De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 20
Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht, die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook zijne eerbiedwaardige bondgenooten.
Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld, verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van den geleerde zettende, zeide hij:
»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.”
Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend weg.
De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd dit door den kapitein niet opgemerkt.
De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd.
»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden of bedroeven?”
»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal te antwoorden.
»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.”
De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug.
»Wij kunnen praten,” zeide hij.
De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen slechts weinig vertrouwen in hem stelden.
»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd.
»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd, die den diepsten eerbied voor haar koestert.”
De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn moed terug.
»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne nicht gered is, kan ik alles verdragen.”
»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte, vóór morgen van hier ontvlucht zijn.”
»Waarom?”
»Antwoord mij eerst.”
»Ik verlang niets liever.”
»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.”
»Inderdaad!”
»Meent gij in staat te zijn om te loopen?”
»O, ja!”
»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?”
»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen kan?”
De dokter drukte hem de hand.
»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.”
»Goed; maar hoe?”
»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande; »hoe? dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.”
Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn.
»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?”
»Niet al te best,” antwoordde de dokter.
»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met uw vriend heb laten praten.”
De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord.
De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld: zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde schitterde, en met eene toorts in de hand.
»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo verheugd uit.”
»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdat ik een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel te verstaan!”
»En dat middel is...”
»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde.
»Wat wilt gij daarmede zeggen?”
»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.”
»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?”
»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker; maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.”
»Hoe dat?”
»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen, bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als ossen liggen te ronken.”
»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit.
»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb van mijne wapenen gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.”
»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig man.”
»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.”
»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?”
»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.”
»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!”
De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust. Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte; deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij.
Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk een groot aantal vijanden weêrstand bieden?
»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig.
»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan, en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!”
De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe meer argwaan begonnen in te boezemen.
XIII.
DE WET DER PRAIRIËN.
Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd.
Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden heerschte de beste verstandhouding.
In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende.
Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne schoonste kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier plechtigheden, die in de prairie te huis behooren.
Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren afwezig.
Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude opperhoofd der Comanchen, Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald had voor de uitlevering van doña Luz. Zou de kapitein durven komen? of was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen? Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste.
Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal, die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren.
Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat wij getracht hebben te beschrijven. Doña Luz kwam uit de grot, leunende op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar toe, en groette haar.
»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen blik.
»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan niet lang meer uitblijven.”
»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.”
»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus, geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.”
»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan geen medelijden met mij hebben?”
»Herstel u, mevrouw,” zeide doña Luz met aandoening, haar zachtjes omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!”
»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij weet, dat ik u niet zou willen misleiden.”
»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.”
»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u genoeg te weten, dat hij bezig is, om de señora gelukkig te maken.”
»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol zelfopoffering?”
»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend.
»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen, gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.”
»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt, Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den jager drukte.
»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig, ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de jagers hem geleken.”
»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag.
»Weldra, mevrouw.”
»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.”
»Ongelukkig is dat onmogelijk.”
»Waarom?”
»Uw zoon heeft mij belast u en de señora te smeeken dat gij in de grot zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij hetgeen hier zal plaats hebben.”
»Maar,” zeide doña Luz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered is?”
»Wees gerust, señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven; maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!”
»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.”
Doña Luz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet zonder nu en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde zou zien.
»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween.
Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren, die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen. Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der Mexicaansche gambusinos (goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien hij drie dagen geleden had voorgesteld.
Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort van fantasia uit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen, onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van geweren.
Ditmaal gebeurde er niets van dat alles.
De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten, veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten.
Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had.
Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds wendende, vroeg hij op vasten toon:
»Waar is het meisje?”
»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.”
»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?”
»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?”
»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.”
»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van geven.”
»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?”
»Dat zult gij hooren, mijnheer.”
»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen werpende.
»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.”
»Wat meer?” zeide de roover droog weg.
»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland; roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers, jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën op u toe te passen.”
»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen schuddende.
»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden, gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een voorgevoel van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.”
»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.”
De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op zijne bende gericht.
Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij spottend:
»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal hebben opgehouden te leven!”
Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor den roover plaatste.
»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.”
Die man was Edelhart.
Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van schrik die der roovers.
XIV.
DE STRAF.
De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend.
Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne krijgslist mede te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den afloop dezer onderneming gezien.
Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders, dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp terug.
Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart, maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien hij zoo wel bewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren, en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was.
Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem:
»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik zal mij wreken!”
Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar Edelhart greep het vastberaden bij den toom.
»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij.
De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het los te laten.
»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij.
Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend schuimbekte.
»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën op u toepassen.”
De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den gordel rukkende, riep hij:
»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!”
»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen, vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.”
»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op Edelhart richtende.
Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde.
Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend nederviel.
»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach.
»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat hij boven op het paard van den roover.