De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 22
Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd, bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden.
Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen, legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en zeide met eene stem die van aandoening trilde:
»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.”
»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal.
»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ik doña Jesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien gij vervloekt hebt.”
»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.”
»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en trachtende hem op te richten, »wat doet gij?”
»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart, »ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.”
»Sta op, don Ramon,” zeide doña Jesusita met een zachte stem; »sedert langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.”
»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”
»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.”
In dit oogenblik trad doña Luz beschroomd en verlegen te voorschijn.
Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht haar bij doña Jesusita, en zeide:
»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan zulk een geluk wanhoopte.”
Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat verlegen in den schoot van doña Jesusita, terwijl zij hare hand in die van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering kuste.
NASCHRIFT.
Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg van Mexico naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en vijftig dagen, slechts weinige mijlen van laatstgenoemde stad verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de vermoeidheid van zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de bewoners eener eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te wenden, en voor dien nacht hunne gastvrijheid in te roepen. Met de meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; en daaraan had hij te danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn verblijf ten hunnent eenige dagen te rekken, met vreugde aannam.
Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede verstandhouding, waarin al de leden, ook de bedienden daaronder gerekend, tot elkander stonden, noch hun patriarchale levenswijze, noch de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden opnamen, als wel de vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en de ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van doen gespreid lag.
Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten naastebij tachtig; een krachtvol man van vijftig, met schitterende oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, eene vrouw, die, ofschoon haar veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en vijf of zes bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het eigenlijke huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het scheen, nog twee andere mannen, die naar hun uitzicht en naar hun gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het verre westen dan in zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een Indiaan, een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling der kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van verschillenden rang, die echter allen als leden des huisgezins werden beschouwd en behandeld.
Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen, niet altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij eerst na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk waren aangeland. Aller gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid, die slechts het gevolg kan zijn van groote doorgestane rampen, en de rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de sprekende getuigen te zijn van een lang en bitter lijden.
Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te vernemen; bescheidenheid alleen sloot mij den mond, die tot vragen gereed was. Doch zoo doende verviel ik in een toestand van afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde stilzwijgendheid.
Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen, als ik u eenvoudig mededeel, dat de namen der mij omringende hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas de Savedra, doña Jesusita, don Rafaël, doña Luz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop.
Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in had gespeeld, in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden deelgenomen, wekten mijne belangstelling in hooge mate op. Ik vatte dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling de bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder mijne hand aan belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan mij alléén ligt de schuld, en misschien aan den lezer, die al te zeer gewoon is aan het lezen van romans, om nog vatbaar te zijn voor den diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg brengen.
Acht dagen later verliet ik, diep getroffen, het huis, waarin ik met zoo gulle vriendelijkheid ontvangen was; maar in plaats van naar Hermosillo te gaan en mij aldaar in te schepen naar Guaymas, gelijk eerst mijn voornemen was geweest, maakte ik met den Arendskop een uitstapje naar Apacheria, een uitstapje, gedurende hetwelk het toeval mij getuige deed zijn van een aantal buitengewone voorvallen, die ik u misschien later zal mededeelen, als het blijken zal, dat dit verhaal u niet al te zeer heeft verveeld.
EINDE.
INHOUD.
INLEIDING.
DE VADERVLOEK.
Bladz. 1. Hermosillo 1. 2. De haciënda del Milagro 7. 3. Het vonnis 12. 4. De moeder 18.
I. EDELHART.
1. De prairie 24. 2. De jagers 29. 3. Het spoor 34. 4. De reizigers 39. 5. De Comanchen 44. 6. De redder 49. 7. De verrassing 54. 8. De Indiaansche wraak 59. 9. De schim 64. 10. De verschansing 69. 11. De koop 74. 12. Psychologie 79. 13. De bijenjacht 83. 14. De Zwarte Eland 89. 15. De bevers 94. 16. Verraad 99. 17. De Arendskop 105. 18. Nô Eusébio 110. 19. De raad der opperhoofden 115. 20. De marteling 120.
II. OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.
1. Edelhart 127. 2. De roovers 132. 3. De zelfopoffering 137. 4. De doctor 142. 5. Het verbond 147. 6. De laatste aanval 151. 7. Het gevecht 156. 8. De grot van den Kopergroen 160. 9. Staatkunde 165. 10. Tweestrijd 170. 11. De gevangenen 176. 12. De krijgslist 180. 13. De wet der prairiën 185. 14. De straf 190. 15. De vergiffenis 197.
Naschrift.
AANTEEKENINGEN
[1] De lasso is een lang werptouw, een soort van slinger, waarmede de Mexicanen hunne koeien en paarden opvangen.
[2] Waarmede de bevers gevangen worden.
[3] Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen.
Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.
[4] Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.
[5] Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijke strafoefening in Apacheria bijgewoond.