De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 2

Chapter 23,954 wordsPublic domain

Het was een lang man, van verheven gestalte, welgevormd, met scherpe maar schoone gelaatstrekken, die eerlijkheid en moed, maar vooral een ijzeren wil verraadden. Zijne groote, zwarte oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, hadden een onvergelijkelijk zachte uitdrukking; maar, als wrevel zijn bruine gelaatskleur met een rooden gloed overtoog, nam zijn blik eene onverzettelijkheid en eene kracht aan, die niemand kon weerstaan en die den dapperste deden aarzelen en beven.

Hij had bovendien dat aristocratisch uiterlijk, waaraan men bij den eersten oogopslag den afstammeling van een zuiver en edel castiliaansch geslacht herkent.

En inderdaad, deze man was don Ramon Garillas de Sevedar, de eigenaar van de hacienda del Milagro, die wij zoo pas beschreven hebben.

Don Ramon Garillas stamde af van een spaansch geslacht, welks stamvader een der voornaamste luitenants van Cortes was geweest en dat zich in Mexico gevestigd had, na de wonderbare verovering van dat land door dien fortuinzoeker.

In het bezit van een vorstelijk vermogen, maar wegens zijn huwelijk met eene vrouw van gemengd Aztekisch ras door de spaansche aristocratie verstooten, had hij zich geheel en al aan het bebouwen van zijn land en aan de verbetering zijner uitgestrekte goederen overgegeven.

Na zeventien jaar gehuwd te zijn geweest, was hij thans het hoofd van een talrijk huisgezin, bestaande uit zes jongens en drie meisjes, in het geheel negen kinderen, waarvan Rafaël, dien wij straks ontmoet hebben, toen hij den vaquero zoo knaphandig afmaakte, de oudste was.

Het huwelijk van don Ramon en doña Jesusita was een huwelijk geweest uit speculatie, alleen met het oog op het geld gesloten, maar dat beiden toch betrekkelijk gelukkig maakte; wij zeggen betrekkelijk, want daar het meisje het klooster verlaten had om te trouwen, had er nimmer liefde tusschen hen bestaan, maar was deze vervangen geworden door eene teedere en oprechte genegenheid.

Doña Jesusita bracht haar tijd door met te midden van hare indiaansche vrouwen voor hare kinderen te zorgen; haar echtgenoot van zijn kant was den geheelen dag bezig met zijne vaqueros, peones en jagers en zag zijne vrouw slechts enkele oogenblikken gedurende den maaltijd, terwijl hij soms maanden achtereen uitbleef om een jachtpartij aan de oevers van de Rio Gila bij te wonen. Wij moeten er echter bijvoegen, dat, afwezig of niet, don Ramon steeds met de grootste nauwkeurigheid zorg droeg, dat er niets ontbrak aan het welzijn van zijne vrouw en dat aan hare minste grillen werd voldaan, terwijl hij noch geld, noch moeite spaarde om haar alles te bezorgen, wat zij scheen te verlangen.

Doña Jesusita was betooverend schoon en van een engelachtig humeur; zij scheen, zoo niet met blijdschap, dan toch zonder al te veel verdriet de levenswijze aangenomen te hebben, waarin haar man haar genoodzaakt had zich te schikken; maar uit de diepte van haar groot, zwart, kwijnend oog, uit de bleekheid van hare trekken en vooral uit de wolk van droefheid, die voortdurend haar schoon voorhoofd met een matte bleekheid overtrok, was het niet moeilijk op te maken, dat er in dat verleidelijk marmerbeeld eene gloeiende ziel was opgesloten en dat dat hart, dat zich zelf niet kende, al zijne gedachten gericht had op hare kinderen, waaraan zij hing met al de kracht der moederlijke liefde.

Wat don Ramon betreft, altijd even goed en voorkomend voor zijne vrouw, die hij zich nooit de moeite had gegeven om te besturen, veel min te regeeren, hij had het recht om haar voor het gelukkigste schepsel van de wereld te houden; en zij was het inderdaad, sedert zij moeder werd.

De zon was voor eenige oogenblikken ondergegaan; de lucht verloor langzamerhand haar purpertint en werd hoe langer hoe donkerder; onder het gewelf des hemels begonnen reeds eenige sterren te schitteren en de avondwind verhief zich met eene kracht, die tegen den nacht een van die vreeselijke onweders voorspelde, welke in deze gewesten zoo dikwijls losbarsten.

De mayoral (hofmeester), na met zorg het overblijvende ganado (vee) binnen de omheining te hebben doen opsluiten, verzamelde de vaqueros en peones en allen richtten zich naar de hacienda, waar de avondmaalsklok hen waarschuwde, dat het uur der rust eindelijk was aangebroken.

Toen de mayoral het laatst binnentrad en een buiging maakte voor zijn meester, vroeg deze hem:

»Nu, nô Eusébio, hoeveel koppen hebben wij dit jaar?”

»Vierhonderd vijftig mi amo (mijn meester),” antwoordde de mayoral, een groot, ernstig, mager man, met grijzende haren en een gezicht zoo geel en uitgedroogd als een stuk oud perkament, terwijl hij zijn paard inhield en zijn hoed afnam, »dat is te zeggen: vijf en zeventig meer dan verleden jaar; onze buren de jaguars en de Apachen hebben ons van ’t jaar niet veel schade berokkend.”

»Dank zij uwer waakzaamheid, nô Eusébio,” hernam don Ramon; »ik zal haar niet onbeloond laten.”

»Mijn beste belooning is het goede woord, dat Uw Genade mij ten beste geeft,” antwoordde de mayoral, wiens ruw gelaat eensklaps ophelderde; »is het niet mijn plicht voor al het uwe met dezelfde zorgvuldigheid te waken, alsof het het mijne ware?”

»Ik dank u,” zeide de edelman bewogen en de hand zijns dienaars drukkende, »ik weet, dat gij u geheel aan mij hebt toegewijd.”

»In leven en in sterven, meester; mijne moeder heeft u gezoogd, ik behoor u en de uwen toe.”

»Kom, kom! nô Eusébio,” zeide de hacendero opgeruimd, »het souper is gereed, de señora is zeker reeds aan tafel, laten wij haar niet langer laten wachten.”

Daarop traden beiden binnen het patio en nô Eusébio, zooals don Ramon hem genoemd had, maakte zich gereed om de deuren te sluiten.

Ondertusschen trad don Ramon de eetzaal der hacienda binnen, waar al de vaqueros en peones reeds bijeen waren.

Deze eetzaal bevatte een ontzaglijk groote tafel, die geheel het middenvak besloeg; daaromheen waren banken geplaatst met lederen zittingen en twee gebeeldhouwde leunstoelen voor don Ramon en de señora. Achter de leunstoelen hing aan den muur een ivoren Christusbeeld van vier voet hoogte, midden tusschen twee schilderijen, waarvan de eene Jezus in Gethsemané en de andere de prediking op den berg voorstelde. Hier en daar grijnsden u van de gewitte muren jaguars-, buffels-, of hertenkoppen tegen, die de hacendero (eigenaar der hacienda) op de jacht gedood had.

De tafel was rijkelijk voorzien met lahua (een dikke soep van gekookt maïsmeel met vleesch), puchero of olla podrida en pépian; op gelijke afstanden stonden flesschen met mezkal en karaffen met water.

Op een gegeven teeken van den hacendero nam het maal een aanvang.

Weldra barstte het onweder los. De regen viel bij stroomen neder, elk oogenblik deden felle bliksemstralen de lichten in de zaal verbleeken en zware donderslagen den grond dreunen.

Tegen het einde van het maal klom de orkaan tot zulk eene hevigheid, dat het gedruisch der elementen het spreken onmogelijk maakte.

De donder ratelde met eene ontzettende kracht; een rukwind drong met geweld de zaal binnen, verbrijzelde een venster en doofde al de lichten uit; allen die tegenwoordig waren kruisten zich al bevend.

Tegelijk weergalmde de bel van de poort der hacienda en eene stem, die niets menschelijks had, riep tweemaal achtereen:

»Help!... help!.....”

»Jezus Christus!” riep don Ramon uit, terwijl hij met één sprong de zaal uit was, »er wordt iemand op de vlakte vermoord.”

Er werden op hetzelfde oogenblik twee geweerschoten gehoord, een akelige gil doorsneed de lucht en daarna verviel alles in een sombere stilte.

Eensklaps verlichtte eene heldere bliksemstraal de duisternis, de donder ratelde met veel geweld en don Ramon vertoonde zich wederom op den drempel der zaal, met een man, die in onmacht gevallen was, in zijne armen.

De vreemdeling werd op een bank gelegd, men verdrong zich om hem heen. Het gezicht van dien man had niets buitengewoons, evenmin als zijne kleeding, en toch, toen hij hem bemerkte, kon Rafaël, de oudste zoon van don Ramon, een gebaar van schrik niet weêrhouden en zijn gelaat werd bleek als dat van een doode.

»O!” mompelde hij zacht, »de juez de letras!...”

Inderdaad, het was de waardige rechter, dien wij met een zoo sierlijk gevolg Hermosillo zagen verlaten. Zijne lange, natte haren vielen op zijn borst, zijne kleederen waren in wanorde geraakt, op menige plaats gescheurd en met bloed bevlekt. Zijne rechterhand hield de kolf van een afgeschoten pistool stijf omklemd.

Don Ramon had den juez de letras ook herkend en onwillekeurig een blik op zijn zoon geworpen, dien deze niet kon doorstaan.

De rechter, dank zij der zorgen hem door doña Jesusita en hare vrouwen bewezen, kwam spoedig weder bij, slaakte een diepen zucht, opende een paar woeste oogen, die hij over de omstanders liet gaan zonder nog iets te zien, en herkreeg langzamerhand zijn bewustzijn.

Eensklaps deed een levendig rood zijn even te voren zoo bleek voorhoofd kleuren; zijne oogen schitterden, terwijl hij op Rafaël een blik wierp, die dezen aan den grond vastnagelde en aan een onverwinnelijke vrees ten prooi liet.

Daarna hief hij zich met moeite op, trad naar den jongeling die hem zag aankomen, zonder hem te durven ontwijken, legde hem ruw de hand op den schouder, en vervolgens zich tot de verschrikte peones wendende, die van dit alles niets begrepen, zeide hij op plechtigen toon:

»Ik, don Inigo tormentos d’ Albaceyte, juez de letras der stad Hermosillo, arresteer in naam des Konings dezen man, overtuigd van moord!....”

»Genade!” riep Rafaël, zich op de knieën werpende en wanhopig de handen vouwende.

»Wee mij!”—gilde de arme moeder in zwijm vallende.

III.

HET VONNIS.

Den volgenden dag rees de zon prachtig aan de kimmen. Het onweder van dien nacht had den bewolkten horizont schoongeveegd; de vogels fladderden en zongen onder de bladeren verborgen; geheel de natuur had haar gewoon feestelijk aanzien herkregen.

De klok van de hacienda del Milagro liet hare heldere slagen hooren; de peones begonnen zich in alle richtingen te verspreiden, deze om de paarden te laten grazen, gene om het rundvee naar de kunstmatige weiden te voeren, andere wederom, die zich naar den akker begaven, terwijl nog anderen zich in het patio onledig hielden met het melken der koeien en het herstellen der door het onweder veroorzaakte schade.

De eenige sporen, van den nachtelijken storm overgebleven, waren twee prachtige jaguars, die dood voor de deur lagen uitgestrekt, niet ver van het half verscheurde lijk van een paard.

Nô Eusébio, die in het patio heen en weer wandelde en een wakend oog hield over allen, die daar aan het werk waren, liet het rijke tuig van het doode paard wegnemen en schoonmaken en gaf bevel om de jaguars het vel af te stroopen. Zijn bevel werd in een oogwenk volbracht. Desniettemin was nô Eusébio niet op zijn gemak; don Ramon, gewoonlijk het eerst op in de hacienda, was nog niet verschenen.

Den vorigen avond, na de verpletterende aanklacht door den juez de letras tegen den oudsten zoon van den hacendero uitgebracht, had deze zijne dienaars gelast zich te verwijderen en na zelf, ondanks de tranen en gebeden zijner vrouw, zijn zoon stevig gekneveld te hebben, had hij don Inigo d’ Albaceyte in eene achterkamer der hoeve gebracht, waar beiden tot laat in den nacht hun verblijf hielden.

Wat was er voorgevallen gedurende dat onderhoud, dat beslist moest hebben over het lot van Rafaël? Niemand wist het, nô Eusébio evenmin als de anderen.

Na vervolgens don Inigo naar zijn slaapvertrek geleid en hem een goeden nacht gewenscht te hebben, had don Ramon zich bij zijn zoon vervoegd, bij wien de arme moeder nog altijd zat te schreien. Zonder een woord te spreken had hij den knaap in zijne armen genomen en in zijne slaapkamer gebracht, waar hij hem op den grond naast zijn ledikant had nedergelegd, vervolgens had de hacendero de deur op het nachtslot gedaan en was hij gaan liggen, met twee pistolen naast zijn hoofdkussen. Op die wijze was de nacht voorbijgegaan, terwijl vader en zoon in het donker elkander met woeste, vurige blikken lagen aan te staren en de arme moeder neergeknield lag op den drempel der kamer, waartoe haar de ingang was ontzegd, in stilte weenende om haar eerstgeborene, die, gelijk haar voorgevoel haar zeide, haar eerlang voor altijd zou ontnomen worden.

»Hm!” mompelde de mayoral, »wat moet er van dat alles komen? Don Ramon is geen man om iets door de vingers te zien, hij zal geen verdrag sluiten met zijne eer. Zal hij zijn zoon aan het gerecht overleveren? Neen! dat niet.—Maar wat zal hij dan doen?”

De waardige mayoral was zoover met zijne overdenkingen gekomen, toen don Inigo d’Albaceyte en don Ramon in het patio verschenen.

Het gelaat der twee mannen was ernstig, dat van den hacendero vooral was somber als de nacht.

»Nô Eusébio,” zeide don Ramon, »laat een paard zadelen en een geleide van vier man opzitten om dezen heer naar Hermosillo te brengen.”

De mayoral boog eerbiedig en gaf onmiddellijk de noodige bevelen.

»Ik bedank u duizendmaal,” ging don Ramon voort, zich tot den rechter wendende, »gij redt de eer van mijn huis.”

»Wees mij niet zoo dankbaar, mijnheer,” antwoordde don Inigo, »ik zweer u, dat, toen ik gisteren avond de stad verliet, ik geen ander doel had dan u welgevallig te zijn.”

De hacendero maakte eene beweging met zijn hand.

»Stel u in mijne plaats, ik ben vóór alles strafrechter; men vermoordt iemand, een slechten knaap, dat stem ik u toe, maar toch een mensch, alhoewel van de minste soort; de moordenaar is bekend, hij rijdt in galop door de stad op klaarlichten dag, voor aller oogen, met een ongeloofelijke onbeschaamdheid; wat moest ik doen? Natuurlijk hem vervolgen. Ik heb dan ook niet geaarzeld dit te doen.”

»Dat is zoo,” mompelde don Ramon, het hoofd latende hangen.

»En ’t is mij slecht bekomen; de schelmen die mij vergezelden hebben mij, toen het onweder het zwaarst was, als lafaards verlaten, om zich, ik weet niet waar, te verbergen; tot overmaat van smart begonnen twee jaguars, overigens prachtige dieren, mij te vervolgen; zij kwamen mij zóó nabij, dat ik vóór uwe deur van mijn paard ben gevallen; één heb ik er wel is waar gedood, maar de andere stond juist op het punt mij te verscheuren, toen gij mij te hulp kwaamt. Mocht ik daarna den zoon arresteeren van den man, die mij het leven had gered op gevaar van het zijne te verliezen? Dat zou de zwartste ondankbaarheid geweest zijn.”

»Nogmaals dank daarvoor!”

»Geen dank, wij hebben afgerekend, dat is alles. Ik spreek niet van eenige duizenden piasters, die gij mij gegeven hebt, omdat zij dienen zullen om mijne lieden den mond te stoppen; maar geloof mij, don Ramon, bewaak uw zoon; zoo hij eens weder in mijne handen viel, zou ik hem niet kunnen redden.”

»Wees gerust, don Inigo, mijn zoon zal niet weder in uwe handen vallen.”

De hacendero sprak deze woorden op een zoo somberen toon uit, dat de rechter zich sidderend omwendde.

»Wees voorzichtig en bedenk wat gij doen gaat!” zeide hij.

»O, vrees niets,” antwoordde don Ramon; »maar daar ik niet verkies, dat mijn zoon op het schavot komt en mijn naam door het slijk sleurt, zoo zal ik er orde op weten te stellen.”

Op dit oogenblik werd het paard voorgebracht.—De juez de letras zette zich in den zadel.

»Nu, vaarwel! don Ramon,” zeide hij op een genadigen toon, »wees voorzichtig, dat jonge mensch kan zich verbeteren, hij heeft maar wat vurig bloed in de aderen, dat is alles.”

»Vaarwel, don Inigo d’Albaceyte,” antwoordde de hacendero kortaf.

De rechter schudde het hoofd, en nu zijn paard de sporen gevende, reed hij op een draf weg, gevolgd door zijn escorte. De hacendero volgde hem met de oogen, zoolang hij kon, toen trad hij de hacienda wederom binnen.

»Nô Eusébio,” zeide hij tot den mayoral, »luid de klok om de peones en de overige bedienden der hacienda bijeen te roepen.”

De mayoral, na zijn meester verbaasd te hebben aangestaard, haastte zich, het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.

»Wat beteekent dat alles!” zeide hij.

Op het gelui der klok, kwamen al de lieden der hacienda aanloopen, niet wetende waaraan zij de buitengewone oproeping moesten toeschrijven.

Weldra waren zij vereenigd in de groote zaal, die tot eetzaal had gediend. Er heerschte onder hen een volmaakte stilte. Een bange vrees beklemde hun hart. Zij hadden een voorgevoel, dat er iets vreeselijks gebeuren zou.

Na eenige minuten gewacht te hebben, trad doña Jesusita omringd van hare kinderen met uitzondering van Rafaël binnen en nam plaats op eene verhevenheid aan het einde der zaal.

Haar aangezicht was bleek, hare roode oogen toonden, dat zij geweend had.

Don Ramon verscheen.

Hij droeg een zwart fluweelen kleed, zonder borduursel, op zijn borst hing een zware gouden keten; een zwart vilten hoed met breeden rand, versierd met een arendsveder, bedekte zijn hoofd; een lange degen met ijzeren gevest hing aan zijne linkerzijde.

Zijn voorhoofd was gerimpeld, zijne wenkbrauwen waren gefronst boven zijne zwarte, vlammenschietende oogen.

Eene siddering doorliep de reien der omstanders.—Don Ramon Garillas verscheen als rechter.

»Zou er recht gesproken worden? Maar over wien?”

Toen don Ramon rechts van zijne vrouw plaats genomen had, gaf hij een teeken.

De mayoral verwijderde zich en kwam een oogenblik later met Rafaël weder binnen.

De jongeling was blootshoofds; zijne handen waren achter op zijn rug gebonden.

Met neêrgeslagen oogen en verbleekt gelaat, plaatste hij zich voor zijn vader, dien hij eerbiedig groette.

In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, vooral in de landen, die ver van eenige hoofdplaats verwijderd en blootgesteld waren aan de gedurige invallen der Indianen, hadden de hoofden der huisgezinnen nog in al zijne zuiverheid dat patriarchale gezag bewaard, dat onder den invloed der beschaving hoe langer hoe meer begint te verdwijnen.

Een vader was souverein in zijn huis; zijne vonnissen waren zonder appél en werden steeds zonder tegenstand uitgevoerd.

Die lieden der hacienda kenden het vaste karakter en den onverzettelijken wil van hun meester; zij wisten dat hij nooit vergaf, dat zijn eer hem dierbaarder was dan zijn leven; het was daarom met een onbeschrijfelijk gevoel van angst, dat zij zich gereed maakten om tegenwoordig te zijn bij het vreeselijk drama, dat er tusschen vader en zoon zou gespeeld worden.

Don Ramon richtte zich op, liet een somberen blik over de vergadering gaan, en zijn hoed op den grond werpende, zeide hij langzaam en met den klemtoon op iedere lettergreep.

»Luistert allen; ik ben van een oud christelijk geslacht; mijne voorouders hebben zich nooit vergrepen; de eer is in mijn huis altijd beschouwd geworden als het hoogste goed; die eer, die mijne vaderen mij zonder smet hebben overgeleverd en die ik getracht heb zuiver te bewaren, is door mijn oudsten zoon, den erfgenaam van mijn naam, onuitwischbaar geschandvlekt. Gisteren te Hermosillo, heeft hij, tengevolge van een twist in een speelhuis, een huis in brand gestoken, op gevaar af van de geheele stad aan de vlammen prijs te geven, en een man, die zich tegen zijne vlucht wilde verzetten, met een dolkstoot vermoord. Wat moet ik denken van een knaap, die zóó jong het karakter van een wild dier toont te hebben? Er moet recht gedaan worden en, zoo waarachtig als God leeft, ik zal gestreng zijn!”

Na deze woorden kruiste don Ramon de armen over zijne borst en scheen dieper adem te halen.

Niemand waagde het een woord uit te spreken ten gunste van den beschuldigde; aller oog was ter aarde geslagen, aller borst hijgde.

Rafaël was bemind door al de bedienden van zijn vader wegens zijne onverschrokkenheid, die geen palen kende; wegens zijne behendigheid in het behandelen van paard en wapenen; en meer dan dit alles, wegens de rondborstigheid en de goedheid, die de hoofdtrekken van zijn karakter waren. In dit land vooral, waar het leven van een mensch zoo weinig geteld wordt, was ieder innig geneigd om den knaap te verontschuldigen en om in de gepleegde misdaad slechts een gevolg te zien van verhit bloed en opgewekten toorn.

Doña Jesusita richtte zich op; zij had zich altijd zonder morren gebogen voor den wil van haar man, dien zij sedert lange jaren gewoon was te eerbiedigen; het denkbeeld alleen van hem weêrstand te bieden, verschrikte haar en deed haar een huivering door de leden gaan; maar al de kracht van hare liefde had zich in haar hart op één punt vereenigd: zij aanbad hare kinderen, bovenal Rafaël die wegens zijn ontembaar karakter, meer dan de anderen, de zorgen eener moeder noodig had.

»Mijnheer,” zeide zij tot haar echtgenoot met een bedrukte stem, »bedenk dat Rafaël uw eerstgeborene is, dat zijn misdrijf, hoe zwaar in uwe oogen, niet geheel zonder verontschuldiging zijn kan, dat gij zijn vader zijt, en dat ik!—ik! riep zij uit, op de knieën vallende, de handen vouwende en in tranen uitbarstende,—dat ik uw medelijden inroep; genade, mijnheer! genade voor mijn zoon!”

Don Ramon richtte zijn vrouw met koele plechtstatigheid op en dwong haar om weder plaats te nemen.

»Het is vooral als vader,” zeide hij, »dat mijn hart zonder medelijden zijn moet!... Rafaël is een moordenaar en een brandstichter, hij is mijn zoon niet meer!”

»Wat wilt gij met hem doen?” riep doña Jesusita angstig uit.

»Wat gaat het u aan, mevrouw?” antwoordde don Ramon heftig, »de zorg voor mijne eer betreft mij alléén; het zij u genoeg te weten dat dit misdrijf het laatste is dat uw zoon begaan zal.”

»O,” riep zij met schrik, »wilt gij dan zijn beul zijn?...”

»Ik ben zijn rechter,” hernam de onverzoenlijke edelman op vreeselijken toon. »Nô Eusébio, zadel twee paarden!”

»God, mijn God!” gilde de arme vrouw, naar haar zoon ijlende, dien zij met haar armen omklemde, »zal dan niemand mij te hulp komen!”

Al de omstanders waren bewogen. Don Ramon zelf kon een traan niet weêrhouden.

»O,” riep de moeder verheugd, »hij is gered! God heeft het hart van dezen ijzeren man vermurwd!”

»Gij vergist u, mevrouw,” viel don Ramon haar in de rede, haar norsch terugstootende; »uw zoon behoort niet aan mij, maar aan mijne gerechtigheid!”

Toen op zijn zoon een blik werpende, koud als het lemmer van zijn zwaard, zeide hij op een toon, die den knaap zijns ondanks deed sidderen.

»Don Rafaël, van dezen oogenblik afaan maakt gij geen deel meer uit van deze maatschappij, die gij tot een schrik zijt geweest; ik veroordeel u om met de wilde dieren te leven en te sterven.”

Bij dit verschrikkelijk vonnis deed doña Jesusita eenige wankelende stappen, en viel toen voorover op den grond in zwijm.

Rafaël had tot nu toe met veel moeite in zijn hart de aandoeningen onderdrukt, die hem bewogen, maar nu kon hij zich niet langer weêrhouden; hij vloog naar zijne moeder in tranen wegsmeltende, en een hartverscheurenden gil uitstootende, riep hij: »Moeder! Moeder!”

»Kom!” zeide don Ramon, hem de hand op den schouder leggende.

De knaap waggelde als een beschonken mensch.

»Zie toch, mijnheer! maar zie dan toch!” riep hij snikkend uit, »mijne moeder sterft!”

»Gij zijt het die haar gedood hebt,” antwoordde de hacendero koel.

Rafaël keerde zich om alsof een slang hem gebeten had; hij sloeg op zijn vader een vreemdsoortigen blik, en met op elkander gesloten tanden, en bleek voorhoofd zeide hij tot hem:

»Dood mij, mijnheer, want ik zweer u, dat evenals gij zonder medelijden voor mijne moeder en voor mij zijt geweest, ik zoo lang ik leef zonder medelijden voor u zal zijn!”

Don Ramon wierp hem een verachtelijken blik toe.

»Laat ons gaan,” zeide hij.

»Laat ons gaan,” herhaalde de knaap, op vasten toon. Doña Jesusita, die begon te herleven, werd als in een droom het vertrek van haren zoon gewaar.

»Rafaël! Rafaël!” riep zij op zielroerenden toon uit.

De jongeling aarzelde een seconde, toen kwam hij met één sprong bij haar, omhelsde haar teeder, en daarop tot zijn vader gaande, zeide hij:

»Nu kan ik sterven, ik heb mijne moeder vaarwel gezegd!”

Zij vertrokken.

De omstanders gingen uiteen zonder elkander hunne gedachten te durven mededeelen, maar ter prooi aan eene diepe smart.