De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 21

Chapter 213,988 wordsPublic domain

Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met kracht zijn hoofd achterover.

»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand trachtte te ontslaan.

Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard, door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn, vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend, wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te verstikken.

De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand.

»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte.

De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan.

»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en een oude vrouw, die bang is voor den dood!”

En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman. Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den grond. Slechts één van hen stond weder op.

Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide.

Ouaktehno was echter nog niet dood. Dol van woede en toorn, verblind door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid. Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden. Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond, terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was doorgedrongen.

De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich overgaven. Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en werden zij gekneveld.

Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond.

De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom aanleunde.

»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij wachten naar mijn broeder.”

»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager.

Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige andere pelsjagers.

De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan.

Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur, en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend.

Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide:

»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn? Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren; zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden. Ik werp een turbô (halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel gesproken, machtige mannen?”

Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders het met hem eens waren.

Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich gereed maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en nam het woord:

»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel gesproken, machtige mannen?” [4]

De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als jagers, beminden en eerbiedigden hem.

De Arendskop stond op.

»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen, wat hij verlangt.”

»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders; de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief; ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.”

De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut.

De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt door eene afdeeling krijgslieden.

De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide jagers te zamen.

Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de roovers wendende, zeide hij:

»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel der aarde bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in de eskennane, die heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen, die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.”

»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien verbleeken.”

»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden laten aan u de keuze van uwen dood.”

Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt hebben, om die der Indianen over te nemen.

Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der roovers.

»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide? Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal; welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan, als zij ons in handen vielen!”

Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken, terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren.

»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijn oude vrouwen, wij zullen hun rokken aandoen.”

Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld.

»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij; »als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk, men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen, zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.”

Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager beantwoord.

De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen, als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en riepen als één man:

»Wij nemen uw aanbod aan!”

Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en druk, werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat voor haar zou worden gespeeld.

»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart.

Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht.

»Uw dolk!” zeide Frank.

De jager gaf hem dien.

»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst.

Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch en tuimelde op den grond. Hij was dood.

»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede.

Hij viel op het lijk van den eerste.

Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem verplicht waren.

De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel; dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden.

Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach:

»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven; maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom, weldra zal ik het immers weten?”

En snel als eene gedachte had hij zich doorboord.

Hij viel dood neder.

Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd! [5]

Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag gedood.

»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt.

De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht.

Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken, reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige vreugdekreten.

De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd.

Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën.

Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen.

De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting.

Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot.

De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was gebracht.

XV.

DE VERGIFFENIS.

Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend.

De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was ontsnapt.

Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij had ondergaan.

»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?”

»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico terugkeeren.”

Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken, was hem te verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en voor haar geluk.

»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,” vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend.

»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn, na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.”

»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet meer zult te vreezen hebben.”

»Wij vertrekken dus weldra?”

»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil geschiede,” zeide hij met onderwerping.

»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift.

»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan gewoon,” zeide hij droefgeestig.

»Arme oom!”

»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind, maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel verplichting hebben.”

»Van Edelhart?” prevelde doña Luz blozend.

»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt, dat u hier niets ontbroken heeft.”

»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!”

»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken.

»En ik dan,” zeide het meisje vleiend.

»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve dochter, maar ik heb geen zoon!”

»Dat is waar!” prevelde zij peinzend.

»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter, om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij bewezen heeft, naar behooren vergelden?”

Er volgde een oogenblik van stilte.

Doña Luz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd, verborg haar gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende stem:

»Oom, daar valt mij eene gedachte in!”

»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God wellicht, die haar u ingeeft.”

»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt, is het niet, oom?”

»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het, kindlief, ik ben alleen!”

»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.”

»Neen.”

»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te dwingen zelfs.”

»En dat middel is?” zeide hij.

»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon aannemen?”

De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij beefde van top tot teen.

»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in toestemmen om hem met een vreemde te deelen.”

»Misschien!” prevelde zij.

»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen; voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van overtuigd, hij zou het weigeren.”

»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende.

»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal gelijk hebben, als hij het doet.”

»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel verworpen wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.”

»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn.

»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat gij slagen zult.”

»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach, »verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.”

»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit.

En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door de kronkelingen van de grot.

Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken.

Eenige minuten later stond Doña Luz met Edelhart en diens moeder voor hem.

De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen.

Het meisje gehoorzaamde.

Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril gedreven, had de moeder van Edelhart haar rebozo (sluier) zoo omgedaan, dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare gelaatstrekken te zien.

»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.”

»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal; »ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht bewezen heeft.”

»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting, ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.”

»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.”

»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een kleur krijgende.

»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel, dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.”

»Spreek, generaal, ik luister.”

»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas! zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart, wilt gij mijn zoon zijn?”

Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden.