De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 19

Chapter 193,986 wordsPublic domain

De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem van doña Luz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te leveren, dat hij een dwaas was.

Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen, dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond, toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat, hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht, die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem dagelijks deed begaan.

Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar, om haar te verlaten.

Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren, waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte hunner ziel begraven lag.

Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aan doña Luz zijn voorstel gedaan had.

Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan.

Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor fluisterde:

»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?”

Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker gemaakt. Zijne moeder en doña Luz stonden voor hem, arm in arm op elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en antwoordde op doffen toon:

»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen bedenken, om doña Luz te redden, en haar haren oom terug te geven.”

De twee vrouwen sidderden.

»Morgen!” prevelde doña Luz, »dat is waar, morgen moet die man komen.”

»Wat zult gij doen, mijn zoon?”

»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.”

»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?”

»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!”

»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik onteerd.”

»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.”

»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God is goed, hij zal u niet verlaten.”

»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen! en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen! Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.”

Doña Luz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne mollige hand op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem:

»Edelhart, bemint gij mij?”

De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden.

»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend.

»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,” hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te verzoeken.”

»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.”

»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?”

»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja, mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus, spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde doen.”

»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van aandoening.

Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de grot binnentraden.

»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende.

De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen terug, zijn gelaat schitterde van vreugd.

»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop, doña Luz, weldra zal ik uw oom wedergeven!”

»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?”

»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.”

Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner makkers gevolgd.

»Wat bedoelde hij toch?” prevelde doña Luz angstig.

»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor hem bidden.”

Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij bewoonden.

Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen.

XI.

DE GEVANGENE.

Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden, hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen hunner vijanden te ontkomen.

De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen, waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken, waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg te gaan, langs welken zij gekomen waren.

»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de omstreken gaan verkennen.”

Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken.

»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de anderen.

Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst hadden nedergezet.

Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen.

»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan, die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen. Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een eenvoudig hol scheen te zijn, was een natuurlijke onderaardsche grot, gelijk er in deze gewesten velen voorkomen.

»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons nieuw grondgebied verkennen.”

Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed opflikkeren.

»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten tegenkomt.”

Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan, om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had, om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen, terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood.

Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte.

Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam hij aan den zoo zeer begeerden uitgang.

Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken.

De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te goed, om zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten, waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug.

Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen.

»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken.

De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had, zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen, wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem onmiddellijk volgen zouden.

Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den kapitein verder in de grot door.

»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij, Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft, Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld afwacht.”

De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren spoedig verdwenen.

Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij:

»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t werk!”

Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen!

Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de kapitein er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien. Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende.

Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen. Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid, dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld verdubbelde zijn lijden.

De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond.

»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten. Caraï, men moet niet wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.”

»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in het werk zal stellen om te ontkomen.”

»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen; daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.”

En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger Jupiter.

Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en vertoonde twee rijen groote schitterende tanden.

»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.”

»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar groote oogen opzettende.

»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken; die zelfverloochening doet u eer aan.”

En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks den middag, en verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen.

»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.”

»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.”

»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later dood.”

»Precies op het uur.”

»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als gij mij niet spoedig terugziet.”

En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven.

Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen.

XII.

DE KRIJGSLIST.

Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd.

Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken, gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder de struiken verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne aandacht trok.

De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken. Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne lievelingstudie overgaf.

Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt.

Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog, den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op, en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen.

»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag en van den nacht.”

»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?”

»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna middernacht is?”

»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt zoo mooi!...”

»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.”

»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die zich beleedigd gevoelde.

»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.”

De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem maar half genoegen deed.

»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?”

»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.”

»Maar?...” wilde de dokter hem tegenwerpen.

»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla; voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak heeft.”

Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot nadenken had kunnen brengen.

De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich naar de rivier.

Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch, die als een jaguar opsprong om hem te volgen.

Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne beurt in het woud, en mompelde zachtjes:

»Oah! (goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste vreugde.

De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij weldra hooren.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden.