zijt grootmoedig geweest jegens een kind van zestien jaar, don Ramon, het stuitte u tegen de borst om uwe handen in zijn bloed te wasschen; gij hebt deze taak liever willen overlaten aan de wilde dieren en aan de woeste Indianen, die alleen deze eenzame vlakten bewonen.”

»Hij was schuldig!” antwoordde de hacendero, op doffen, maar vasten toon.

»Een kind is nooit schuldig in het oog van haar, die het in haar schoot gedragen en met hare melk gevoed heeft,” zeide zij; »het is wel, don Ramon: gij hebt uw zoon veroordeeld, ik zal hem redden!”

»Wat wilt gij doen?” riep de hacendero, verschrikt over de wilskracht, die hij in het oog zijner vrouw schitteren zag.

»Wat gaat u dat aan, don Ramon? Ik zal mijn plicht vervullen, gelijk gij gemeend hebt den uwen te vervullen! God zal tusschen ons oordeelen! Beef voor den dag, waarop hij u rekenschap zal vragen van het bloed van uw kind!.....”

Don Ramon boog het hoofd onder dit anathema; met een bleek gelaat en een knagend geweten trad hij langzaam de hacienda binnen. Doña Jesusita volgde hem een oogenblik met de oogen.

»O, mijn God!” riep zij, »geef dat ik niet te laat kom!”

Toen vertrok zij, gevolgd door nô Eusébio. Twee paarden wachtten hen achter een klein boschje. Zij zetten zich in den zadel.

»Waarheen, señora?” vroeg de mayoral.

»Naar mijn zoon,” antwoordde zij.

De hoop scheen haar geheel veranderd te hebben. Een levendig inkarnaat kleurde haar de wangen; hare zwarte oogen flonkerden.

Vier prachtige speurhonden, in dat land rastreros geheeten en afgericht om sporen te zoeken, werden door nô Eusébio losgemaakt; hij liet hun een kleed van Rafaël ruiken; de honden vlogen luid blaffende weg; nô Eusébio en doña Jesusita volgden hen, onder het wisselen van eenige hoopvolle blikken.

De honden hadden geen moeite om het spoor te volgen; het liep recht, zonder te kronkelen; ook stonden zij geen oogenblik stil.

Toen doña Jesusita op de plaats, waar Rafaël door zijn vader verlaten was, aankwam, vond zij er niemand!..... de knaap was verdwenen!

De sporen van zijn verblijf waren duidelijk zichtbaar. Een vuur dat bijna uitgebrand was, bewees dat Rafaël nauwelijks een uur geleden deze plek verlaten had.

»Wat te doen?” vroeg nô Eusébio angstig.

»Voorwaarts!” antwoordde doña Jesusita vastberaden, haar paard de sporen gevende, dat hinnikend van woede zijn loop vervolgde.

Nô Eusébio volgde haar.

Des avonds van dien zelfden dag heerschten op de hacienda del Milagro de grootste schrik en ontsteltenis. Doña Jesusita en nô Eusébio waren niet teruggekomen.

Don Ramon liet zijne manschappen opzitten. De peones en vaqueros, van toortsen voorzien, zochten overal rond naar hunne meesteres en naar den mayoral. De geheele nacht verliep, zonder eenige voldoende uitkomst te geven. Bij het aanbreken van den dag werd het paard van doña Jesusita half verscheurd in de woestijn terug gevonden. Het tuig ontbrak er aan. Het terrein rondom het doode paard scheen aan een woedend gevecht tot tooneel gediend te hebben. Don Ramon gaf wanhopig bevel om terug te keeren.

»Mijn God!” riep hij bij het binnentreden der hacienda uit, »begint mijne straf reeds nu?”

Dagen en weken, maanden en jaren verliepen zonder dat de geheimzinnige sluier, die deze treurige gebeurtenissen bedekte, ook maar even werd opgelicht: men kwam niets te weten van het lot van Rafaël, noch van dat zijner moeder of van nô Eusébio.

EINDE VAN DE INLEIDING.

I.

EDELHART.

I.

DE PRAIRIE.

Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van honderden mijlen, aan gene zijde van de Mississippi een onmetelijk grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de groote Canada-Rivier, de Arkansas en de Roode Rivier de voornaamste zijn.

Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden hunne vroegere vrijheid wedervinden.

Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun jachtverblijf gevestigd. De Delawaren, de Cricks, de Osagen overschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te vereenigen, worstelend tegen de horden der Pawnies, Zwartvoeten, Assiniboinen en Comanchen, onbedwongen volksstammen, zwervende inwoners der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis doorkruisen, waarvan niemand hunner zich het bezit durft toeëigenen, maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold.

En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van onverschrokken mannen, in een guerrilla oorlog zonder genade, spoorloos verdwijnen.

Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën, waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet.

Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand September, door de Indianen Maan der vallende bladeren,—Inaqui Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur, ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben.

Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren ouderdom schenen aan te duiden.

Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd, hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken.

Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid gepaard gaat.

Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit een mitasse,—een soort van nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien, waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede schouders golfden.

Die man was een jager.

Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn neêrgeworpen.

De jager, gewapend met een machete, een korte, rechte sabel, die nooit de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht, dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren.

Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats, waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge en overvloedige gras bood een uitmuntende pasto (weide) voor twee trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur, van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren.

Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis verraadt van het leven der woudloopers.

De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van ongerustheid, die den jager niet ontgingen.

Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit.

Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen; bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan.

De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet.

Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad.

Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch, met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die hij op zijne schouders droeg.

De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend worden gekruid.

Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie.

Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen wedervinden.

»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in.

»Gij hadt gelijk,” was het antwoord.

»O, zoo!”

»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen verliezen.”

»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij, Goedsmoeds, gij vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten teeken van toestemming.

»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons bestolen hebben.”

»Ik weet het.”

»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen [2], met mijn teeken gemerkt, hebben durven stelen?”

»De Comanchen.”

»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.... En waar bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?”

»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne bergen terug.”

»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks werpende.

»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over, Edelhart, om ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen aanvoert.”

»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?”

»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het is Nehunutah (Arendskop.)”

»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. Zijne Mocksens (halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.”

Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat, die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich echter volstrekt niet verschalken liet.

Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort.

Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal ik waken?”

»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor u en voor mij de wacht houden.”

Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap.

Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten, zijn makker wederom op.

»Het is tijd,” zeide hij.